HEIBEL en DIMITRI VERHULST
Inhoud blog
  • 'Godverdomse dagen', deel 1
  • 'Godverdomse dagen', deel 2
  • 'Godverdomse dagen', deel 3
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Over de 'Godverdomse dagen' van Dimitri Verhulst
    FRANS DEPEUTER ANALYSEERT DE TUNNELVISIE VAN DIMITRI VERHULST
    10-04-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.'Godverdomse dagen', deel 2
     

    In het hol van de leeuwxml:namespace prefix = o ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:office" />

    Dat ook Verhulst een fervente anti-Vlaam is, daaraan twijfelt geen enkele Waal. Op de grensverleggende vraag, die Humo aan elke Hoofdzondenaar stelt, nl.: “Met wie zou je graag eens een one-nightstand willen beleven?” antwoordde Dimitri onbevangen in zijn geijkt Reetveerdegems: “Als je Yves Leterme hoort zeiken, zou je toch denken dat hij de geschikte kandidaat is voor een pot plasseks. Maar laat me liever nog maar eens de Vlaamse Leeuw neuken, zoals vorig jaar op die affiche – de beste die ik in lange tijd gezien heb.” (Humo, 08.08.06).

    Je ziet, ook Dimitri is zo’n typische anti-Vlaamse Vlaam. Beter dan Johan Sanctorum, zowat de enige Vlaamse filosoof die consequent incorrect durft te zijn, kan ik deze paradox niet analyseren. Op zijn altijd even boeiende website ‘Visionair België’ heeft hij het over het oer-Vlaamse karakter van Gdoegb, waarvan de “barokke taal () zich in het slijk van dit tranendal wentelt”. En “toch,” zegt hij, “toch werpt Verhulst zich in alle interviews op als een overtuigde Belg die, bij wijze van statement, als pseudobanneling in Wallonië is gaan wonen en het ‘Vlaamse fascisme’ hartsgrondig vervloekt. Alsof de schrijver zich wil verontschuldigen voor de lucht die hij heeft ingeademd en de grond waarop hij als kleuter heeft gepoept.”

    Samen met Verhulst krijgen alle andere “Vlaamse culturo’s” een flinke veeg uit de pan: “Als zelfverklaarde ‘rebellen’ van overwegend links-progressieve gezindheid, zouden ze moeten sympathiseren met een kwalitatief geminoriseerde bevolkingsgroep, waarvan ze nota bene zelf het ‘barbaars’ karakter literair cultiveren. Maar vermits ze zich daarmee sociaal en politiek binnen het Belgische referentiekader zouden uitsluiten, doen ze net het tegendeel en ontkennen retorisch die identiteit. Het luidruchtige ‘antifascisme’ van het Vlaams cultureel establishment heeft iets pathetisch, omdat het een strenge mentale hygiëne toepast op zijn eigen psychisch landschap en thematisch register.”

    Vlijmscherp ontleedt Sanctorum de paradox van die cultuurvlamingen die “het on-Latijnse, onverlichte, zompige irrationalisme literair cultiveren en daar behoorlijk wat succes mee oogsten, terwijl ze het tegelijk politiek ontkennen, er zich voor excuseren en als ‘anti-fascist’ of ‘goede Belg’ proberen door het leven te gaan. () De literaire thema’s van deze witgekalkte zwarten spreken nochtans voor zich: het platteland of de kleinsteedse milieus, het (onverwerkte) verleden, het zoeken naar roots, het eindeloos opwarmen van familiehistories, maar ook een eindeloze voorliefde voor het ranzige, de sansevieria's en de pissijnen, en dat alles in een soort Nedervlaams en met veel krachttermen en drieletterwoorden gekruid. Tom Lanoye en Herman Brusselmans, () zijn nooit verder geraakt dan het exploreren van de Vlaamse onderbuik. Het was en is zelfs hun handelsmerk. () De Vlaamse literatuur hanteert een Dionysisch mestkever-idioom met een sterke rioolgeur, maar geen skribent wil dat ook geweten hebben. Het Vlaamse kunstbedrijf is niet ‘progressief’ - hoe hard dat ook geroepen wordt - maar eerder regressief, zurig, sterk oedipaal, coprofiel (= groeiend op dierlijke uitwerpselen - FD), zelfs narcistisch-theatraal. Allemaal psychopathologische voorvormen van het zo gehate fascisme. () Men moet dus enige ironie aan de dag leggen tegenover die verlichte bovenlaag van onze Vlaamse samenleving, die zich distantieert van ‘het nationalistische virus’ (dixit theatermaker Jan Lauwers). Een cultuur die rationeel haar eigen emoties en onderbewustzijn ontkent, dat is bij mijn weten een unicum. De Vlaamse culturo is een parvenu die zijn afkomst uitstraalt én ontkent.”

     

    Het Boon-chromosoom

    Ja, het is me wat met die Vlaamse prozaïsten. Ze zijn er als de dood voor om ‘Vlaams’ te worden genoemd, maar zwoegen onderwijl toch maar aan een oeuvre dat zo Vlaams is als stoemppot van savooi. Een erfgenaam van Boon of Walschap genoemd worden lijkt voor de gemiddelde Vlaamse auteur zowat de hoogste literaire eer die hem - veel meer dan haar - te beurt kan vallen. Ze zijn niet te tellen, al die verdrietjes van België die uit de buik van het ‘zompige’ Vlaanderen opduiken en die dan in de Nederlandse pers “sappige romans over boertig en benauwd Vlaanderen” genoemd worden (Rob Schouten, in Trouw, 13.05.06)…

    Maar zie, nu zijn daar ineens de Godverdomse dagen op een godverdomse bol van Dimitri Verhulst. Een Vlaam die nu eens niét over ‘xml:namespace prefix = st1 ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:smarttags" />la Flandre profonde’ schrijft, maar over De Mensheid nog wel. Méér nog: die doemdenkend de héle geschiedenis van De Mensheid afhandelt in amper 180 pagina’s. En die daar nog trots voor durft uit te komen ook.

    Neenee, een hoog gedacht van de mens heeft Dimitri heus niet (hier komen we verder nog op terug). Laten we maar zeggen dat hij er 180 pagina’s lang op vloekt, spuwt, kotst, schijt en piest. Vreemd genoeg vloekt, spuwt, kotst, schijt en piest hij echter op zijn Vlaams. Zoals een boer op zijn veld: de gulp open en plassen maar. Zoals een varken in zijn kot: poepen waar het loopt. Zoals een zatlap achter de frietkraam, met brokken en gal. Zoals een pruimende kasseilegger: met het sap over de kin. Zoals een snotjongen die Jantje Stoer wil uithangen maar wel vergeet zijn neus af te vegen.

     

    Als de zeug droomt, is ’t van stront

    Nu ja, vloeken, spuwen, enzovoort heeft Dimitri geleerd vanaf zijn kleuterjaren. In De helaasheid der dingen belijdt hij dat het dagelijkse kost was in Reetveerdegem. Tenminste als we Dimitri mogen geloven. - Of was het misschien hoofdzakelijk bij de familie Verhulst zo? Doet Dimitri hetzelfde als zijn peetvader Boon, die de Kapellekensbaan beschouwde als een uitloper van zijn eigen huis? En als Walter van den Broeck, die aan alle inwoners van zijn fabriekscité dezelfde ‘heidense’ geest als in nr. 45 van zijn Koperstraat toeschreef? (Ook hier komen we verder nog op terug.)

    Hoe dan ook, zuipen, vloeken en meppen was de potgrond waarin Dimitri wortel schoot. En dat zo’n verzuurde bodem geen leuk, gezond ventje kan produceren, maar alleen verbittering, wrok, misantropie, zelfs mensenhaat kan voortbrengen, zal wel niemand verwonderen. Sinds gezaghebbende psychologen als Margareth Mahler, René Spitz, Erik Erikson, Erich Fromm, Benjamin Spock, Wilhelmina Bladergroen, Rita Kohnstamm e.a. hebben aangetoond dat iemands jeugd een stempel slaat op zijn hele persoonlijkheid, begrijpen we ook het geval ‘Dimitri’ beter.

    In Reetveerdegem moet het ongewenste Dimitrietje immers bijzonder trieste dagen hebben gekend. Hij verwoordt het zelf als volgt: ‘Moeder nam medicijnen tegen kinderen. Ik was haar enige ziekte.’ Zijn vader is aan de drank en heeft ‘een los handje’. Zijn moeder trekt eruit en daarop trekt Dimitri samen met zijn vader in bij zijn grootmoeder, waar ook zijn eveneens alcoholminnende oom woont. Op 14-jarige leeftijd besluit Dimitri de ellende te ontvluchten; hij komt in een internaat en daarna tot zijn zestiende in een pleeggezin terecht, waar de bakken bier van zijn voorbeeldige familie vervangen worden door liters exquise wijn. Hij vlucht opnieuw en wordt opgenomen in een gezinsvervangend tehuis, vol met ‘geprobeerde kinderen’. Hij probeert zo snel mogelijk op eigen benen te staan en gaat achtereenvolgens aan de slag als pizzaleverancier in Gent, als toeristische gids op plezierbootjes, als ‘duivenstrontschraper’ op kerken en animator (of ‘animatras’, zoals hij het zelf noemt) in Mallorca. (Vrij naar Boektoppers)

    Ja, indien het niet zo tragisch was, zou ik de woorden van mijn vader kunnen aanhalen, toen we eens naast de open varkensstal liepen waar de zeug in haar drek lag te slapen: “Als de zeug droomt, is ’t van stront.” Geef toe dat er toch enige overeenkomst is met wat Dimitri schrijft: “’t Schijt aanvankelijk nog stront maar gaandeweg schijt ’t ook water. ’t Schijt maar hele dagen aan doch nooit genoeg opdat ’t ook zijn ziekte zou mogen mee uitschijten. Slijm en gal en hier en daar nog andere drab loost ’t langs de bovenkant.” (p. 109)

     

    “Vlees nondedju!”

    Een ding staat alleszins vast: de inhoud van Godverdomse dagen op een godverdomse bol beantwoordt volledig aan de titel: het valt hier op aarde niet erg mee met die godverdomse mensheid, en ook de omslag, waarop een overvolle pisbak is uitgebeeld op een achtergrond van gifgroene muurtegels, accordeert perfect.

    Helaas is het juist die inhoud die ons wat zorgen baart… De vaststelling dat het hier maar iets van de hond zijn broek is, is nu niet precies een onthulling die de lezer met verbijstering slaat. “Nou, daar vallen we niet direct van naast onze stoel,” zullen we maar met Arie Storm zuchten (Het Parool, 09.10.08)

    Dimitri schetst een “grotesk portret van menselijke zelfgenoegzaamheid en verblinding”, (Frank Hellemans, Knack, 08.10.08), waarin het mensdom - of alleszins het mannetjesgedeelte ervan, want de vrouwtjes zijn “teven”, die alleen maar dienen om geneukt te worden en jong te werpen, - de hele tijd “’t” wordt genoemd. Zelfs niet ‘het’ maar “’t”. Een beest zeg maar, een amorf, naamloos monster dat, zoals in een griezelfilm, dood en vernieling zaait. 

    Op de eerste tekstpagina laat Dimitri dat beest uit het water kruipen op een niet al te beleefde manier: “”Wel toe, ’t schijt nog een laatste keer hevig in de zee, (), legt zich te druipen en te drogen waar de parelgierst vlot kiemt en trekt dan de rimboe in om zich te vormen tot een bekijkelijk monster met dikke knokkels, talgklieren, een hele eind darmen en een speklaag. En haar, wreed veel haar van onder tot boven waarin de vlooien en de teken simpel overleven door hun gastheer jeuk te bezorgen, zodat die zich moet krabben tot zijn vel  aan vodden hangt en zij kunnen zuipen van zijn bloed.” (p. 7-8)

    En dan begint het beest aan zijn avontuurlijke tocht. Dimitri laat “’t” om de haverklap op elkaar kruipen en elkaar de hersens inslaan tot ‘t 180 pagina’s verder nog altijd aan het neuken en moorden is. Meer is het niet volgens hem. Een beest dat uitsluitend door honger gedreven wordt. ‘Hoort ge? Honger!”. Honger naar “Vlees! Vlees om te eten en vlees om te penetreren! () Vlees nondedju! Vlees om te bestijgen en vlees om de zweep te geven!” (p. 78) Maar vooral honger naar macht, en dus slaat ‘t krom en kreupel wat het daarbij hindert. Zo ongeveer zoals Bertrand Russell het verwoordde:  “I found one day in school a boy of medium size ill-treating a smaller boy. I expostulated, but he replied: ‘The bigs hit me, so I hit the babies; that's fair In these words he epitomized the history of the human race.” (Education and the Social Order, 1932)

     

    “Zo’n lekker stuk.”

    De mens als beest dus, dat is de spiegel die Dimitri ons voorhoudt. De mens als een kliederig gedrocht dat druipt van zelfgenoegzame paar- en moordzucht. Een wereld waar “iedereen nog altijd op elkander kruipt en ’t iets voelt opkomen te doen bij een soortgenoot wat ‘t eerder met de beesten deed. Iets met scherpe stenen en veel bloed” (p. 16). Ga dat maar vertellen aan je buren, die zich buigen over het wiegje van hun eerste baby en nu volop aan ’t sparen zijn voor een budgetkeuken van Jan van Sundert, voorzien van gaskookplaat, afzuigkap, combimagnetron, koelkast, vaatwasser, dubbele spoelbak met mengkranen, en een vetwerend kunststofwerkblad.

    Maar niet getreurd, je heet immers Verhulst en het geestverruimende Humo staat pal achter je om je grondige samenvatting de wereld in te sturen op 320 000 exemplaren met op de achterflap de niet onaardige referentie: “Dimitri Verhulst presenteert u de geschiedenis van de mensheid.” Geef toe: er zijn andere manieren om uit de spotlights te blijven.

    En jawel hoor, de spotlights floepen aan en daar staat der Dimitri in zijn volle glorie: “Het prachtig wezen! Het plezier van de schepper! Orgelpunt van alles wat kruipt en asemt en stinkt! () Het ontwerp van de meester, zijn magnum opus in het kwadraat. Uren kan ’t zichzelf staan bekijken voor die spiegel, bloot zowel als aangekleed. () Zo’n lekker stuk.”” (p. 99)…

    Maar kom, over zijn kunstmatig gecreëerde hype gaan we het nu niet hebben. Niet dus over Dimitri’s verschijning in De Zevende Dag, TerZake, Samson en Gert, De laatste show, Iets met boeken, Vlaanderen Vakantieland - of heb ik er een paar te veel of te weinig genoemd? Jammer is het alleszins dat hij niet te zien was in De Keien van de Wetstraat en F.C. De Kampioenen, en ook in De Rode Loper (of is het toch De Rode Loop?) was zijn optreden niet misplaatst geweest -. Niet dus over de 600 besprekingen en interviews in zowat alle Vlaamse en Nederlandse zich respecterende druksels. Niet dus over de barnumreclame op Internet en de “steun van Humo, De Morgen en Radio

    Niet dus over heel die commercie.

    En zeker zullen we het niet meer hebben over de 320 000 gratis exemplaren van Humo. Tenzij misschien één enkele blogreactie: “Ik vind dat al die Dag Allemaal- en Flair-lezeressen die zich vandaag vergisten door een Humo mee te nemen in plaats van hun traditionele leesvoer, enkel en alleen omdat ze zo een gratis boek kregen dat ze toch nooit zullen lezen want ze lezen eigenlijk helemaal nooit een boek  - de laatste poging was Slaap van Annelies Verbeke toen die in De slimste Mens ter Wereld zat want dat was toch een toffe -, maar het is nu eenmaal gratis en Dimitri Verhulst dat is toch die schrijver van dat boek met die sanseveria op de cover, waarover veel gepraat wordt, maar dat ze ook al niet gelezen hebben, dat al die mensen dus eerst een mini-examen moeten afleggen aan de toonbank van de dagbladhandel om te bewijzen dat ze eigenlijk wel trouwe Humolezers zijn en als ze geen minimum van 2 op 5 halen, moeten ze een Goedele nemen in plaats van een Humo.” (Blog “Verantwoord tijdverlies”)

     

    Een ‘visionair’ met een smalle visie

    Laten we het dan maar hebben over de stijl en de visie…

    Het minste wat je kan zeggen is dat Dimitri’s stijl assertief, agressief, zelfs destructief is en dat de woordenschat doorspekt is met de ‘bloemrijke’ schuttingtaal die wellicht ten huize Verhulst gebruikt werd. En het mééste wat je kan zeggen over de visie, is dat Dimitri erg smal kijkt.

    Vanwege de bittere ervaringen heeft hij een vervormende bril op zijn neus staan, die de werkelijkheid grotesk deformeert tot een monsterlijke nachtmerrie. De wijze waarop Dimitri in zijn persoonlijke jeugd zijn persoonlijke omgeving heeft ervaren, blijkt hem zo traumatisch te hebben geconditioneerd dat hij als 36-jarige nog altijd de wereld ziet als één drekkige zwijnenstal. Hij overgiet de ganse mensheid met een galkleurige substantie die constant uit zijn gemutileerde geest opborrelt. Vanuit zijn verzuurde frustratie beschrijft hij de wereld op een baldadige, corrosieve wijze. Wat zijn volste recht is uiteraard: Verhulst is Verhulst.

    Het ergerlijke is echter dat hij deze wanstaltige voorstelling presenteert als “de geschiedenis van de mensheid” (flaptekst), dat hij aan zijn misantropische wereldbeeld een historische objectiviteit probeert te geven, kortom dat hij zich als een visionair gedraagt. Hij zegt het niet vlakaf, maar zijn profetische bijbeltaal en zijn axiomatische standpunten laten daaromtrent geen twijfel bestaan. Het portret dat hij van de mensheid schetst, is niet zomaar ‘een’ portret, neenee, het is ‘het’ ultieme portret dat de mens laat zien zoals hij is: een beest dat beestachtiger is dan alle andere beesten.

    Wat Dimitri niét ziet en dus niet toont, is de ándere mens. De mens die de hongerigen voedt, de naakten kleedt, de dorstigen laaft, de doden begraaft, de gevangenen bezoekt, de zieken verzorgt en de vreemdelingen herbergt. Het verhaal van de zeven werken van barmhartigheid blijkt de vloekende, spuwende, kotsende, schijtende, piesende Dimitri niet te (willen?) kennen daar op zijn Waalse heuvel, van waaruit hij vloekt, spuwt, kotst, schijt, piest op de hele wereld

    Dit generaliserende karakter blijkt heel wat Vlaamse critici evenwel worst te wezen. Althans de verliteratuurde critici. Zij staren zich blind op het ‘creatieve aspect’ en storen zich niet of amper aan het ‘destructieve effect’, dat het boek kan hebben op een bepaald deel van de jeugd. Welnu, ene Frans Depeuter - en hij zal wel niet de enige zijn - stoort zich daar geweldig aan. Frans Depeuter groeide immers ook op in een niet welstellend Vlaams gezin. Een kleinboerengezin nog wel, waar de geur van échte drek en zweet hing. Maar dat ook een (zou ik het durven te zeggen?) “schoon” Vlaams gezin was, waar gebeden werd in plaats van gevloekt, waar bemind werd in plaats van gepoept, waar gegeten werd in plaats van gevreten, waar gedronken werd in plaats van gezopen, waar gepraat werd in plaats van gescholden, waar men elkaar hielp in plaats van elkaar af te troeven. Wat niet betekent dat Frans Depeuter niet zou weten dat er ook ‘andere ‘gezinnen’ waren, waar wel ogen werden dichtgemept en vrouwen werden behandeld als pisbakken.

    “Een kwaadaardig virus”

    “De geschiedenis van de mensheid” dus, zo benoemt Dimitri zijn schrijfsel op de flap. “De”, en niet ‘een’. 180 bladzijden doet hij erover om de argeloze lezertjes te boodschappen dat de hele mensheid rot is tot op het bot. Het boek is “een braakbal, met velletjes en botjes; de lapjes vlees er nog aan. Verscheurd maar onverteerd.” (Roel Verniers, Knack 25.09.08) “De mens kwam, zag en overwon en maakte ondertussen alles en iedereen kapot, maar vooral zichzelf. () Hoop is vervlogen. Het bloed, de pus en de gruwelijkheid druipt van de bladzijden af. De mens van Verhulst, 't dus, houdt zich vanaf het moment dat hij uit het water is gekropen tot het betere bomuitvindwerk grofweg gezegd bezig met drie dingen: neuken, eten en het voeren van oorlog.” (Arie Storm, Het Parool, 09.10.08)

    Zo luidt ook de boodschap: wat heeft het alles voor zin? Gdoegb is “een boek dat slechts deze filosofie uitdraagt: het was niks, het is niks en het wordt niks. () Ik schreef het al en het kan niet genoegzaam herhaald worden: het was niks, het is niks en het wordt niks. De mens () heeft er nooit iets van terecht gebracht en hij zal er nooit iets van terecht brengen.” (Max Pam, HP/De Tijd, 31.10.08) Ten gerieve van de lezer die het allemaal nog niet zou snappen, geeft Dimitri vooraf toch maar het motto mee: “Gedenken wij in onze boeken de mens, die zich als een kwaadaardig virus voortplant in totale suprematie over alles wat leeft en eens geleefd heeft en nooit meer zal terugkomen” (L.H. Wiener).

    Voilà, en daarmee is eigenlijk alles gezegd. Rest nu nog de braakbal van Dimitri tot ons te nemen, met velletjes en botjes. “Smakelijk!” wensen wij de lezer toe, en met het vooruitzicht op allerlei vertalingen die wis en zeker dankzij het gulle Vlaams Fonds voor de Letteren ter verspreiding van de Vlaamse ‘cultuur’ zullen worden gerealiseerd, voegen wij er voor de buitenlandse lezers aan toe: “Guter Appetit. Good appetite. Bon appétit. Buono appetito. Appetite bom. God appetitt. Appetito bueno. Kαλή όρεξη. Xороший аппетит.”

     

    De tunnelvisie van Dimitri

    Dimitri Verhulst is een van die mensen - sorry, dat beladen woord mag voortaan niet meer worden gebruikt; zal ik dus zeggen: een van die niet- of on-mensen? - die aan tunnelvisie lijdt, wat onvermijdelijk gesimplificeerde en gegeneraliseerde beelden en een betweterig, vaak zelfs arrogant toontje  genereert.

    Tunnelvisie is namelijk “het bezien van alle aanwijzingen vanuit één als juist aangenomen hypothese, waardoor andere verklaringen over het hoofd worden gezien. Tunnelvisie is de onkunde, onwil of onmogelijkheid om bepaalde dingen waar te nemen die binnen iemands directe belevingswereld liggen. De reikwijdte van de mentale blik op concepten en begrippen wordt beperkt tot het eigen aandachtsveld. Er wordt ook wel gezegd dat iemand oogkleppen draagt: net als bij een trekpaard verhinderen dergelijke kleppen dat men om zich heen kan kijken (). De term 'tunnelvisie' wordt ook wel gebruikt voor een bekrompen visie. Iemand met zo'n soort tunnelvisie heeft geen oog voor aanwijzingen of argumenten die niet in lijn zijn met de eigen vaste overtuiging.” (Wikipedia)

    Bekommerd als we altoos zijn om de geestelijke gezondheid van onze auteurs, geven we Dimitri de raad om voor zijn 37e verjaardag aan zijn partner het boek Waarom ik altijd gelijk heb te vragen. Het is geschreven door prof. dr. E.G.C. Rassin, die in de schoot van de KNAW (Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen) betrokken is bij het onderzoek ‘Behavioural approaches to tort and contract’, en bevat hoogst interessante en bruikbare beschouwingen over aandachtsvernauwing, believing is seeing, selectief zoeken, het primacy-effect, belief perseverance, sequentiële informatieacquisitie, het feature positive-effect, jumping to conclusions, imaginatie-inflatie, het selectieve geheugen, change blindness, beperkte cognitieve controle… én over de kracht van een goed verhaal.

     

    Het kabinet van Dr. Caligari

    Zoals de 10-jarige Frans Depeuter leed aan een hoge graad van tunnelvisie, waarbij hij alles bekeek door een zwaar katholieke bril en bijgevolg alom tekenen van geloof, hoop, liefde en berouw zag, ja, in zijn platonische dromen zelfs alle moeders en meisjes voorbij zag drijven op wolkjes van geestelijke verrukking, zo bekijkt de nu toch al 36-jarige Dimitri de werkelijkheid door de sombere bril die zijn ouders hem in zijn kinderjaren op zijn neus plantten. Van het mensdom ziet hij alleen het perverse, het boze, het satanische, het vuile, het dierlijke, dat hij bovendien nog eens extra in de verf zet door het met Appeliaanse contouren bij te werken.

    Alzo vervormt hij de wereld tot een soort van kabinet van Dr. Caligari, een amalgaam van excentriciteiten, een luguber spookhuis op de kermis.

    Nu weten wij, volwassenen, wel dat zo’n spookhuis niet de werkelijke wereld is, maar met speciale effecten een beeld wil oproepen van ‘een’ unheimische wereld die het jonge volkje lekker moet doen griezelen. De realiteit is wat zich bij dag en nacht buiten het spookhuis afspeelt. En jawel, ook daar gebeuren eveneens macabere en benauwende dingen, maar gelukkig kun je er best ook leuke plaatjes schieten van pakweg een elfje dat aan een suikerspin likt, een peuter die kraaiend op een Donald Duck rondtoert, een oma die vertederd naar haar vissende petekind kijkt, een tiener die voor het eerst achter de paardenmolen zijn liefje kust.

    Maar voor dat soort dingen heeft Dimitri geen oog. Al wat hij kan of wil of wenst te zien, is lelijkheid, abjectie, platheid, infamie, schurkerij. Zodanig zelfs dat ik allengs geneigd ben te geloven dat Dimitrietje vóór zijn plechtige communie al heel wat ugly things had gezien en heel wat groeipijnen heeft gekend. Heeft hij wel ooit op een paardenmolen gezeten, vraag ik me bezorgd af, en heeft hij dan de floche kunnen pakken, ik weet het bijgod niet maar ik heb heus met die jongen te doen.

    Maar zelfs in mijn diepste mededogen kan ik niet nalaten te denken aan de woorden van de wijze opa van de Hollandse Letteren, Harry Mulisch: “De mens draagt zijn hele leven een luier vol kak, die niet wordt verschoond”, gevolgd door de nuance dat “een auteur, die niet verder komt dan het beschrijven van die luier vol met kak, snel is uitgepraat”. Een uitspraak die wel erg toepasselijk is op Gdoegb, dunkt me.

     

    Die godverdomse teven

    Dimitrietje kakt graag, nog altijd, dat blijkt onmiskenbaar. En het kakt op zowat alles. Tenminste op alles wat tot nu toe de naam ‘mens’ kreeg toegewezen en over (wat) macht, gezag en/of geld beschikt(e). Op de soldaten, op de paters en nonnen, op de keizers,op de moeders en de vaders, op de boeren, op de beenhouwers, op de visionairen, op de vlaggendragers, op de kosmologen, op beulen en vechters, ja, zelfs op de uitvinders van potten en pannen.

    Maar een bijzondere voorkeur heeft het wel om te kakken op de vrouwen, die steeds weer worden verheerlijkt met termen als “teven” en “wijven” en uitmunten in domheid en geilheid. Ja, zeg maar dat Dimitri zich 180  bladzijden lang boos maakt op het seksistische, vunzige, beestachtige, fallocratische wezen dat zich ‘mens’ noemt, maar dat hij dat ook 180 bladzijden lang doet als… een fallocratische seksist.

    Om te resumeren: Dimitri kotst en kakt op de mens tout court.

    Reeds in het (zeer mooie, o jawel!) Mevrouw Verona daalt de heuvel af denkt mevrouw Verona: “De mens: ze hadden hem nooit uit het water mogen laten kruipen. Misschien was het een gunst van haar hersens die haar toestonden dat laatste nog te denken alvorens zelf te sterven.” (p. 33) Een absoluter cultuurpessimisme vind je niet. De misantropie van Verhulst is van die aard dat hij, mocht hij de ‘macht’ hebben, wellicht het ganse abjecte mensdom zou vernietigen. “Een goede zaak zou het zijn als die niemendal zijn vruchtbaarheid kon worden afgepakt. ’t Zou dat stuk onbenul nog liever helemaal besproeien, zoals ’t onkruid besproeit (). Verdelgen gelijk ’t de ratten op een dag helemaal verdelgd hoopt te krijgen.” (p. 176)

    En zo zijn we dan bij de kern van die hele godverdomsheid gekomen. Iemand die een verdoemenis uitspreekt over de mens in ‘t algemeen, kan niet anders dan heilig overtuigd zijn dat hijzelf zuiver en hoog verheven staat boven al die lelijkheid. Door te schrijven als een cynische profeet, die geen enkel moment van zelfbevraging heeft, bewijst Dimitri in feite zijn eigen onvoorstelbare zelfgenoegzaamheid. Vanuit zijn chalet ginds op de Waalse hoogten kijkt hij als een bestraffende Zeusfiguur neer op het dierlijke gewriemel daar beneden. En hij gooit zijn bliksems naar ons, verworpenen der aarde.

    Nee, geef mij dan toch maar Mevrouw Verona. Die daalt tenminste de heuvel af en laat ook tederheid, weemoed en schoonheid toe in haar wereld.

     

    God en zijn grondpersoneel

    Iets waarop Dimitri ook bijzonder graag zijn broek afsteekt, zijn die godverdomse goden, en in het bijzonder het exemplaar dat zich met een hoofdletter laat schrijven. Een onbekende blogster wijst erop dat “één gedachte Verhulst werkelijk gek maakt en hem nooit lost: het idee dat er een God is ». En gelijk heeft ze, met deze restrictie dat ze had moeten schrijven: het idee dat er een God zou zijn, want voor zover ik weet werd tot nu toe nooit zwart op wit bewezen dat God méér is dan een gelovig postulaat, dat overigens vaak als kruk dient voor de gebrekkige mens. Maar goed, dat Dimitri er gek van wordt, is een feit.

    De grofste borstel, ja, zelfs de schrobber en straatbezem haalt hij uit de kast om zijn gekte te bezweren. Luisteren we even hoe ‘stijlvol’ hij het verlangen naar God ridiculiseert: “Had ’t soepelere buikspieren gehad, ’t had zijn eigen fluit er allang afgebeten. Was ’t meteen ook van veel miserie verlost. Nu zit ’t daar, concupiscent gaandeweg naar god te verlangen met een stijve fluit en een natte schuif.”

    ‘Concupiscent’, een mooi woord alleszins, want dat moet je Dimitri aangeven: hij beschikt over een expressief en plastisch vocabularium, dat niet helemaal strookt met de Groene Bijbel. Zo zal je vergeefs zoeken naar de betekenis van ‘concupiscent’, maar als gewezen leraar Latijn kan ik u wel verklappen dat het afgeleid is van ‘concupiscere’, het incohativum is van ‘cupere’, en dat het zoveel betekent als ‘kwade begeerte en vleselijke lusten koesterend’.

    Uiteraard wordt ‘god’ door Dimitri stelselmatig met een kleine letter geschreven, zo hoort dat immers in de progressistische middens. Het is echter niet eens nodig een majuskel te gebruiken, want de lezer weet allang dat het hier over de gehoofdletterde God gaat. En dan vooral die van de christenen, want Allah is in heel wat beperktere mate te bespeuren in “de geschiedenis van de mensheid”.

    Wie eveneens slechts sporadisch rondwaart in “de geschiedenis van de mensheid”,  zijn de mongoloïden (Chinezen, Eskimo's, Indianen) en de negroïden (Afrikanen), terwijl de australoïden (Aborigines) zelfs op minder dan één hand te tellen zijn. De Azteken en Maya’s, de Papoea’s, de Pygmeeën, de Eskimo’s, de Apaches en Cherokezen, de Hottentotten, de Pitjantjatjaras en Tiwis, het zit allemaal achter de coulissen die Dimitri heeft opgetrokken. De europide (= blanke) exemplaren van het Westen, de godverdomse christenhonden, dás ist gefundenes Fressen für den Doktor Caligari.

    En zo komt het dat Dimitri, gedreven door zijn concupiscentie, bepaalde gebeurtenissen van de geschiedenis zwaar overbelicht, terwijl heel wat andere aspecten (zo goed als) niet uit de verf komen. Stel je voor: aan de kruistochten, consequent “de mars der simpelen” genoemd, worden 11 pagina’s besteed, maar daar zitten dan ook lekkere brokken smeerlapperij in, vol bloed en rochels en andere excrementen, en kan Dimitri naar hartelust  “neukende nonnen” en “kamphoeren” als “Gods elitesletten” (hoofdletter wegens begin van zin) ten tonele voeren.

    Ook met de pest valt er wat leuks te doen, moet Dimitri gedacht hebben, en met die geschifte Romeinse keizers – hoe kierewieter, hoe bruikbaarder! – en met de ontdekkers van Amerika. En natuurlijk met de atoombom, dé apotheose van de menselijke cultuur.

     

    Het ezelsbruggeske

    Van verschillende kanten horen we dat Dimitri ontzettend goede research heeft gedaan. Ook Dimitri zelf vindt dat. In het Vara-televisieprogramma ‘De wereld draait door’ (10.10.08) verklaarde hij, niet zonder trots, dat hij er twee jaar over had gedaan en veel opzoekingswerk had verricht. En ja hoor, wij willen dat best geloven, maar…

    Maar er zitten toch nogal wat hiaten in, zoals ook hierboven al aangetoond. Dimitri’s bewering dat hij de hele Bijbel en de hele Koran heeft gelezen, willen we eveneens voor waar aannemen. Nog zekerder zijn we echter van het feit dat hij ook De waanzinnige veertiende eeuw (A Distant Mirror) van Barbara Tuchman méér dan grondig heeft geconsulteerd.

    Wat hij echter niet, of alleszins niet goed heeft gelezen, is zijn handboek ‘Vlakke Meetkunde’ en meer speciaal de stelling van Pythagoras. Je kent hem wel, die Oudgriek die al in de vijfde eeuw voor Christus bewees dat bij een rechthoekige driehoek de oppervlakte van het vierkant op de schuine zijde precies even groot is als de vierkanten op de twee andere zijden samen. In pedagogische kringen wordt die bewijsvoering ook wel het Ezelsbrugske genoemd, omdat algemeen wordt aangenomen dat iemand die in zijn schooltijd niet over dat brugje geraakt, geacht wordt een ezel te zijn. Helaas, driewerf helaas, Dimitri geraakt er niet overheen. Erger nog: uit zijn formulering blijkt dat hij niet eens weet dat een rechthoekige driehoek niet twéé maar slechts één schuine zijde heeft: “Gebeten door dit inzicht pakt ’t een meetlat en een gradenboog en kleedt een rechthoekige driehoek als het ware uit van kop tot teen, de ene zijde na de andere, het zijn er ook maar drie. () En moet je zien, ’t is nog geen vijf tellen aan het opmeten of ’t komt al tot de volgende wonderbaarlijke vaststelling: de som van het kwadraat van de schots en scheve zijden is toch wel gelijk zeker aan het kwadraat van de rechte zijde.” (p. 41)

    We moeten er wel rekening mee houden dat een dergelijke flater ook wel eens de bedoeling kan hebben de lezer bij de neus te nemen. Is het daarom misschien dat Dimitri de blunder nog eens nadrukkelijk herhaalt: “Nog eens herhalen? Dat de som van het kwadraat van de scheve zijden dus gelijk is aan het kwadraat van de rechte zijde.” Wil hij gewoon maar zeggen dat hij, als exemplaar van ‘t, toch ook maar een lijpkikker is?…

    Hoe dan ook, het blijft een flinke buis voor Dimitri Om hem toch wat te helpen drukken we op de volgende pagina het hele Ezelsbruggeske af uit "Vlakke Meetkunde" van Ant. Dalle en C. De Waele (1951), het handboek dat wij destijds gebruikten in de 3e Latijnse (nu 4e klas S.O.). En we geven hem de raad flink te blijven studeren en zijn lesjes goed te leren en niet te veel op café te gaan, dan komyt hij er wel. En misschien op de dag van het examen een kaarsje te branden voor Ons Lief Vrouwke, zoals mijn moeder destijds placht te doen, dat kan nooit kwaad.

    Frans Depeuter



    Geef hier uw reactie door
    Uw naam *
    Uw e-mail *
    URL
    Titel *
    Reactie *
      Persoonlijke gegevens onthouden?
    (* = verplicht!)
    Reacties op bericht (0)

    Archief per week
  • 06/04-12/04 2009

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Klik hier
    om dit blog bij uw favorieten te plaatsen!

    Links 1
  • Heibel literair tijdschrift
  • Heibel, het blad zonder blad (voor de mond)
  • Heibel en Brems
  • Heibel en Dimitri Verhulst
  • Heibel en Gerard Reve
  • Was Walschap een racist?
  • Depeuter en Stichting Lezen
  • Inhoud van de verschenen Heibelnummers
  • Heibel, het enige blad tegen het literaire estblishment
  • Nestorprijs van het tijdschrift Heibel

    Links 2
  • Bibliografie van Frans Depeuter
  • Toneel van Frans Depeuter
  • Poëzie van Frans Depeuter 1 (vadergedichten)
  • Poëzie van Frans Depeuter 2 (moedergedichten)
  • Poëzie van Frans Depeuter 3 (ouderhuis)
  • Kerstverhaal: Jeske
  • Liedjesteksten van Frans Depeuter
  • Depeuter en 'Boudewijn, le roi triste'


  • Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!