We zaten met gans het personeel gezellig rond het haardvuur met dit heerlijke lenteweer. De zon scheen prachtig in Spanje. Wij, dicht bij elkaar rond het warme vuur, werden bijna in slaap gewiegd door het regelmatige getik van de hagel op de ruiten. De baron legde plots zijn pijp naast zich neer streek zich door zijn lichtgrijze baard en sprak: " Ich habe op mijn zolder gisteren nog een oud manuscript gevonden uit de dertiende eeuw ( echt waar !). Een van mijn foorfatern had het van de kruistocht tegen de Albigenzen meegebracht uit de Provence. Het onderwerp is zo oud als de straat zelf: "de bedrogen echtgenoot". Een thema dat door Boccaccio en ook door Machiavelli reeds werd bespeeld maar ook voorkomt in de kluchten van hier ten lande zoals "den buskenblazer", "het esbattement van de visser" en de "de klute van Plaierwater" enz. Ich zal in een paar afleferingen het verhaal trachten na te vertellen zoals het hier opgetekend staat want het manuscript is zeer versleten ende kapot en bijna onleesbaar. Anemone en Debbie trokken ogen als pladijzen want kultuur daar haden zo nog niet te veel van opgestoken. Van opsteken en Tuur kenden ze iets maar niet van kultuur. Elsie die de twee beschermt als een kloek haar kuikentjes, streelde hen zacht door de haren want ze zaten voor haar stoel op de grond. Ik zag aan de ogen van Anemone dat ze moeite scheen te doen om iets te bedwingen haar mond viel lichtjes open aan de rechterkant pingelde en druppelke speeksel tussen hemel en aarde aan den uithoek van de lichtblauwe lipstick... Het is het verhaal van een herder, begon de baron, en van zodra hij zijn mond opendeed sloot die van Anemone zich en legde zij haar hoofd schuin tegen de knie van Elsie, die met haar pink zacht rond het oorlelletje van de licht roste blondine draaide.
Jeanottepie, dat was ne schaapherder, die ook geiten had. In het vetste groen van de Alpenweiden daar leefde hij helemaal alleen tussen zijn schapen en zijn geiten en hij kon zich niet herinneren dan dat het altijd zo was geweest. In het begin had hij nog wel eens geprobeerd om met die geiten en schapen te klappen maar het is bekend: veel conversatietechniek hebben die beesten niet. Ze zijn zo onozel. Ze begrijpen zelfs niet wat een redelijk gesprek is. Zo stompte het verstand van die arme herdersjongen af tot het niveau van schaap. Zo eenzaam werd hij dat hij op den duur zelfs met zijn eigen niet meer van gedachten kon wisselen. Hij schuwde de mensen omdat hij zich schaamde en hij werd zo wereldvreemd als een wolfskind maar dan in schapenvacht. Gelukkig voor hem had hij zo nu en dan noodgedwongen nog een beetje aanspraak aan zijn meester, de landheer. Dien ouwen bok. Die was in zijn jonge jaren razendig zot geweest van een jeugdig schoon kind, een bloem van een meiske maar toen ze eens op een keer, per malheur, ne vermeende rivaal te diep in de ogen durfde te kijken. Toen...
Elsie en Debbie hingen aan de lippen van de patron en Anemone zat van spanning met haar handjes in haren schoot en met haar billen te knijpen alsof ze er een fles champagne moest mee aftrekken. Jarl, de Berner-Sennen lag te luistern met één oog open en één toe. Zijn staart kwispelde langzaam over en weer.
Toen ze die rivaal diep in zijn ogen had gekeken toen werd hij zwart van jaloezie en vanaf die dag af had hij een heilige haat gezworen tegen het vrouwvolk en als het ware een kruistocht ontketend tegen alles wat een rok draagt, pastoors uitgezonderd. Dat de vrouwen maar uit mijn ogen blijven; dat zei hij dagelijks wel dertig keren. Hij joeg Jeanottepie de daver op het lijf met al zijn verzinsels over het vrouwvolk en het kwam altijd op hetzelfde neer. Ja, de vrouwen beste jongen, oud of jong, arm of rijk ze hebben dubbels gespleten tongen, ze zijn allemaal gelijk maar dat is nog niet het hoofdgevaar. Hun secreet zit goed verdoken niet in het prachtig golvend haar, nee daar is het niet weggestoken. Nee, ook niet in hun beiaardklokken. Weet ge waar het zit ? ..... Onder hun rokken. Want daar woont hun poezemuis en die springt recht naar uw kruis, ze bijt als een rat, ze blaast als een kat. Lap heel uwen tabernakel plat. Twee, drie beten en in genen tijd uwen vogel gaan vliegen..... uw ballekens.... kwijt. Zo joeg die ouwe gierigaard Jeanottpie den daver op het lijf voor de vrouwen en hun bijtende beesten. Elke keer als er zo een schepsel van het zwakke geslacht in die jongen zijn omgeving kwam al was het nog op een afstand van vier vijf mijl dan dook die herdersjongen weg tussen zijn schapen en zijn geiten en hij deed daar het gejank van zijn honden na. Aaawoeeoooooooooooooooooooooooooooh. Aaaahwooeeeooooooooooooooooooooooooooooooooooohhh.
De Jarl, de Berner-Sennen dus van de patron, die met zijn gat voor het vuur lag en de blote tenen van Debbie aan het aflikken was, sprong hierbij plotseling op en begon te blaffen dat horen en zien verging, dat niemand nog verstond wat er gezegd werd en tegen dat hem een beetje gekalmeerd was was het tijd om te gaan slapen. Wat gekus en geknuffel over en weer en het licht ging uit. De boze bezoeker in het bos kletsnat en kouwelijk zag plots een vossejonksken naast hem op de grond zitten. hij meende er naar te schoppen maar het jong was hem te vlug af en hij hoorde een fijn stemmeken zeggen " Ik zal het aan mijn papa gaan zeggen , want die kan toveren. Blogs van het net wegtoveren. " Toen viel de stilte over het kasteel en het bos en alles was vredig, bijna de enige plaats op het SN waar het vredig was, allez bijna toch. (wordt vervolgd)
NB. Iedere gelijkenis met bestaande of niet bestaande personen en personagies op het SN en elders in de wereld is louter toevallig. Want anders ga ik hier weer wat moeten horen. HET ZIJN FABELKES HOORT GE HET. GOE GEHOORD FABELKES. DAT HET FABELKES ZIJN. EN HET IS POEZE- hoort ge POEZE- muis niet .....-muis.'T IS MAAR DAT GE HET WEET. IK HEB ZO AL KLODDEN GENOEG ROND MIJN OREN!! |