De eeuw van het Zwarte Goud ... steenkool en paarden ....

Werken in de Limburgse ondergrond betekende niet alleen hard labeur voor de mijnwerkers. Ook zwoegende trekpaarden lieten hun deel van het zweet daar. Niet alleen trokken de paarden ondergronds kolenwagens, er waren er ook bovengronds. Die werden dan onder meer ingeschakeld in het houtpark. Verder waren ernog dieren die kolen naar de woningen van de mijnwerkers moesten brengen of waarmee vuilnis opgehaald werd. Allemaal droegen ze een grote bel, een klongel genaamd, zodat je ze al van ver hoorde aankomen.

Het was geen sinecure omde paarden in de donkere liftkooi te krijgen. De dieren werden erg schuw door het lawaai en de duisternis.Daarom werd er altijd een zak over het hoofd getrokken. Beneden werd niet altijd even vakkundig met de dieren omgesprongen. Soms werd er flink ruw met de dieren omgegaan en liepen ze kwetsuren op. Er was ook een verschil tussen luie en werklustige paarden. Wat zeer dikwijls gebeurde, was dat de mijnwerkers de goede,werklustige paarden verschillende posten na elkaar lieten werken. Maar na een tijdje waren die dieren natuurlijk helemaal bekaf ... !

Voor de putpaarden was er ook .een speciale uitrusting. Zo was het hoofdstel voorzien van een soort helm, een leren kussen dat tussen de oren van het paard lag. Die leren lap moest het paardenhoofd beschermen in de lage mijngangen . Een paard kan zich immers niet bukken

Hoewel het trekpaard voor zeer veel doeleinden werd gebruikt, werd hij uiteindelijk toch verdrongen door de opkomst van de explosiemotor. Hierdoor moest er een nieuwe bestemming voor dit ras worden gevonden. Deze was de omvorming tot vleespaard. Zo werd het gedrongen krachtige trekpaard, omgevormd tot een groot, log en zwaar ras .

Als bezoeker zijn het de kleine, simpele details, die de meeste indruk maken. Zoals het leren tuig, waarin de paarden loodrecht naar beneden werden gelaten, om daar in de donkere gangen de rest van hun zwoegend bestaan door te brengen. De dieren kwamen nooit meer bovengronds ! Het gaas, dat losrakende stenen en kleine instortingen moest opvangen. Ronduit huiveringwekkend is ook de uiteenzetting over hoe de stutten werden weggetrokken, wanneer een steenkoolader was uitgeput of een gang moest werden verlegd. De koelbloedigheid van de mannen die dit specialistische werk deden, 500 meter onder de grond, terwijl vlak achter hen de gangen zich donderend sloten.

Overal moet lawaai geweest zijn. Van de machines. Van de steenkoolwagons, die later niet meer door paarden maar door kleine locomotieven werden getrokken, en waarvan er nog een paar staan. Van de continue draaiende liften.Tussen 1815 en 1820 werd in Luik een zeer belangrijke vernieuwing doorgevoerd: vervoer door paarden. Het paard werd ingesnoerd in een tuig onder de liftkooi en vervolgens neergelaten in de schacht. Het bracht zijn hele verdere leven in de mijn door....
Pas in de loop van de 20ste eeuw deden de mijnlocomotieven hun intrede.

Veel liefs ... voor één keer ... met een knipoog naar de vooruitgang ... Miryam
|