Naar de inhoud

Hylpen likje stea oen it Yselmor

mijn
Welkom in Hindeloopen. Welkom bij mijn digitaal boek
akke.beakke.be

mijn

Gedichten

Zie ook andere blogs in linker kolom

Ik wens u veel kijk- en leesplezier


Drie miljoenairs

Nieuw

Drie miljonairs

 

Drie rijken der aarde

Dineerden in een duur restaurant

De ene vroeg de ander

Hoe ben jij rijk geworden?

 

De kapitaal krachtigste zei

mijn eerste miljoen was geluk

de tweede en derde kwamen vanzelf

de rest heb ik niet kunnen keren

 

De tweede rijke op rij zei

Ik heb er niets voor hoeven doen

Mijn voorouders waren van adel

Zij haalden het geld bij hun onderdanen

 

De derde, minst rijke vertelde

Ik liet een anderen voor mij werken

Zij verdienden het geld

Maar ik streek het op

 

Een van de drie rijke heren zei

“Rijk worden is niet moeilijk”. “Het geld ligt zogezegd op straat”

“je hoeft het alleen maar op te rapen”

 

Een voorbij schietende ober

Zich uitslovende voor zijn klanten

Hoorde dit laatste gesprek en zei

Ja, het zal wel, maar zie ik dat nooit liggen

 

H.S. 26-12-2007

Zo maar een gedicht.

 

Reageer op dit bericht

De parel oen 't Yselmor

Nieuw

De parel oen ’t Yselmor

 

Hylpen un likje stea, rondom bekent

Eeuwen lieden al os stea erkent

‘t Ies de parel oen ‘t Yselmòr

Elk wet, ja dot steat os hus

de Hielper feelt um der thus

 

Mar ek for menig toerist

Ja ,ek dot ys wis

ies Hielpen de parel oen ’t Yselmòr

Je reisje fier fan hus

Ek je vele jem in Hielpen thus

 

’t Proat, dot hiert soms het nuver

toch ys dot wol suver

Der in die likje stea oen ’t Yselmor

Proatet men Hylpers in e hus

Mei die memme toal fielt men ‘m thus

 

Oen de haiven ys hielper en gast

mar al to graig to gast

Der sittend of ronend oen ’t Yselmor

feelt elk um tevree en thus

Nemen wol den wur nei hus

 

H.S. Februari 2006

 

Reageer op dit bericht

De toekomst

Nieuw

De toekomst is nog ver weg

Tijd staat de idealen in de weg

Ouder zijn is de wens

Dat geld voor menig mens

 

De toekomst verbleekt

Het verleden is weer in beeld

Terug kijken is dan de regel

Verhalen gaan over het verleden

 

Het verleden is langer dan de toekomst

Uit het verleden wordt verteld naar de toekomst

‘Toen’ en ‘vroeger’ staan dan centraal

Dat is voor vele mensen het levens verhaal

 

 

Reageer op dit bericht

De trein van Nijefurd

Nieuw

De trein

 

De trein van Nijefurd

Verbindt ons met de rest van het land

Zo hebben wij een band

O jee, o jee die trein van Frieslands platteland

Blijft die trein in stand?

Blijft die trein in stand?

 

Den Haag beslist voor ons

Geen trein meer want dat is te duur

Friesland zonder spoor en trein lijkt toch nergens op

O jee, o jee hoe moet dit met ons platteland

Zo zonder deze trein

Zo zonder deze trein

 

Van Stavoren naar Sneek

Dat wordt een gebed zonder eind

Want over de weg is Stavoren heel ver weg

O jee, o jee hoe moet dit met ons platteland

Zo zonder deze trein

Zo zonder deze trein

 

De leerling van de school

Die reist per trein dat gaat zo fijn

En ook de ouderen die blijven zo mobiel
O jee, o jee hoe moet dit met ons platteland

Zo zonder deze trein

Zo zonder deze trein

 

Wijze; It feintsje van Menaam

Bron: Ergens gevonden. Auteur onbekend.

Aanleiding: Actie tegen plannen om de spoorlijn Leeuwarden-Stavoren op te heffen

Circa 1983

 

Reageer op dit bericht

De Hielper haiven

Nieuw

De Hielper haiven

De Hielper haiven al ieuwen aald

Froeger de thushaiven fan menig fiskerman

’t Oast wied it centrum van deze fiskerswraald

Ja, menig Hylper wet er jitte alles fan

 

Mij het fiskjen wied naat meer genog te ferteinjen

De botters, jollen, en skouwen ferdwienden ut beeld

Er kom romte in de haiven om oere skippen te beteinjen

De luxe krusers en skerpe jachten kommen in beeld

 

Wied suterig en to oan underhaald

‘t Is in wolkom lisplak for menig toerist

Je lisse soms tree, vouwer of fiif tok

Oen de haiven gen lucht mer fan foske fisk

Mar de geur van welvaart en ’t graete jeld

 

Bron: ??

Datum: geschat circa 1980

 

Reageer op dit bericht

De babyboomers

Nieuw

De babyboomers

Na de oorlog was de vreugde groot

De vijand was weg, de vrijheid herboren

Na donkere jaren was er weer hoop

Men zag de toekomst weer gloren

 

Ook in de liefde weerspiegelde de hoop

Van slechte tijden wilde men niet horen

Er werd op een goede toekomst gehoopt

Ja, de babyboomers werden geboren

 

Er werd hard gewerkt, ’t land werd herbouwt

De babyboomers hielpen mee

’n Ouderdomsvoorziening werd opgebouwd

Ja, van de goede tijden profiteerde ieder mee

 

De ouders stram en uitgebouwd

Kregen pensioen, de welbekend AOW

Passende bewoning werd voor hun gebouwd

De babyboomers werkten daar aan mee

 

De jongeren kregen eigen baten

Ze kregen ‘n eigen studiefonds daarvoor

Ze waren vrij in hun doen en laten

De babyboomers zorgden mede daarvoor

 

Later ging het iets minder goed

Jongeren kwamen niet meer aan de bak

De VUT kwam uit de toverhoed

De babyboomers betaalden ook dat

 

Nu zijn de babyboomers zelf aan beurt

Om te genieten van wat is opgebouwd

Maar de regering zegt “die luxe is gebeurd”.

VUT en pre pensioen moet worden afgebouwd.

 

In deze maalstroom van de politiek zegt de jeugd.

Wij moeten het straks allemaal gaan betalen.

De babyboomers deden alles voor eigen deugd.

Zo gaan ze de jongeren kielhalen.

 

Helaas wordt voorbij gegaan aan later.

Eens wordt ook de jeugd ‘t werken moe.

Op wie moeten zij zich dan verhalen.

Als de oude solidariteit wordt verlaten.

 

H.S.   28-10-2004

Reageer op dit bericht

Herinnering

Nieuw

Herinnering

 

Tichtby ús likje stea Hylpen

Wied frûger in moai green stikjen laand

Dot stikjen laand heette de (Stads) Weide

Rondom deze Weide fan ús likje stea

de Yndyk, de Greft en de Hellingsfaart

 

Yn dit stikjen moai green laand

Swart bonte koe, skeep en in hingst

Yn ’t wetter, in ênd, morkels en in herringslynder

Yn de Yndyk in tichtsòt mei foeken

Wuryn de fiskerman tokke elen fangt

 

Op de punt by de ‘Greft’ ‘t ‘Swarte hok’

In winterstalling fôr in boat

Midden op ‘t laand in oaiefaersnest

op in haiche hoaltene pael

Rondom ‘t nest in stek om ‘t fea te keren

 

Op ‘t nest op die haiche pael

In mannetjen en wiefjen oaiefaer

Jê besòrgje so os wod fertòlt

Op bestel, mar ek faik by ferrassing

likje born yn Hylpen en omstreaken

 

Ja, dot wied ‘t beald fan de Weide

Yn de jieren fan myn jeugd

No ys der in prachtich moie niebouwyk,

mei moie huzen en streten yn Hylper steil

Toch, yk ken ’t wier naat helpe

Mar dot beald, út myn jeugd, dot bliuwt my by

 

H.Smid

September 2011 Ter gelegenheid van opening nieuwe wijk “Stadsweide-Weidestraat”

 

 

 

Reageer op dit bericht

Het is weer kerst

 

Kerst

Ik droom van de zomer en warme dagen.
Als ik wakker merk ik, 't is geen zomer meer.
Nee, het is koud, het vriest, het is winterweer.
Terwijl ik lig te denken welke maand we zijn
en geniet van mijn elektrisch verwarmd bed.
hoor ik buiten, een muziekcouplet.
Eerst is het nog heel zacht en ver weg
Maar dan komt het dichtbij, in mijn straat
en hoor ik waar het werkelijk om gaat
Het is het plaatselijke muziekkorps
Zij spelen " Stille Nacht Heilige Nacht"
Ja nu weet ik het zeker, het is geen zomernacht

                    Het is weer kerst.

H.S.  1994

Reageer op dit bericht

Het gemis


129243-d1b0973266aed9255c8de6f4d8d427c6.gifIemand die er niet is.    129243-ae867ee94d501187f6abe89771e80ac4.gif
                   
Kerst, ja dat vieren we allemaal
Een ieder op zijn eigen manier
De ene luistert naar ‘t kerstverhaal
Een ander gaat uit of maakt plezier
Maar soms is er het gemis
Van een dierbare die er niet meer is
Dan staat i
n de kamer een lege stoel
Ja, dat geeft een leeg gevoel

Toch wil ik voor hen hopen en wensen
Dat de kerstdagen en ‘t nieuwe jaar
Ook deze mensen iets goeds mag brengen
Zo dat ook zei kunnen zeggen 
       “gelukkig nieuw jaar”

          
                             
               Henk Smid


Reageer op dit bericht

De donkere dagen voor kerst

 

De donker dagen.

De dagen zijn kort, de nachten zijn lang
Maar ‘t deert ons niet, w
e versieren ons huis
Kappen een boom, en
ontsteken een kaars
We brengen licht in de nacht, w
e zingen het hoogste lied
Over Jezus zijn geboorte, o
f over vrede en licht
We spreken over liefde, en
zeggen "open uw hart"
We denken aan een ander, e
n staan stil bij smart
Kinderen verkopen een kaars, v
oor zending in een ander land

Ja, in deze dagen van december                  
Komt het goede in de mens boven

Ook wij wensen u:

Prettige kerstdagen
en een gelukkig nieuwjaar

Henk Smid

129340-8f764f2146628a4ff35b95f73b10171a.gif                                                         

Reageer op dit bericht

Vrede komt uit het hart

Vrede komt uit’ t hart

Kerst, het feest van het licht
Kerst, het feest van de vrede
Kerst, het feest van ‘t kind Jezus
We vieren het allemaal en zingen
Stille nacht, Heilige nacht.
Maar, de echte vrede komt uit je hart
Dan pas schijnt het echte licht
Ja, dan pas kunnen we zingen, allemaal
Stille nacht, Heilige nacht.

Henk Smid

Reageer op dit bericht

Een eenzame vrouw en kerst

EEN EENZAME VROUW EN KERST

Er slentert een vrouw alleen over straat
Ze kijkt naar de feestelijke verlichting
Er slentert een vrouw alleen over straat
Ze kijkt naar de huislijke inrichting
Er slentert een vrouw alleen over straat
Ze ziet de mensen zitten rond de kerstboom
Er slentert een vrouw alleen over straat
Ze ziet de mensen koffie drinken met room

Voor deze eenzame vrouw alleen op straat
Geen feestelijke verlichting of een kerstboom
Voor deze eenzame vrouw alleen op straat
Geen gezellig huis of koffie met witte room
Voor deze eenzame vrouw alleen op straat
Geen warmte van een hoog rendement CV
Voor deze eenzame vrouw alleen op straat
Geen muziek of amusement van de TV

De eenzame vrouw op de koude kille straat
Komt niet uit ons Nederland
De eenzame vrouw op de koude kille straat
Is van een ander ras en dus niet blank
De eenzame vrouw op de koude kille straat
Komt uit van een heel ver en warm oord
De eenzame vrouw op de koude kille straat
Komt uit een land waar de vrede werd verstoord

De eenzame vrouw op de koude kille straat
Mag niet blijven in Nederland
De eenzame vrouw op de koude kille straat
Moet van ’t Regeer terug naar eigen land
De eenzame vrouw op de koude kille straat
Huilt stil van angst, pijn en verdriet
De eenzame vrouw op de koude kille straat
Wil niet terug naar ’t land dat ze verliet

De huilende vrouw op de koude kille straat
Zoekt slechts vrede en doet graag goed
De huilende vrouw op de koude kille straat
Weet niet meer waar ze ’t zoeken moet
De huilende vrouw op de koude kille straat
Weet, in haar geboorteland wacht de dood
De huilende vrouw op de koude kille straat
Weet, in Nederland eet ze slechts genade brood

Deze ongewenste vrouw op de koude kille straat
Weet, ik ben niet welkom in geen enkel land
Deze ongewenste vrouw op de koude kille straat
Neemt afscheid van geboorteland en van Nederland
Deze ongewenste vrouw op de koude kille straat
Is koud, verdrietig en ten einde raad
Deze ongewenste vrouw op de koude kille straat
Besluit op deze kerstavond tot een wanhopige daad

Henk.Smid. 25-12-2003

Iemand leren kennen is een eerste eenstap naar  beter begrijpen.
                               Koningin Beatrix

Reageer op dit bericht

Over de oude westertoren

Gedicht over de oude toren van Hindeloopen:

 

Onze oude toren

 

Jij toren van onze oude stad

Symbool van glorietijd

Fier steekt je ijle spits omhoog

Berustend in zijn tijd

 

De stormen hebben je dikwijls

Doen schudden, heen en weer

Al hang je scheef, je fundament

Was ’t behoud voor deze keer

 

Als trouwe wachter willen wij

Je houden voor altijd

We luisteren zo graag naar jou stem

De stem van waalzaamheid

 

Bij vreugde of droevenis

Doe je steeds je trouwe plicht

je klanken zij vertellen ons

een droef of blij bericht

 

Blijf waakzaam, oude trouwe vriend

bewaak ons dag en nacht

wil steeds de zelfde voor ons zijn

ook voor ons nageslacht

 

Een laatste wens van mij aan jou

‘verlaat ons nimmer meer’

want zonder jou is onze stad

geen Hindeloopen meer

 

Dit gedicht stond in een bijlage van de Balkster Courant van 18-12-2008.Betreffende bijlage gaat over de jaren zestig van de vorige eeuw. Of het gedicht ook in die tijd is gescherven is niet vermeld. Ook de auteur staat niet vermeld.

 

Reageer op dit bericht

Een klacht van oude vrouw

224064-829e9cc2d7056aa7e8c7cb57ea81b0b4.jpg 

Een klacht van een oude weduwe in de harde winter van het jaar 1838.

Ik ben enige jaren weduwe geweest,
Ik ben bijna tachtig jaar,
Maar het leven verveelt me haast,
Want het wordt een wondere wereld.
De oude dracht gaat helemaal weg;
Ja, sommigen dragen ‘t nog;
Ik denk zo vaak wel bij mijzelf
"Waar moet dat heen, O heen

Ik hoorde onlangs alweer wat nieuws
Van het ijsvermaak op zee.
De vrouwen met de schaatsen aan,
Die reden op Kofmans reede,
En Reinder Duif die goede man,
Had daar een tent staan
Daar dronken velen een kopje thee,
En keken de baan langs
Hem heugt nog, hoe we in wintertijd,
Hier prikten op het ijs

Die nacht, toen sliep ik stil in 't bed,
Kwaad dromend tegen de morgen;
Maar ik wachtte tot de zon opkwam;
Toen kleedde ik mij aan.
Maar kort daarna riep Saling Jans
Van prikken op de baan
Door vrijsters boven vijftien jaar
En op zijn Hindeloopers gekleed.
Toen schreeuwde ik het uit: "Dat moet ik zien;
Dat is nog naar de oude trant
En van het echte soort".

Toen het tijd werd deed ik de schort (rok) over het hoofd,
En ik liep naar de Oosterdijk.
Daar zag toen de vrijsters staan:
Wat hadden ze een bekijks

Ik vroeg toen het prikbestuur:
“Wie zijn dat allemaal?”
“Mijn oudje”, zei een “daar heb je een lijst”.
Toen was ik ineens klaar.
De bril zette ik op de neus,
Ik ging zitten op een steen,
en keek het papiertje door;
Daar stonden één voor één
Twee mietjes, Bietjes en Janneke
Hok, Klaske, Tjerke, Hid, Jentk
Liebe, Trien en Janke, Teade,
En seitje van Anske Smit

Toen ging ik bij de palen staan,
En het duurde niet lang,
Of ik hoorde daar de trom slaan.
En 't spel ging aan de gang.

In ’t eerst ging het niet best van streek,
Ze hielden ’t niet in ’t roer,
Jentk prikte eerst gewend, Hid over de ijsbaan,
En Libbe in een scheur;
Sietje rolde van de slede af,
En mietje op Texel aan
Maar bietje nam het trager op
Kom ik er vandaag niet, dan kom ik morgen.

De anderen deden het meer bedaard,
En prikten niet zo fel
Als Janke: zij deed goed haar best,
Want het lijf sprong op en neer
Wat juichten ze toen om die grap,
Elk lachte toen zijn best?
En ik, hoe oud, ik hield het lijf.
Met beide handen vast

Op t laatst toen leerden ze wat aan
En gleden recht langs 't ijs,
Maar Liebe en Janke konden het hardst
En wonnen elk een prijs

- dr A. Buma-

Reageer op dit bericht

Klein vogelijn op groen tak

Klein Vogellijn

Klein vogellijn op groene tak
Wat zingt gij een lustig lied
We hebben in ons hele boek
Zo'on vrolijk wijsje niet
O zeg, 0 zeg ons aardig beest
Wie toch uw meester is geweest
O zeg, 0 zeg ons aardig beest
Wie toch uw meester is geweest

Zo zuiver zingt gij en zo hoog
Zo keurig in de maat
En het hart dat klopt bij ons vreugd
Wanneer uw keeltje gaat
O,zeg, o zeg ons aardig beest
Wie toch uw meester is geweest
O,zeg, 0 zeg ons aardig beest
Wie toch uw meester is geweest

Voor zekerd is de goede god
Die 't u heeft toebetrouwd
Op dat gij aan der blinden hoor
Zijn goedheid melden zoud
O, ja wij weten aardig beest
Dat god uw meester is geweest
O, ja wij weten aardig beest
Dat god uw meester is geweest


Ik heb deze tekst uit overlevering.
Dus ben ik niet 100% zeker of deze klopt of volledig is.
Eventuele aanvullingen of verbeteringen hoor ik graag.

Henk Smid
Reageer op dit bericht

Oorlog in Joegoslavie


Oorlog in Joegoslavië

Ik zag de mensen, elkaar verwensen
O 't was een wonder
't Was een wonder, heel bijzonder
hoe die mensen verwensen konden
O wat erg, 0 wat erg,
Ik stond er bij en ik deed maar niets
Ik zag twee vrouwen, met bussen sjouwen
O 't was een wonder
't Was bijzonder, heel bijzonder
hoe die vrouwen schooien konden
O wat erg, o wat erg,
ik gaf wat geld, en ik deed weer niets
Ik zag de mensen, oorlog wensen
o 't was een wonder
't Was bijzonder , heel bijzonder
Hoe die mensen moorden konden
o wat erg, o wat erg,
ik stond er bij, en ik deed weer niets
Maar wij leerden, geld gireren
0 't was een wonder
't was bijzonder, heel bijzonder
hoeveel wij gireren konden
o wat erg, o wat erg,
ik stond er bij, en ik deed weer niets
Ik zag de mannen, vrouwen ramen
't was een wonder
't Was bijzonder, heel bijzonder
hoe die mannen verkrachten konden
wat erg.,o wat erg,
ik stond er bij, en ik deed weer niets
Maar VN soldaten, gingen praten
't was een wonder
't was bijzonder, heel bijzonder
hoe die mannen praten konden
O wat fijn, 0 wat fijn,
ik stond er bij, maar ook dat hielp niet
Ik heb geen woorden, voor dit moorden
O 't is bij zonder
dat wij mensen , hier geen grenzen
aan die vechters stellen konden
0 wat spijt, 0 wat spijt,
ik hielp zo graag, maar ook ik deed niets

Dit gedicht/liedje schreef ik tijdens de oorlog(en) in het voormaligeJoegoslavië. Maar het past natuurlijk bij iedere oorlog.

Wijze: Ik zag twee beren broodje smeren

Henk Smid

Reageer op dit bericht

4 mei

4 Mei

Zij verlieten huis en haard
Lieten familie achter in verdriet
Zij kwamen van overzee
Wij kenden ze niet

In de nacht moesten ze hun missie klaren
Motoren in de donkere nacht
Vertelden dat zij waren
Bezig met een gevaarlijke opdracht

Velen kwamen nimmer meer thuis
En zullen nimmer onze vrijheid beleven
Zij rusten nu ver van huis
Zij betaalden met hun leven

Gebeiteld in een witte steen
staat nu slechts een datum en ‘n naam
Of een simpel kruis alleen
Voor hen die stierven zonder naam

Een stille tocht en bloemen op witte graven.
Voor hen die voor onze vrijheid streden
Voor hen die ons de vrijheid gaven.
Voor hen die we nooit mogen vergeten

H.S. Mei 2004

De kleinste daad van vriendelijkheid is
meer
waard dan het grootste voornemen.
Auteur onbekend.

Reageer op dit bericht

Het Foekelied

                                  

Het Foeke lied

Protestlied tegen dreigende sluiting van het gemeensschap centrum ‘De Foeke’
wijze ;in Holland staat een huis

In Hielpen staat een huis,
In Hielpen staat een huis ja ja
Van je hela hola hop sa sa,
In Hielpen staat een huis! [bis]

De Foeke heet dat huis!
De Foeke heet dat huis ja ja,
Van je hela hola hop sa sa,
De Foeke heet dat buis! [bis]

Wij houden van dit huis,
Wij houden van dit huis ja ja,
Van je hela hola hop sa sa,
Wij houden van dit huis![bis]

Maar aan dat huis daar knaagt een muis,
Maar aan dat huis daar knaagt een muis ja ja,
Van je hela hola Horeca!,
Aan dat huis daar knaagt een muis! [bis]

Een hele "slimme" muis,
Een hele "slimme" muis ja ja.
Van je hela hola Horeca!
Een hele "slimme" muis! [bis]

Vier neefjes heeft die muis,
Vier neefjes heeft die muis ja ja,
Van je hela hola horeca!
Vier neefjes heeft die muis! [bis]

Zij knagen aan ons huis,
Zij knagen aan ons huis ja ja,
Van je hela hola Horeca,
Zij knagen aan ons huis!bis]

Wij vragen Uw "Raad en daad"
Wij vragen Uw "Raad en daad" ja ja,
Van je hela hola hop sa sa,
Wij vragen "Raad en daad"! (bis)

Neem nu een kloek besluit,
Dan jagen wij de muis eruit ja ja,
Van je hela hola hop sa sa,
Dan jagen wij die muis eruit ! (bis)

Slot: Hoog is de zolder, laag is de vloer,
en als uw raad ons nu niet helpt gaat de Foeke naar zijn moer (3X)

Reageer op dit bericht

Oorlog en Vrede

Oorlog

Bommenwerpers vliegen hoog in de lucht
Op aarde hoor ik gekreun en gezucht
Kanonnen verstoren de stilte in de nacht
Men hoort niemand die nog zingt of lacht
Tanks ratelen door straten van de stad
Mensen verstoppen zich in ‘n kuil of ‘n gat
Vrouwen en kinderen slaan bang op de vlucht
Allen kijken angstig naar de donkere lucht
Ja, dit lijken beelden uit een verleden
Maar helaas, voor velen is dit heden
Toch wil ik blijven hopen en streven
Dat ook anderen in vrede mogen leven

Vrede.

Vrede op aarde, vrede op aard.
Dat is heel veel waard.
Deze wens leeft in menig hart.
Toch gaat oorlog, leed en smart,
nog steeds hand in hand,
en het teistert menig land.
Dus aan allen die ‘t wil horen,
gooi weg dat zwaard.
Want vrede op aard,
is echt de moeite waard.

H.S. 2002
Reageer op dit bericht

Familie


Familie

Je familie kun je niet kiezen,
maar je kun ze ook niet verliezen.
Ja, familie heb je, die is er gewoon,
want familie zit in je chromosoom.
Het gaat te boven ons aller verstand,
maar familie hebben geeft een band.
Ja, soms lijkt ’t vreemd of iets raars,
maar je roots delen geeft iets extra’s.
Helaas, soms is er plotseling onvrede of twist,
en dan verdwijnt de bloedband in de mist.
De onvrede staat dan vaak centraal,
En is afstand en zwijgen het verhaal.
Maar komt er verdriet, rouw of pijn,
dan willen we er weer voor elkaar zijn.
Ja, dan spreekt de band van ’t bloed,
en is ‘t hebben van familie weer goed.
Een uitgestoken hand wordt dan begrepen,
en spreekt weer ‘t gezamenlijk verleden.
‘t Negatieve smelt dan als sneeuw voor de zon
en is de bloedband weer waar die ooit begon
Durf vast te houden die uitgestoken hand,
en koester het begrip van de familieband.
Ja heus, je zult ‘t het merken keer op keer,
het geeft een leven iets moois en zoveel meer.

H.S.


Reageer op dit bericht

Voetballen voor het rode kruis


Voetballen voor het Rode Kruis



Op foto Vlnr: Ds H de Wolf, Reitje Stallmann, Age Meines, Hinne Mulder, Feike Sjoerds, Siep Smid, 2de rij: Iege Amsterdam, Hendrik Valk, Sake Eekma, Jacob Valk, Klaas Mulder, Meine Alberts.
Eind vijftiger jaren (van de 20ste eeuw) voetbalde een groep Hindelooper vetranen tegen Koudum om geld in te zamelen voor het rode kruis. Politie Alberts schreef hierover het volgende gedicht:

In lang vervlogen tijden
'k Wèet niet meer in welk jaar
Kwamen mannen eens tesamen
Als vroede vaadren bij elkaar.
Want bij een dokter Meijer
Bekend in stad en veld
Was toen het idee geboren
't Rode Kruis te helpen aan wat geld.
Om aan die poen te komen
Werd aan voetballen gedacht
En verduld na enig zoeken
Voor 't voetlicht deze elf gebracht.
U ziet ze hier dus op de foto
Misschien herkent U ze meteen
Wel zijn ze ouder wat geworden
Gelukkig mist er nog niet één.
Een Hendrik Valk en broerje Jacob
Reitje Stallmaun en ook Smid
Die staat heel aardig op de foto
Net als in dienst, dus in't gelid.
En dan is er een Hendrik Mulder
Feike Sjoerds en Mulder Klaas
Ige Amsterdam kijkt naar beneden
Beziet het nog als in een waas.
Dan komt Alberts en De Wolf
En Age Meines en ook Sake
De laatste riep steeds op het veld
'De Wolf dat ken je toch niet make.'
De Wolf een hele beste kerel
Die had heel grote schoenen aan
Inplaats ze te binden met wat veters
Had hij er een touwtje in gedaan.
En tijdens de wedstrijd beste vrienden
(Wij waren reeds daarvoor bevreesd)
Schopte hij met heel veel kracht
De grote schoen toen van zijn leest.
En toen de schoen verdwenen was
Zat Wolf dus met de linker
En ondanks deze handicap
Voetbalde hij steeds flinker.
Hoe de uitslag van dit treffen was
(gespeeld werd tegen Koudum)
Weet ik niet meer, het ging om 't geld
Dat 't Rode Kruis mocht houden.
Saamhorigheid voor deze zaak
Bracht ons op 't sportveld hier
En de herinnering aan die tijd
Was één met veel plezier.

Reageer op dit bericht

Mijn afkomst


Geschreven ter gelegeheid van een familie reunie

De familie Smid

Ja, wij allen komen en gaan
Wat overblijft is een herinnering
Ja, soms slechts alleen de naam
Die men bij de geboorte ontving
En in de archieven is blijven staan
Zo ook Jelle Limmes, onze stamvader
Slechts enkel zijn naam is ons bekend
Hij gaf slechts zijn genen door voor later
Maar wie hij was is ons onbekend
Door Napolion de Boneparte zijn bevelen
Kozen zijn zonen de familienaam Smid
En door geboorte of huwelijk werden velen
Van deze uitgebreide familie lid
Jelle Smid en Sjoerdje van Dijk
Ja, die zijn voor ons meer dan een naam
Daarom komen wij, ja dat is een feit
Als kinds kinderen steeds weer saam
En al heten we niet allen meer Smid
Door onze afkomst zijn we verbonden
Als een kleurig familielint
Het is nog steeds de naam Smid
Die ons aan elkaar bindt

H.S. 2004.

Reageer op dit bericht

Sûnder wurk

Een gedicht in het Fries

In frou sûnder wurk

Durk krige fan syn baas ûntslag,
dat wie fansels in hurd gelach.
Oar wurk, in nije baan? Och kom,
der rinne al sa folle om
en hy wie al goed fyftig jier
dan bin de kânsen lyts net wier.
Hy koe ek nearne mei te set
want hobby’s nee, dy hie hy net
Skrutel holp hy soms syn frou
en wosk de kofjetafel ôf.
Mar ja krige foar it ferstân
dit rûn alhiel ut de hân.
Hy makket no de bêden op
set dan de keamer op ‘e kop
stof-sugje docht er eltse dei
beruorret de iten-sierderij.
De frou alhiel no út har dwaan,
wit har gjin hâlding mear te jaan
en seit nytlich: “nee net Durk
mar ik, ja ik bin sûnder wurk”.

Van: A. Bergsma

Reageer op dit bericht

Het kind

Het kind

De wereld siddert in angstig beven
En vreest reeds huiverend het uur,
Waarin straks op een stenen muur
Namen van slachtoffers staan geschreven.

Al is er angst voor het oorlogsvuur.
Toch roept bij ieder mens het hunkerend leven
Dus geniet! Het is maar kort van duur.
Want de morgen zal slechts lijden geven.

Toen de nacht verdween was ‘t koud en kil
Niets kon de toekomst nu meer vervagen
Ja, de mens werd van doodsangst stil
Hoe kon de mens zich tot zoiets verlagen?

Toen vroeg een kind, dat wakker schrok;
“zeg moeder is er dan niemand om te vragen
o
f hij de oorlog keren wil?”

Variatie op gedicht van Tj. Hoogstens 1994

Reageer op dit bericht

Een zandkorrel

Zandkorrel

Een zandkorrel, minuscuul klein,
in een onmetelijke grote woestijn.
Niemand die dit kleinnood ziet
of heeft bemerkt waarop hij liep.

                   Maar

Een zandkorrel klein en kaal
op een glimmend gouden schaal.
Is gelijk ‘n schitterende diamant
en heeft niets meer van een korrel zand

H.S. 1998

Reageer op dit bericht

Herfst in Hindeloopen


Herfst in Hindeloopen

De dijk en de stranden zijn leeg en stil
Niemand die meer zwemmen of zonnen wil
De bladeren aan de bomen zijn dof
Ze vallen op straat, in het aardse stof
De wind waait over water en land
Hij komt van de zuid-west kant
De lucht is grijs en grauw
De zon maakt plaats voor de kou
De vogels vliegen zonder commandant
Ze vertrekken naar een warmer land
Ja, de zomer is voorbij, de winter is nabij

H.S. 1994

Reageer op dit bericht

De ijsclub

Toelichting: Hielke Zweed was voorzitter van de ijsclub In Hindeloopen. Maar onder zijn bezielende leiding was er nogal wat oneinigheid. Maar ja, Hielke uit het bestuur zetten kwam te hard aan. Wel werd Hielke gedegradeerd tot baan commisaris. Maar helaas dat gaf ook nogal wat rumoer. Onderstaand gedicht in Friso is daar een kleine greep uit.
Foto is geknipt uit een schilderij van P.vd Brug.



IJsclub

Als een stuurloos schip, met onverstand bevaren,
Drijft Hielpens ijsclub op de baren.
De kas is leeg, de leden weg,
Wij hebben hier ook altijd pech.
De kruik kan lang te water gaan,
Maar als ie breekt, dan heeft de ijsclub afgedaan.

Van: Hielke Zweed.
Uit: Jubileumboek ijsclub
.

Reageer op dit bericht

Een gedicht aller tijden



Foto:Het badpaviljoen circa 1914


Een gedicht dat aan geeft dat de mens vaak bang is voor nieuwe ontwikkelingen.



DAAR WAAR DE KLOKKE
BLEEF STILLE STAAN

O, rustig stadje Hindeloopen,
Ik wens en wil het voor U hopen
Dat het U beter zal vergaan
Dan toen uw klok bleef stille staan.
Ik las zoo juist hier een bericht
Een strandbad wordt bij u opgericht
Hoe zal 't nu met uw rust vergaan?
Daar waar de klokke bleef stille staan
Hoe heerlijk was het daar te meren,
Zooals wij deden zoo veel keren,
Uw rust deed steeds weldadig aan,
Daar waar uw klokke bleef stille staan.
Twee vissertjes belaân met buit,
Liepen ook binnen met hun schuit,
De stadsomroep begon te slaan,
Al had de klok hier stilgestaan.
'k Zag Petrus op uw visafslag,
of wat het nu dan zijn wel mag,
Stille getuigen van 't vergaan,
Waarmee dus ook de klok bleef staan!
Een huisje met een tien er op
Al stond die dan op de kop,
Een brugje,waar geen koe mag gaan,
Een toren, waar de klok bleef staan.
De schilderkunst van Arend Roosje,
op tafel stoel en menig doosje,
Door hem na eeuwen nog gedaan,
Al was de klok toen blijven staan.
Waar nog de stads fanfara klinkt,
De zonne in zee verzinkt,
Zoals het eeuwen is gegaan,
Daar waar de klokke bleef stille staan.
O, rustig stadje Hindeloopen,
Van nu af aan gaat uw klokke lopen,
Een klok die mogelijk zelfs gaat slaan,
al heeft hij jaren stil gestaan.
Al had de klok hier stilgestaan.
Wij wensen en willen hopen
Dat als wij straks weer binnen lopen,
Het met uw rust niet is gedaan,
Uw toren en de welvaarts klok,
Er nimmer stille zal staan.

Bron: Dit gedicht vond Marijke Griek, toen haar moeder Sietske Amsterdam-Bakker overleden was, bij het opruimen van het huis. Het gedicht was ondertekend door ‘JANMAR’.Tevens stond er in een ander handschrift onder dat het overge­schreven was van oude Ham, 90 Jaar. Ik op mijn beurt kreeg dit gedicht weer van Marijke Griek.

N.B. 1. Het badpaviljoen werd in 1912 gebouwd. Uit andere verhalen heb ik begrepen dat men toen verwachtte dat er door deze bouw een soort Scheveningen bij Hindeloopen zou ontstaan. Het kwam echter nooit tot grote bloei.

N.B. 2. Ik kreeg dit gedicht in 1996. Net werden er toen grote plannen ontwikkeld om de recreatie daar nieuw leven in te blazen. En net als toen waren er ook nu mensen die de rust van Hindeloopen zagen verdwijnen. Maar ook in 1996 waren er mensen die het positief zagen.

                                     *****
De wereld verandert maar de geschiedenis, zij het in andere vorm, herhaalt zich.
Zo is het eeuwen lang gegaan, en zo zal het nog eeuwen lang doorgaan.
                                     *****
Henk Smid

Reageer op dit bericht

Wat dien is hâld syn lean

Wat dien is hâld syn lean.

Oeren, dagen, moanen, jieren
skow ’as skaden oan en wei,
deun by hûs of fier om fieren
neat op ierd dat bliuwe mei.
Op ’t paad dêr ’t w’ ûs befine
Bliuwt gjin inkele fuotprint stean,
Al it hjoed wurdt straks ferline,
Mar wat dien is hâld syn lean.

Bron: Overgenomen
Auteur onbekend

Reageer op dit bericht

Ode aan de Pruim

Ode aan de pruim

In een land, heel ver land
stond jij op een plantage
en was de kweker zijn gage
Uit de oost verzonden naar hier
werd je blad gedroogd en versneden
voor menselijk genot en plezier

H.S. 1992

Reageer op dit bericht

It blauwe hok

Op foto van links naar rechts: Siep Smid, Frederik Amsterdam, Sierd de Boer, Sietske Amsterdam-Bakker, Rommie Wybrands-Bosma, Pietje Bosma-de Boer, Anton de Bruin, ???, Hennie de Bruin, rest ???

It blauwe hok

De ene sommer ies droeg
un oaren kaald en weet.
Mar die fan 1995
wead waarm en heet.
Futloos deeng elken één sien work,
of seet lusteloos ien it skat.
Mar os de sonne stoong ien ‘t West
so roent een oere of acht
kôôm Hielpen op pe proppen
want den wéé de warmte west.
De toast wéé den it doël.
Ja, mennig één wéé feste klant,
Ien de iend sonne uut de wiend,
bie de reddingsloods op pe bank.
De ène kóóm fóór de geselligheid
of fóór un sigaretjen of un praetjen.
Un oaren één seet stol to herkjen,
of op pe ondergaende sonne to waetjen.
As iek de Hielpers der so sitten soong
toat iek elke keer steafest,
der ien Hiepen ies ut libben go.
Ja der ies ut libben poerbest.

Henk Smid

Reageer op dit bericht

Een boze droom

Een boze droom

In mijn dromen zie ik u nog gaan
of mokkend voor de klas staan
Knoopje los, knoopje vast en weer los
Ja zeker dan was iemand de klos

Over u zijn er bij mij helaas vele vragen
die ik altijd met me heb meegedragen
En al zal niemand mij 't antwoord vertellen
toch wil ik ze hier eenmaal stellen

Waarom was u mij slecht gezind
Waarom kreeg ik geen hulp als kind
Waarom was er niet de aandacht
die ik van u had verwacht

Ja 'k weet, ik was niet schrander
En intelligenter was steeds die ander
Maar ik had u toch niet iets misdaan
Waarom liet u mij alleen staan

U als meester had toch moeten weten
Dat u niet met twee maten mocht meten
en dat een kind aandacht nodig heeft
voor het verrijken van zijn geest

Maar nu bedenk ik, ondanks dit gemok
'k Koester jegens u geen haat of wrok
want al ging u vaak over de grens
ook u was maar gewoon een mens

H.S. 1995

Reageer op dit bericht

Heimwee

Geschreven ter gelegenheid van een reunie van oud Hindeloopers.

Heimwee

Jimme geengen ut Hylpen wei.
Mar iik tink; ja, yk wet ut wol seker, 
jimme sên ut nei de dei,
Ja, soms tolle jimme de dêgen, 
dot jimme wur ronne oer de Niiste 
of oer één fan de Hylper brêgen. 
Jimme hert ys pas wur ge'rust.
os jimme binne yn Hylpen dot likje plakjen. 
Ja, dot ys fôr jimme un must.
Son dei yn Hylpen ys fôr de aalde 'kunde,
en fôr Hylpen, jimme likje stea. 
En yk tynk; nee, ek dot wet yk 'seaker, 
den kloppet jimme hert te'frea, 
Want den binne jimme wur thús.

H.S. 1994

 

Reageer op dit bericht

Een zaadje en een eitje

Het zaadje en het eitje

Een heel piepklein eitje

en 'n zaadje nog minder groot
versmelten tezamen tot één
in de warme moederschoot.

Steeds word het iets groter
maar blijft nog buiten zicht.

Langzaam groeit het uit tot
'n jongen of een klein wicht.

Na negen maanden wachten
opent zich de moederschoot
en word een nieuw mens geboren.

En dan is de vreugde groot.

H.S. 1991

Reageer op dit bericht

De vuurtoren




De vuurtoren


In al je eenvoud en zonder trots
sta je al vele jaren op één been
te midden van het water geklots.

In jou woelige en lange bestaan
heb je reeds vele stormen doorstaan.

Trouw houd je dag en nacht de wacht
en brengt licht in de donkere nacht.

Altijd ben jij daar op je post
en wordt door niemand afgelost.

Eenzaam is jou eenvoudig bestaan,
alleen schepen zie je komen en gaan.

Maar bij donker en harde wind
word je vaak geroemd en bemind.

Dan sta je in hoog aanzien
en zijn velen blij jou te zien.

H.S. 1990

Reageer op dit bericht

Magere Hein


Magere Hein

De ene dag is vol vertier en plezier
Dan voelen we ons sterk en fier
Een andere keer zijn we ziek en zwak
Dan hebben we aan de hele wereld lak
Soms is er ook pijn of verdriet
Dan klinkt er een minder fleurig lied
Ook zit het in het leven wel eens niet mee
Dan roepen we allemaal ach en wee
Maar als komt de man met de zeis
Dan weten we allemaal:
Dit is de laatste reis

H.S. 1990

Reageer op dit bericht

Het levensfeest

Het levensfeest

Als kind is het leven een groot feest
Het is mooi en lijkt eindeloos lang
Je merkt geen verschil tussen stand of rang
Een ieder lijkt het zelfde en is je gelijk
Je merkt geen verschil tussen arm of rijk

Later merk je, het is niet altijd feest
Je merkt het leven is niet eindeloos lang
De één moet meer leed dan de ander verdragen
Een ander veel geld kan vergaren
Je ontdekt, niet een ieder is gelijk

Als je nog ouder word zie je weer het feest
Je weet rang of stand is maar uiterlijke schijn
En geld brengt vaak veel zorg en pijn
Ja, het ware echte en mooie levensfeest,

zit in je zelf, in je eigen geest

H.S. 1992

Reageer op dit bericht

Herinering aan school


Naar school

 

Denkend aan de tijd van weleer

zie’k me in gedachten weer

Op klompjes lopen heel parmant

moeder stevig bij de hand

De kinderen roepen piek, piek,piek *

maar dat deert me niet

Het lijkt niet voor mij bestemd

want ik ben een grote vent

 

Eerst de letters tekenen

en dan leren rekenen

Daarna komt de taal

en af en toe een verhaal

Wat juf zegt weegt zwaar

want wat zei zegt is waar

 

Langzaam gaat de tijd voorbij

De school is niets meer voor mij

Ik wil liever buiten spelen

en iets spannends beleven

Of met vader naar de koeien

want juf kan me niet meer boeien

  

De school wordt een straf

Ik wil er liever af

want meester vindt me dom

en ik vindt meester stom

Ik laat het duidelijk merken

laat mij maar bij vader werken

 

Een nieuwe meester voor de klas

dat komt mij goed van pas

Zijn aandacht doet mij goed

Ik doe weer wat moet

en voel me weer volwaardig

Schoolgaan vind ik weer aardig

 

Na zeven en half jaar

ga ik van school, ja waar

Ik ben blij en verheugt

‘k sluit af mijn jeugd

Nu denk ik vaak vol weemoed

terug aan de school op de hoek

‘t was nog niet zo slecht
Er was ook veel goeds, ja echt


* Piek piek staat voor het geluid dat een kuiken maakt

H.S. 1995

 

Reageer op dit bericht

In Hylper bikkel fersjen

In Hylper bikkelforsjen

Earste
earst twaa
ödde
ödde twaa
yk lest der
yk lest der wol twaa
saroedik
saroedik twaa
gouhout
gouhout silver
te'n earsten
earsten, te’n twâdden, te’n trodden, te’n ferden
t’ien
t’ien, twa trije fjouwer
jaggelaar
jaggelaar, fluggelaar, linksom, omtrom
dotte dije
dotte dije mele bekommetje
dotte slamotte
dotte slamotte groukwúsketje bolle bûnken
bûnken, gatten, stanken,êpen
Earste.

Reageer op dit bericht

Hoi Hoi Hynke

Hoi Hoi Hynke

Hoi Hoi Hynke
Nei Leawert óm in pinke
Nei Snits óm in wyte bra
Ride wy alle hynkes daa
Op één nei, op twa nei
Op ús likje (Japik) nei
Wur us (Japik) op sitte soed
Ride wy mei fôr ame's dôr
Ame seit: Waa sit der fôr?
Us likje (Japik), kom der ris yn
En skoe ris by
Yt van ame's lekkere brii
Nea ame, ik mut furt
Wur mustû henne?
Nei de likje fanen tó
Het sost der dwaen
Pappen, pappen, sol yk jôn

Reageer op dit bericht

Ryn sänkjen


Ryn sänkjen

Ryne ryne rút
Oeral lizze plasjes
Dropjes op it rút
Kenne wy der nó wol út
Mei de learjes en de jasjes
Kenne wy der jit'  wol út

Reageer op dit bericht

Ra ra rûmpeltjen

Ra ra rûmpeltjen

Ra ra rûmpeltjen
Yt koke op it drûmpeltjen
De koke smekket sweet
Mar it drûmpeltjen ys weet!

Ra ra rûmpeltjen
Sit naat mear op it rûmpeltjen
De koke smekket sweet
Mar 't brûkjen ys weet!

Reageer op dit bericht

Fiskje


Fiskje

Aalde aete sit te fiskjen
Sit te fiskjen by de faart
Myke pûs sit stol te waetjen
Sit te waetjen by de faart
Staedich geat de pylk nei ûnd'ren
Haestig hellet aete op:
Plóf! It fiskjen falt yn 't wetter
Pûs en aete hewwe in strop 

Reageer op dit bericht

Likje Bonne

Likje Bonne

Likje Bonne
Ken só ronne
Likje Sytse
Ken só fytse
Likje Jolle
Ken só tolle
Mar likje Geart,
Dy het naat leard

Reageer op dit bericht

Swarte Piet

Swarte Piet

Gûfe, gûfe, fôr Alle jerre dôr
Der stooch swarte Pyter fôr
Mei syn roege mutse
Dy woe Alle putse

Reageer op dit bericht

Hyke soed nei Makkum tó

Hyke soed nei Makkum tó

Hyke soed nei Makkum tó
Dê kôm jó te Ferwaalde
Hyke see: "Hó mut yk nó
Nó sok de dyk mar haalde"

Alle fanen lakken 'r óm
Om jó lêf lik Hyke
En jó rôn só hard se koo
Jó rôn jer út 'e syke

Reageer op dit bericht

Likje Trynke

Likje Trynke

Likje Trynke
Sol kófje skynke
Likje Akke
Sol pankûk bakke
Likje Sytse
Sól lekker ite
Mar likje Alle
Leet alles falle

Reageer op dit bericht

Der wied in lik faen

Een lik faen dot de stal fége

Der wied in lik faen
Jó fége de stal
Dê faend jó in blaa blaa bótjen
Jó kaipe der in barchjen fôr
Mar de barch woed naat nei skoele gaen
Of jó môst him der henne drêge
Dê kôm der in aald wiif mei in lange stok
Dy slooch de barch al op syn rok
Dot de barch see: knok-knok-knok!

Reageer op dit bericht

Snea sänkjen

Snea sänkjen

De snea ys só wyt en só skeen en só licht
De snea lei oer alles henne
De wraald ys só stol en de grûnde só glod
Wy glide der sómar oerhenne

Reageer op dit bericht

Moai wear sänkjen

 Moai wear sänkjen

Wy sûnge in sänkjen fan it moai wear
In sänkjen fan de sónne
Wy gaene nei búten yn 't moaie wear
En spylje yn de sónne

Reageer op dit bericht

Underweis

Uderweis

Ruerd en Bernd
Gaen mei de ênd
Aele en Af
Gaen mei de Daf
Sip en Syts
Gaen op 'e fyts
Mar aalde aete Bónne
Seit: "yk wol löuwer  ronne".

Reageer op dit bericht

Op 'e Gerdyk

Op é Gerdyk

Op 'e Gerdyk
Der binne se ryk
Der yte se bolle mei krenten
Wuróm soeden se dot dwaen?
Jê he sófule senten

Reageer op dit bericht

Het ken yk

Het ken yk?

Mei myn futjes
Ken yk steppe
Mei myn hendjes
Ken yk klappe

Mei myn fûsten: rômbómbóm
Slaen yk op 'e taffel óm
Mei myn fynger ken yk klopje
Mei in swypjen ken yk topje
Mei in stokjen: tiktiktik!
Mei in spèalde: prikprikprik!
Au!
Reageer op dit bericht

Hielpen

Hielpen

Dit gedicht geat oer een stee oan de epen see

Mei een eigen haiven en skippen op 'e ré

Die farden oer de hele wraald

En elk hee wurk, joeng en aald

De minsken henen 't go en wieden ryk

Ien die mooie stee efter de seedyk

Mar dat alles ies ferleden tyd

't ies nô de noadklokke die ’t lied.

 

Nei de handel koam ien de Sudersee de fiskersfloat

D'r farden tentallen fiskers ût mei jerre boat

Jé heden 't go 't koe naat better

D'r wied genog ien 't saalte wetter

Mar dé koam de ôfslûtdyk

En gebeurt wie 't mei 't fiskers ryk

Mar dat alles ies ferleden tyd

't ies no de noadklokke die' t lied.

 

Jie heeen dé ek jitte B & W

Een tênder en een gemeenteree

Ien ut stêhûs ko men it jaword joan

En fan een likjen oengifte dwoan

Ek wied de droempel naat te haig

Der kost so binnen ronne mei een vraig

Mar dat alles ies ferleden tyd

't ies no de noadklokke die 't lied

 

Foar die de see en efter die ut laand

Mei ut efterlaand hee men gin baand

Wied der één sâk, aald, of koast er naat foarût

Den hoofde m'n naat Hielpen ût

Alles geeng so ut skiende fansem

Ja de meensken wieden meienem                                            

Mar dat alles ies ferleden tyd

't ies no de noadklokke die 't lied.

 

De ferenigingen hewwe ryklek bloeit

De meensken wieden mei jerre klubjen fergroeit

Jeld en leden wieden d'r genog

En jé toaten dit geat altyd so troch

Mei sang, voetbal , volleybal en nêmje jem mar op

En mei een optocht roan it eigen korps foarop

Mar dat alles ies ferleden tyd

't ies no de noadklokke die 't lied.

 

Mar rûnt de aalde Hylper Westertoer

Ies d.'r gelokkig ek jitte soat oer

Ja minsken, ’t iies heus werklik wier

For joeng en aald ies er jitte altiid een soad fertier

Wy hôpje dat de belangstelling for Hylpen blieuwe sol

Den mekket Hylpen in heel soat jieren fol

Dus haad omhaig en bost forut de kommende tyd

Want den iest nô de feestklokke die 't lied.

 

Geschreven door: Arnold Eekma, Wilt Kelderhuis en Jan Bosje

 

Uit: Archief Om ‘e Toer

 

Reageer op dit bericht

Hielpen oer Hielpen

Hielpen oer Hielpen

 

Op   een   hoekjen   ien   de Suudwesthook.

Der leit Hielpen, smoek en uut de wiend.

Mar, immem waait er hest uut de brook

Troch de wiendvlaaigen en de hadde westenwiend

 

Eavengoo mei iedereen er wol graaig wéaze,

Want de meensken binne er vriendeluk en rochtuut.

Jea sizze het se mêane, dot ken men oeral lêaze,

Ja, jéa binne wol rochtuut, mar slaane nimmen oer de snuut.

 

Eén van de éalven Friese stêaden,

En naat de minste, lêauw mie mar.

Krekt so gô ien 't hêaden as ien 't forlé aden,

En niks les de Hielpers ôait to bar.

 

Hielpen, uus Hielpen, forjette sol 'k die naat,

Doe hest een plak ien mien tienken,

Want al ferront ek de tîed ien de naat

Het dêaget oen de kimme; wie sêane het wienken.

 

Wolvegea, 3 april 1976.

Otte van Elselo.

 

Uit archief “Om e Toer”

 

Reageer op dit bericht

En de zee is niet meer

En de zee is niet meer

 

Kijk wat ik vond op zolder

Foto’s in een oude doos

Is dat nog van voor het toerisme

Van dat oude stukje Oost

Refr

 

Mensen, dat is een gelukkie

We waren die beelden bijna kwijt

We hebben nu weer een heel klein stukkie

Van die goede oude tijd

Refr

 

Nu jaren later de surfers komen

Kroegen en winkels vol toeristen stromen

Waar eens de vissers hun netten haalden

Ligt nu de pracht en praal van het Duitse geld

Refr  

 

Refrein

Eens ging de zee hier tekeer

Maar die tijd, komt nooit weer

Zuiderzee heet nou IJsselmeer.

 

Uit archief “Om e Toer”

Eerste regel gewijzigd

 

Reageer op dit bericht

Hylper gedicht

Us Hielper Hymne

Dit geeng oer it ferleden
Ien Hielpen wied fan alles folop
Mar ien de tachtiger jieren
Dè noam Nijefurd us op.
Refr.

Nô soenge wy oer it heden
Us skilderwurk ies roendom ien trek
Aald Hielpen mut vaaik optrede
Oen musea gin gebrek.
Refr.

As alles ticht leit mei iis
Wurket de usclub by dei en by noat
It toneel briengt elk jier het niis
Dat wordt ien de sommer betoat.
Refr.

Op twa campings kin men kampere
Een jachthaiven ticht by de mar
’t fremdfolk mei her graig ferkere
Ien us parel oan de Iselmar.
Refr.

Wy lete it der nat by sitte
Goane troch so lang asiIt ken
Sodat se ien de oare plakken wette
De Hielpers hewwe nei 't sin.
Refr.

Nô meensken dit wied 't foar fanniend
Wy hôpje It wied nei jim sin
Wy hewwe ferskrikkelik us best deent
Al gong it riemen soms min.
Refr.

Refrein:
Wur ies 't so mooi as ien Hielpen
Wur het men een lu so as ien Hielpen
Wur seit men “ame” allonnig ien Hielpen

Auteur en gelegenheid onbekend

Reageer op dit bericht

Lied bij dia's

Lied voor dia's Jelle Smid

Kijk wat Jelle vond op zolder
Foto’s in een oude doos
Is dat nog van voor het toerisme
Van dat oude stukje Oost

Mensen, dat is een gelukkie
We waren die beelden bijna kwijt
We hebben weer een heel klein stukkie
Van die goede oude tijd

Nu jaren later de surfers komen
Kroegen en winkels vol toeristen stromen
Waar eens de vissers hun netten haalden
Ligt nu de pracht en praal van het duitse geld

Waar op het blauwe hok en in de leugenbank
Verhalen de ronde doen van toen en nu
Maar omdat we 't allemaal niet goed meer weten
Daarom laat Jelle ons nu de beelden zien.


Refrein:
Eens ging de zee hier tekeer
Maar die tijd, komt nooit weer
Zuiderzee heet nou Ijsselmeer.

Auteur onbekend
Wijze: Zuiderzee balade

Reageer op dit bericht

Poep op de stoep

Honden en poep

Ik wil niet naar Workum
En ook niet naar Sneek
Ik wil niet de stad uit
Nog niet voor een week
Maar loop je de stad door
Dan zie je een hond
Die zit daar te schijten
Je staat in de stront

Ik wil naar de bakker
En stap op de stoep
Ik kom om een tarwe
‘t wordt een broodje poep
Of ga ik te trainen
En kom op de mat
dan zie ik ze liggen
dan ga 'k accuut plat

Je gaat voor de scholen
En haalt oud papier
Een doosje oppakken
Dat gaat met plezier
'T zal je gebeuren
Je bukt naar de grond
Je hand om een doosje
En grijpt in de stront

Pé schoffelt plantsoenen
En maait ook het gras
Hij loopt wat te praten
En is in zijn sas
Maar als je gaat maaien
Hou dan goed je mond
want voor je het weet
Zit je bek vol met stront

Refrein:

Want Hielpen is poep op de stoep
En stront in de straat
Je bent op je hoede
Vooral ‘s avonds laat
Stront aan je schoenen
Je glijdt er in uit
En valt op je snuit.

Auteur onbekend

 

Reageer op dit bericht

Feestavond in de Foeke

Een feestavond in de Foeke met veel rijm en gedichten.

Oenkondiging:

Boeren, burgers en fansem ek de bûtenlied,
hear tô en sén het "Om 'e Toer" jim bêd.
Oh,oh, het môôsten wy wur oen jim loeke
Om jim hir te kriejen ien de Foeke.
Hir barre fanniend woenderijke diengen, ja wier
Wy brienge jim een oertjen fol fertier.
Mar ek mei wéé moed en herrienering
Omdat het wied en fan ûs geeng
Wy mutte nô mar gau begonne
Oars ken de iend ek jitte ûtronne.

Deklamoasje:

Dit geat oer een stee oan de epen see
Mei een eigen haiven en skippen op 'e ré
Die farden oer de hele wraald
En elk hee wurk, joeng en aald
De minsken henen 't go en wieden ryk
Ien die mooie stee efter de seedyk
Mar dat alles ies ferleden tyd
't ies nô de noadklokke die 't lied.
Nei de handel koam ien de Sudersee de fiskersfloat
D'r farden tentallen fiskers ût mei jerre boat
Jé heden 't go 't koe naat better
D'r wied genog ien 't saalte wetter
Mar dé koam de ôfslûtdyk
En gebeurt wie 't mei 't fiskers ryk
Mar dat alles ies ferleden tyd
't ies no de noadklokke die' t lied.
Jie heeen dé ek jitte B & W
Een tênder en een gemeenteree
Ien ut stêhûs ko men it jaword joan
En fan een likjen oengifte dwoan
Ek wied de droempel naat te haig
Der kost so binnen ronne mei een vraig
Mar dat alles ies ferleden tyd
't ies no de noadklokke die 't lied
Foar die de see en efter die ut laand
Mei ut efterlaand hee men gin baand
Wied der één sâk, aald, of koast er naat foarût
Den hoofde m'n naat Hielpen ût
Alles geeng so ut skiende fansem
Ja de meensken wieden meienem
Mar dat alles ies ferleden tyd
't ies no de noadklokke die 't lied.
De ferenigingen hewwe ryklek bloeit
De meensken wieden mei jerre klubjen fergroeit
Jeld en leden wieden d'r genog
En jé toaten dit geat altyd so troch
Mei sang, voetbal , volleybal en nêmje jem mar op
En mei een optocht roan it eigen korps foarop
Mar dat alles ies ferleden tyd
't Ies no de noadkiokke die 't lied.
D.'r ies gelokkig ek jitte het oer
So as de fereniging "Om 'e Toer"
Dizze besteet no al wur santin jier
Jout joeng en aald elk jier een soad fertier
Wy hôpje dat de belangstelling blieuwe sol
Den mekket "Om 'e Toer” de fieuw en twientig jier wol fol
Dit ies nô de kommende tyd
Derom iest nô de feestklokke die 't lied.
Wy wolle graaig jimme meiwurking haalde
fandêr ûs beroop op dizze aalde
Jô haald nô al wieken lang
Us likje stee yn jer ban
Ame ies her nô en leit op bod
Hêt jô drôget wordt nô op de planken sot.
't Geat oer saiken len Hielpen gebart
Die tyd komt naat wur, It libben geat hart.

Film:

Het drôget ame fremd fanniend
Nô ûteen tyd, naat lang ferliend
Der komme jer beelden foar de geest
Fan dat fijne "dwoan een oar nei feest"

Playbackshow:

Ame drôget nô oer saiken
Die hewwe mei de voetbalklub te maikjen
It geat naat altyd even go
Der wordt oer soengt dat heare jimme nô

De heilige cup:

Ame drôget,nô, hoe 't ies begont
Jim sêne her wol hoe it firder ront

Zeerover en it hoertje:

Der wenje nô jitte minsken, en it heart miskien roar
Die 't wierlik ôfstamme fan dit nûvere
Os ame wekker wordt, ies de noad groat
Jô tienkt, och heden no mut 'k jitte ek, nei de kaant fan de sloat
Mar gelokkig het een genot
D'r komt één mei de pispot bie 't bot.

Ode aan de po:

Even toat ik nô komt jo ut jerre kôoie
Dat soed ûs iend roar ien de war gooie.
Mar gelokkig jo slôpt nô wur lekker
En kenjitte een keer drôgje foar de wekker.

Film:

Ame's dromen binne nô ût
Wy komme nô to oan in plechtig beslût
Foar de officiele saiken komt de beue ût dat oare plak
Deroan hewwe wy fanniend lak
Wy lete ûs naat meer troch de briebekken de les lèse
Fanôf nô wolle wy wur sem boas wèse
Wy hewwe sem een tènder en een beue ût seeke
Die 't fan nô ôf foar us de priesen ût kin reeke
Disse beue het it hir nô foar it sizzen
En ijimme hewwe jim dêr mar by del telizzen.

Geschreven door:
Arnold Eekma ,Wilt Kelderhuis en Jan Bosje. Reden: Een feestavond in de Foeke.
Georganiseerd door Om ‘e Toer

Reageer op dit bericht

Oen uus Prinsesse

Prinsesse

Prinsesse van nes laand!
Dae 't wij et earst vornoamen,
Dot 't jij hir, mei jijn Veer
En Mem, jin Freéslaand koamen,
Dae weéren wij so blie,
Et heart spraaing iin ues op;
Vaajk zeéwen ijen enkerm:
Miin bliidschip iis un top.

't Is weér, jij viinde hir
Uetwendig gin vortooning;
Mar, - waes der iin gerust,
Wol hearten voar de Koning
En voar de Koningiin,
En spruet van 't Russe bloo,
Wor trog dot dizze stee
Van aalds zo vuele koo.

Want voar twa hoendert jeér
Dae koast men van Hiinlippen
Soms heéle vloaten zaen
Van de aldergraatste schippen.
Jin voeren jeér op jeér
Nej Narf of Riga to;
Dae bloeide dizze stee,
't Geéng ieder burger goo.

Et hoegget mii jitte ek,
Ho dot ues memme ate
Soms un de hearne zeét
En oer et zijlen praatte;
Den weér er zoo vol veér!
Vaaik heerde iik net ziin moend:
Zo lang as 'k varde op Narf,
Weér 'k altijd fiks gezoend."

No, edele Prinses!
Jij koöen 't naat vorwaatsje,
Dot 'k iin ues eéne taal
Zo roend tjen jii zood praatsje.
Mar nim et zo voar goo,
Iik heb 't naat better leerd,
Doch naanse wordt jii vest,
As hir, meer acht en eerd.

Uut het gesprek van Tem en Fod
Uut": Taalproeven van Hindeloopen

Reageer op dit bericht

Brulloft zaaing

Brulloft-Zaaing

Vreénden, vreéndinnen
Al wa 't hir waeze mei,
Aalden of joengen,
Dot nimt naat wei ;
Ealk mut zijn best hir dwaan
Om go de mars to slaan:
Refrien

Want op en bruiloft
Passet de noglikheid
en iik wol leeuwe
Dot ealk dit dweit.
Zot alle zorg oon kaant,
Zoenge wij haand oon haand:
Refrien

Mar zoengen allonig
Kenn wii naat mei volstaan,
Doensje en spriinge
Mutte we ek dwaan',
En den iis'tek wol zaaik
Dot ealk ris nimt en paaik:
Refrien

Kom nim et gles ek no
En bring et oon de moend;
Leét ues no alle
Driinke iin et roend;
Zegen voar’t joenge paar!
Winskje wij allegaar:
Refrien

Ek wouwe hoapje,
Dot et jem barre mei
‘n Moone of neeuwgen
Nei disse dei,
Dot jo him den mei joan
Een frisschen joengen zoan,
Refrien

Kome er der nei den
Jitte en stik zeks zaan,
Den het et joeng ief
Wol het to dwean
Den iis't: haald dii'ris stol,
Doe mekkest mii hest dol:
Refrien

't Mut jitte weske
Pisdooken,scheen en goe
't Bon iinne wale
Gealt as en to
't Stof leit jitte oer de vleér,
't Bod iis jitte ek oer steér:
Refrien

En komme de ealsten
Moarns uet de schoele wei,
Jin bringe ek wor
Weinig goed mei:
Want jea roope allegaer:
Mem iis et jitten klaar:
Refrien

Den zeit et joenge wief:
Heéb iik dot zo iinziend,
Iik heéb nooit boaske
En vriister bleénd.
Mar nee, wor praatje iik van,
No heb iik ek en man :
Refrien

No, goode vreénden !
Scheid’we meo zoengen uet,
En winskje'we ues allen
No to bitsluet:
Voart en plasierge naat.
Nim dizz'tied to baat!
Refrien

Refrein
Eés twiske beiden.
Iis niemandal

Uut “Taalproeven van Hindeloopen

Reageer op dit bericht

Bruloft zaaiing


Oenspraaik oon de joengeleéd op in Brulloft

Wol, joengeleéd ! et boaskijen iis,
Zo as men hir wol zogt
Iin 't earts altijd en graat vormaaik
Omriingd van alle nogt.
Refrein.

Mar 'd oendervimding leert ues vaaik,
As dot de leefde iis bliind,
En as men earst het trouwe iis,

Gebrek oon enkerm viindt.
Refrein.

As dot mei jim ’t geval 'ris waard,
(Dot God vorhoede mei)
Dot 'd eéne d'oore den vorjouwt:
dit reéd 'k jimme allebei.
Refrein.

En as men den ek zeegne word
Mei borntjes laef en vroed
Den het men oon dizz',kaant van ’t grof
Al 't beste eardsche goed.
Refrein.

Den word et boaskjen, joengeleéd !
En himmel op de wraald ;
Den krigget men ek nooit biirouw,
Al word men nog zo aald.
Refrein.

Dit winskje iik den jimue to,
(En 'k tink wol allegaar)
Dot men van jimme eés sizze zol:
Zii der 'n gelokkig paar!
Refrein.

Refrein:

Want ealders,zusters,broer en vreénd
Ealk deelt mei iin de vreugd
As wor en paar voreenge word
Iin eere en iin deugd
As wor en paar vooreenge word
Iin eere en iin deugd.

Uut “Merkwaardgheden van Hindeloopen

Reageer op dit bericht

Niejieérswinsk ut 1850


Niejeérwinsk oon 't volk van ues veerelaand
en bizoender oon de burgerie van Hiilpen.  1850.

Liik as en schad iis wor en jeér
iin de ieuwigheid vorvliind.
Het binne er naat en minsken stoond!
En hir bleeuw men bijnei verschoond:
Hebb' we ues der nei gedriind?

De cholera van kwaden aard,
Weér omtrent algemeén;
Men heerde hest van dei to dei,
Ja, dii en dii iis ek al wei:
Van ues noam er mar eén.

Der geppe soms eén om zijn veer,
En hjr eé om zijn mem;
En pas weér dizze ellende oer,
Den steérf en zuster wor of broer,
Hij de oore deis soms zem.

't Iis weér, mii trefte ek en slag(*);
Mar 'k zwiege nedrig stol,
En toat, al ken 'k et naat trog zaen,
De schrift dii zeit doch, zo 't iik maen:
Dot God dweit, dot iis wol.

Het sneuwle er buetendien en volk
Iin 't zuejen, aast en noord;
De blodden (**) weéren vol biischeid
Van wraaik en van oproerigheid,
Van oarlog en van moord.

En iin ues laand weér rest en vree,
Al waard ues 't moe soms vol;
Iin hoap , dat 't better worde zoed,
Bleeuw ealk van ues biidaard en vroed,
En zwiege derom stol.

As ealk hir ek regeerje wol,
(Het de oenderviinding leerd)
Dot koastet vuele minske bloo;
En zelden wordt et der trog goo,
Mar vaaik geheél vorkeerd.

Dot ealk den no iin 't nieje jeér
Mar dankbaarheid biitoont:
Den word' we vaaik van God, de Heer,
Iin dizze jeérkriing meer en meer
Van rampen wor verschoond.

Schiink Jii ues der to kracht, 0 Heer!
En maekje ues heart biireid;
Biideél ues mei Jiin Heilge Geest;
Jouw, God! dot nimmen van ues vreest
Voar daa of ieuwighied.

* Et verlaes van en 34 jeérige zoon,dii trouwe weér.
** De Niesbloden of Kranten.
Uut “Taalproeven van Hindeloopen

Reageer op dit bericht

Oertinking op Niejeérsdei

Oertiinking op en Niejeérsdei

Et iis en aald gebroek,
Biikend hij vuele minsken,
Dot men op dizze dei
Enkerm oerstroomt mei winsken.

En dot wol aldermest
Oer 't libjen en oer 't sterwen,
En om eés nei de daa
De hiimel to bijerwen.

'k Heb op die dei wol toat
As 'k mii zem naat misleid
Den wordt die heilge winsk
Mar oenbutoat vaaik zeid.

'k Toat jester iin mii zeim
Gaauw iis 't jeér wor vonliind
Ho iis 't mei mii gesteld?
Ho heb iik mii gedrind?

Weér 'k altjid iin mun dwaan
Oon wet en pligt getrouw?
En as iik erris vaal,
Hee'b 'k den oprogt biirouw?

'k Loai op de moend miin haand;
'k Toat bii mii zem, 0 God!
Wees mii genadig, Heer!
Lik saet wor vier to kort.

Het strofle iik iin dit jeér
Wor vaaik, iin vuele diingen;
Toch bleeuwen Jii zo goo
Mii zegen to to briingen.

Dae roapt' 'k mijn Schepperoon,
Dot Hii mii krachten joog,
Dot 'k mii iin 't nieje jeér
Hir better iin gedroog.

Schiink mii Jiin heilge Geest,
Dot dii mii daaigliks leid',
En iik voar daa en grof
Mii altiid viind bliireid.

En as iik, grate God!
Vorschliin op de oordeelsdei,
Dot 'k den, om Jezus wol’,
Genade viinde mei!

Uut “Taalproeven van Hindeloopen"

Reageer op dit bericht

Oen de jongeleed

Oen de joengeleed worvan dot de joengeman
al jieren uot ziilen west heéb

Wenneer en schipper 't laand vorlot
En vutgeét van de ree,
Mei voar de wiind en voar de stroom,
Iis hii zo wol to vree.
Den ziilt er zo et zeegat uet,
Mei 't bramzeel haaig iin top;
Hit peelt et laant!, en jouwt de koerts
De man to roer straks op.
Geet dit zo voart en moone twa,
Den reknet hii al uet,
Wenneer 't er waeze ken to plaats,
Mei zok en riiken buet.
Mar het wol no et oengelok:
De wiind krimpt op mei riin;
De schoaten mutte al oon et gat
En 't bramzeel dot mut iin.
De morszeels mutte gaauw ek vest;
No nimt de zaaik en keer;
Want kwalik iis de deiwacht uet,
Of 't iis al heél stormweer.
No drieuwt er der mei schip en good;
Et weer wordt schriklik fel;
Soms rieze ze eénge vutten haaig,
En ploffe den wor del.
Jea roope jerre Schepper oon
En dwaan en noodgebed;
En kort dernet bitdaarge 't weer,
En weéren jea wor red.
Het weér dii voeooring graat.
East toaten s'to vorgaan:
Derom iisno jerre earste work
En dankgebed to dwaan.
Zo geet et mei 't boaskjen vaaik;
Want, iis joeng en bliind
Den zot men graaig et zeel iin top,
Meil ‘n moaije voar de wiind.
En kriigget men de slagboog tjen,
Meij storm, en 't zeel mut wei,
Den strijkt men naat, of al to let,
Dot zogt men den dernei.
Derom reed 'k alle joengeleéd:
Iintieds de riffen iin!
Den ken men best en bui uetstaan
Van storm, mei wiind en riin.
En kriigget men de slagboog mei,
Zot den meer zeelen bii;
Mei moai weer en en gooden wiind,
Den steet et ealk wol vrii
Die 't altiid ziin schip biisteért
Briingt vest et goo trog zee,
En kriigget nej volbroaten reis
Ek wol en veilge ree.

Uut “Taalproeven van Hindeloopen

Onderstaan de Nederlandse vertaling

Hoe de jonge zeilers

O winter, 0 winter. Ik wou dat u maar kwam
En dat die regen en die wind wat afnamen
Want alles is nu zo bedrukt en zo treurig
En komt u, dan is het tenminste weer vrolijk.
Want als u ons met mooi ijs vermaakt
Waardoor wij dan aan het schaatsen geraken
Dan is er tenminste overal wat te doen
Hier zie je iemand komen en daar weer iemand gaan.
Dan gaan we eens met een jongedame ergens heen
En komen hier dan jongelui soms ver hier vandaan
Men rijdt en men jaagt elkaar overal voorbij
Ja, dan is iedereen erg vergenoegd en blij.
Men gaat dan naar koudum om een bakje (koffie) te halen
Want degene die eerst komt is vrij van betalen
En als het ijs dan sterk is, gaan we bij de Indijk kijken
Daar zien we ‘s middags de meisjes dan priksieden.
't Gaat rechtuit naar Koudum, dat valt licht te denken
De gastheer die bedient ons daar op onze wenken
Want in de winter kan een zeiler het zich wel veroorloven
Dan kan hij wel wat "zesdehalven" verteren.
En zijn de meisjes dan soms wat verkleumd
"Geef ruimte bij de haardstee, de Hindeloopers komen"
Zo roept dan de man vaak, met kracht en gevoel
En steekt gauw een vuur aan, zo groot als een stoel.
"Ben ik anders zuinig met turf, nu kan dat er wel af
Want Hindeloopen geeft mij mijn halve bestaan"
En komen we '5 avonds dan van Koudum weer thuis
Dan krijgen we ieder een drukker en gaan naar huis.
Maar komt het vooijaar, dan gaat het los
Dan lopen we over 't Oost, verlangend om te gaan
En om ons dan ook naar de tijd te schikken
Gaat de ene aan het stoeien en de ander aan het knikkeren.
En hoe of dit zo komt, dat wil ik ook niet verzwijgen
De broekzakken zijn bijna leeg
Daarom als de kaag vaart, dan zijn we uit de nood
En met een hoeraaije gaat ieder weer aan boord.
En wil iemand zelf niet gaan schaatsenrijden
Dan gaat hij maar eens op de lndijksbrug staan
Daar ziet hij van alles voorbij komen
Van groten en kleinen, rijk, arm en gemiddeld.
Hier ziet hij er twee verschrikkelijk vandoor gaan
En daar komt iemand aan, die is trots op zijn zwaaien
Hier vliegen ze elkaar voorbij als twee kogels
En daar dwarrelen ze door elkaar als vogels.
Hier ligt er iemand, daar zit er iemand, daar staat weer iemand op
En ginder daar valt weer iemand hals over de kop
Hier is dan een drukte, als ik weet niet hoe
En dan gaat men weer naar de Zijlroede toe.
Daar zitten ze aan de kant melk te koken
Ze proberen het geld van de kinderen af te troggelen
Maar daar redden ze zich maar mee, ieder mag zeggen wat hij wil
Mooi ijs dat geeft plezier, dat houd ik altijd vol.

Auteur van deze vertaling onbekend

Reageer op dit bericht

Brulloft Zaaing

Brulloft-zaaing.

Komt, aalden en joengen, waes noglik en blie
Hir op dizze bruiloft, en zoeng ris mei mii,
Tot eer van C. B. A.
En 't joengwief F. G. H.
En ealders en zusters en broers.
Ealk waes no vorblied hir un dizze tied,
't Ijs hir no gin zaaik om to treuren;
Mar ealk zoeng mei mii, no lustig en blie:
Et zoengen dot steet ties no vrii.

Mar zoengen iis 't lang naat allonnig mei goo,
Want doensje en spriinge, dot mutte we ek no,
En paaikjen en driinken, en vreéndlik to kliinken
Komt hir ek wol tiigge to pas.
Ealk jouwt uet vormaaik zijn leeuwste en paaik:
Dot smekket as prommen en bolle;
En zoeng den as wij, ek lustig en blie:
Et zoengen dot steet ues no vrii.

Wii winskje bij dizzen de joengeleéd no
Mei gaauwens en zoon of en doatertjen to;
Dot jerre bom groeije, as haembollen bloeije
Tot bliidschip van ues allegaar.
Den wordes van zem al meer oen enkerm
Trog borntjes en liefde vorboenden,
En zoenge as wii ek lustig en blie
Et zongen steet jem den ek vrii.

Uut “ Taalproeven van Hindeloopen"
Wieze: Marchand de la parapluie

Reageer op dit bericht

IJsvermaak 1938

In Hindeloopen werden in de geschiedenis een aantal keren ijsfeesten georganiseer op de voormalige Zuiderzee. Men kan rustig aannemen dat het er in een dergelijk jaar sprake was van een behoorlijk strenge winter. Schijnbaar is de winter van 1838, gezien onderstaand gedicht, zo'n winter geweest. 

En zaaiing op et iesvormaaik to Hiinlippen iin de harde
winter van et jeér 1838 van de 10deto de 15 de febrewaris


Kom, burgers, boeren, Jufvrouw, heer!
Iik zol no zoenge voor dis keer,
Ho dot et iin dit Jeér
Hir op zee dae morke weér.

Op de earste det, en man of zaan!
‘t Jin waaigen 't om op zee to gaan,
En zeéken der en baan,
Wor 't men koast to rieden gaan.

Jea kliewen op do burgen ies,
Zo dat et weér en minske gries;
Hest trittig vutten haaig!
Ealk waard dae alliike greaig.

Om dot ek te biikiikjen,
Geéng men der henne piikjen,
En kladdre der ek op
To de allerhaaigste top.

De twadde dei dae weér 't al raar,
Want nimmen zoeg dae meer gevaar;
En elk geén nei de zee,
Om te rieden op de ree.

De trodde dei waan 't jitte al oen;
Der weer en heerschip van fotsoen,
Dii lotte en tente slaan
Om de ziide van de baan,

Vorzeéke der, dii ‘t naat weér bang,
Vorscheidne leéd van de eerste rang;
Om de oore deis op zee,
Der to driinken en kop thee

De vearde dei dae weér 't zo vol
Van minsken,slieden,uet de tol!
Men reed dae om en priis
0p de scheije van et iis.

Ik zoeg men dae al rieden
Mei moaije hingste-slieden,
En vrounleéd on de kaant,
Krekt al weér et binnen 't laand.

Veuwer en 't zegtig Friezen,
Om vlugheid to bewiizen,
Jin komen op et iis,
Om to tiingjen nei de pries.

Dii deis waard 't naet biislisse;
Dot heéb men al hest gisse;
Men koast et naat oafdwaan,
Want der blieuwen zegtin staan.

Dae kom et zo vol minsken,
Dot wii er naat meer winsken:
Acht toezend,waard er zeid,
Zoeg men der roendom vorspreid.

Hir weér jitte ek zo vuele bii:
Doek, hoed en pet, galanterii;
Ealk schreeuwde het er koast,
Oft men gin gedachtnis moast.

Der stoegen trouttin tenten,
Jin jerre waar uetventten;
Ealk roapte; op zee,op zee!
Dot men 't heerde iin de stee.

De zegste dei weér ealk wur blie,
Dae reéd men mei de burgerie,
Omdot men wette moast,
Wa ’t van jem et hardst koast.

't Weér moai te zaen, de leste twa;
Jin mekken 't de iene de oore kwa:
Tjeerd Roosjen voar dii keer
Dii bijhelle dae de eer.

En Andries Draaier,vlug to beén,
Dii kreég de premii, nommer eén,
En de oore, nomer twa,
Geéng oen Eeuwe Frankena.

't weér raar, ho ‘t un jin deggen
De vremd' hir henne jeggen;
En, dii 't en laeflik koast,
Altijd nei de burgen moast.

Het hir op zee dae kaaipe iis,
Dot worde wii vest nooit nit vies;
Want, nei 't iik gisje ken,
Ront et iin de toezenen.

No leét 'k et hir bij blieuwe;
'k Ken alles naat bliischrieuwe;
Ek word iik al hest bang,
Dot miin zaaing oors word to lang.

(Wieze: Blaauwbloempje, die in het koren staat)
Uut “ Taalproeven van Hindeloopen"

Reageer op dit bericht

Het dweit men al om et jild

Het dweit. men al om et jild

Iik weer langlesten op en beurs
Vol kooleéd burgers, boeren ;
Der weér en hevelsen ramoer !
Iik kijke stol et volk'ris oer
Der ronne ek wol to loeren.
Of 't hir soms ek akkaasje iis,
Dot se immen piere kenne;
Want der iis't zokke om te dwaan
Et mei den vroom of oenvroom gaan,
Dot mut den zo mar kenne
Iik toat,het dweit en minske al,
Om oon et jild to kommen!
En as men't erris wol iinzogt,
Ho gaauw dot hir ues tiid vervlogt,
't Geet krekt as mei de blommen,
Jin’t moams iin 't laand to proenkjen staan
Liik as en boenten wrinnde
En, op eén en de zoldigg'dei
Ken men vaaik ear de zonne iis wei,
Jer plaats nit eés wor viinde
Derom waarschouwje iik ealk as vreénd
Om der vaaik om to tinken.
Het healpt et ues hir iin de wraald,
Men iis den joang of men iis aald,
Iin rijkdom uet to blunken
Eéns komt er ziiker doch en tied,
Dot we alles misse mutte.
Den steet de Koning wor geliik
Al weér er hir ek nog zo riik,
Mei de alder earearmste butte.
Dwaan derom vuele goo,
En mie altjid et kwaa
Acht nooit et wraaldsche good
Bopp' riikdom nei de daa.

Uut “ Taalproeven van Hindeloopen"
Reageer op dit bericht

Houmanhou


Toelichting op onderstaand gedicht "Houmanhou".

Dat jongelieden, die verkeering met elkander hebben, met andere zoodanige paren een gezelschap vormen, om nu en dan een vrolijken avond of nacht door te brengen, in een daartoe afgehuurd of eigen lokaal, -- dit gebruik, dit uitgaan om te vrijen, is nog niet afgeschaft. Dat jongelingen zich naar het huis begeven, waarin zich een gezelschap meisjes bevindt, om daar met haar tot laat in den nacht vrolijk te zijn,-- daarvan heeft ROOSJEN eene even eenvoudige als natuurlijke schildering gegeven in het hierachter voorkomende vers: Hûnlipper Houmanhou of Vastenavond, met de eigenaardige woorden der volkstaal.

Om eerst toegang tot een meisje te bekomen, was het gebruikelijk, dat de jonginan eene bejaarde weduwe uitnoodigde, de baan voor hem bij het meisje en hare ouders klaar te maken. Werd hem het verlangde bezoek toegezegd, dan vond hij de vrijster op een bepaalden avond in het achtergebouw of Lytshuus hem wachten. Ten einde haar vrij te houden, gaf hij haar geld om een en ander te halen, veelal bij of door de weduwe, die daar al voor gezorgd en hiervan mede haar voordeel had. Kwam hij spoedig eens weder, dan was dit een goed teeken; maar liet hij lang op zich wachten, dan vermminderde de hoop. Zoodra dit kortgaerdjen echter door andere vrijers ontdekt werd, vonden deze er genoegen in om het paar te storen, waarom men altijd bedacht was het licht zóó te plaatsen, dat men het buiten niet kon zien, Het verzoek van den struner om toegelaten te worden, of om enkel zijn pijp aan te steken, kon soms niet worden geweigerd, dewijl eene weigering ligt aanleiding gaf tot allerlij baldadigheid en kattekwaad, gelijk op meer plaatsen in Friesland waar dit struunjeijen bekend is.

Uit: Merkwaardigheden van Hindeloopen

HOUMANHOU.

Der weéren veuwer jonge vanen
Op Houmanhou oen 't bortedwaan;
De ieéns zoeden 's bollebefjes bakke,
En weéren oen 't busleek blislaan;
Dae waard er kloppe oen de doar:
Der weéren veuwer viinten voar.

Jin vriggen: ,,mei we erris opstekke?
,,Toe Jildo, Rimme, Vod en Trien
,,Ho ken jim nou zo noatig weaze,
,,Leét ues er doch mar ewen iin",
De doar koam op, iin schun wol traaig,
Mar ealk vaan zoeg 't alliike graaig.

De viinten geengen bii jem zitten,
De eene hir en de oare der;
Jea heében 't al voaroaf bliischerre,
Dot ealk van jem dii kree'g zijn ker;
De vanen weéren ek to vree,
Zo zeét ealk op ziin rogte stee.

De buetebor die waard iinschonken,
En der en goe stik soeker to,
Van gaan,
der waard naat meer van praatte,
Et liike jem der virs to goe.
De vriesters wisten jem gin ree',
Dot ealk zo'n kanten vriejer hee.

De goeffe koam ek op de lappen,
Ealk weér zo noglik en blie;
De viinten toaten,bii zok zoengen,
Der heerde ek wol het vogte bii.
Ealk joeg zim jild den oen ziin vaan,
Om der mei om en zoep to gaan.

Jea blieuwn naat lang, dot ijs to tiinken,
Want 't liike jem der al to wol,
De buetebor moast van de tafle,
Jea schaainken dae de glezzen vol;
No draainken ze op en goe vermaaik,
En ealk dii ijoeg zijn vaan en paaik.

,,Et kortegeardijen",zeé dae de eéne,
,,Iis zijker doch en bulte nogt;
,,Et iis mar spiitig dot de tied den,
,,Iin 't aaig van ues ,zo gaauw vervlogt,
,,Want, eer dot alles rogt biigont,
,,Íis mest de naait al haal vorrond".

Zo geéng de tied al vaerdig henne,
Mei goefjen, zoengen as en to;
Et paaikjen waard ek naat vorjetten,
Ealk deé zijn best zo goe 't er koe,
Jea rekken danig oen de gang,
Trog dot et gles zo geéng iin zwang.

Van 't bakken, der koast naat van komme,
Der geéng to vuele tiid mei wei.
,,Stol",zee de een, ,,kiik er bij de smoeger,
,,En nim et gaas der ris voar wei,
,,Den zouwe het wol better zaen;
,,Ealk tunkt doch wol het dot iik maen?"

De deggeree' bligoast to schijnen,
En Vod, jo praatte van to gaan,
,,Wol", zeéën de oore, ,,dot ken zo nit,
,,Om boerren mutte we ommers, vaan!"
,,No ja"zeé Vod, ,, dot wet iik wol,
,,Maen jimme dot 'k naat mei dwaan zol?”

Dae rekken ze allgaar om boerren,
Zo lang, as 't tied waard van nei hues;
Ealk geéng dae mei zun vriester henne,
En broat jer bii jerre ealders tues,
No op de droempel jitte en paaik,
En oafdeénd weér die heéle zaaik.

Mar 't eene paar koe 't naat vorjette;
Jin weérne enkerm zo wol biivond,
Liik as et mei et kortegeardjen
Wol vaaik, ja vuele tieden,ront:
Ho mennig paar komt der uet voart,
Der de eéne ears nooit om de oore toat.

Jin kortegearden alle wiiken
Zo vaaik,as 't jier mar waatsje koast;
Mar 0! de tiid bugoast to naaikijen,
Dot hii wol hest nei 't schip to moast:
Want,as se schipper him mar schrieuw,
Weér 't vest,dot hii naat lang meer blieuw.

Et doere ek kort:want de oore wiike
Dae koam de breéf al mei de kaaig.
Om dot no tjen ziin vaan to sizzen,
Weér hii un 't earst wol heél het traaig;
't Weer voar him ek en tiige toer,
't Koam jer altii oerschesmis oer.

Hii zeé:,,miin vaan! no mut w' hest scheide;
,,Want,miin! de schipper het mii schreénd,
,,Dat iik eanuete oer mut komme,
,,En 'k haald him ek zo graaig to vreénd;
,,'tIis voar mii ek en besten heér,
Waes derom naat to vuele oersteér."

,,O nee,miin viit! iik mut mii voegije;
,,Et zulen briingt et ommers mei?
,,Mar het zol 't mii earst noatig waéze,
,,Want doe geest hir zo vier ewei;
,,O ja,as uk er rogt om tiink,
,,Iis 't krekt of 'k trog de groende ziink."

,,O vaan! doe geest mar vaaik uet neékjen,
,,Bii ate,ame,neef of nicht;
,,Dot zol de tied wol het vorkerte,
,,Wa wet,ho dot et dii vorligt;
,,En kom iik van de heérst wur tues,
,,Het zol dot waeze en nogt voar ues!",,

Kom,derom mut we no naat treure;
,,Haald altiid mar goo moe,miin vaan!
,,En oermoarn teénde zouwe vuije,
,,Want oer-oeremoarn den mut uk gaan.
,,Van 't voarjee'r iis et den voar 't lest;
,,Mar,miin! de knoap leit ommers vest,

Dii naats dae weéren snaat heel vleurig
Trog dot et heart jem zeét zo haaig:
Want,als se van et scheiden praatten
En oer et vutgaan van de kaaig,
Den zeéten ze allebei daastol,
Want den waard jem et moe zo vol.

Mar, eindlik,'t koast mem naat meer helpe:
De tijd weér der,dot hii moast gaan;
De tollers heeben 't goed al helle;
Jo geéng stol bii "de Foeke" staan:
Der weeuwd’ze jit ris mei de dook,
En,o! de kaaig geéng om de hook.

Uut “ Taalproeven van Hindeloopen"

1 reactie Reageer op dit bericht

Een zomerse uitstap in het Hindeloopers


Een oud gedicht in het Hylpers

En zommersen uetstep nei et vild op
un moarn biitiid van in veer mei ziin zoon.

Lest geén 'k op en moamtiid mei eén van mijn zonen,
Mei aaigmork, om him iin et vild oon te toonen,
Ho 't zommers der alles weér noglik en blie.
Wij stepten vrii haastig en laand menning henne;
Zo koamen we al gaauw en eénd steewaarts van denne;
Der geéng iik dae zitten, mijn zoon zee't bij mie.

                                       ****

'k Zeé: ,, joenge! no mutte wij roendom ues henne
,,Hir alles biikiikje, zo goe as we kenne;
,,Den valt ues voarzijker dizz' moamtiid wol ligt”.
De dauwe loai jitte op de gersen bij droppen,
Dat blaaink iin ues aaigen as zelwere knoppen:
Dit joeg voar et earst al en heerlik gezigt.

                                      ****

Et doere naat lang, dot iis ligt wol to tiinken'
De zonne biigoast mei zijn stralen to biiinken;
't Roan ek al nei vieuwen, to minsten zo 'k maen.
Wii kiiken roendom ues, en zoegen de blommen,
Zo 't liike, ek uet jerre naaitsleép opkommen:
Dot alles weér voar ues ek moai om to zaen.
                                      
                                       ****

De visken iin 't wetter jin spiillen en spraaingen,
De voeglen jin pieppen, jea fluitten, jea zaaingen
Mei moaje geluetten, doch ek wol ris tjoe;
De lammen jin doensen en weéren zo olik,
De hingsten en koebeesten weidden ek vrolik:
Ealk prieze zijn Schepper, zo goe as er koe.

                                      ****

'k Zee: ,,joenge het binne dot treffende wiinken.
,,Zo heerden wii ek alle moarnen to tiinken:
,,Want graat bin we ziikerlik bop jem iin rang;
,,Wii kenne ommers Genesins eén duedijk laeze,
,,Dot ealk van jem ues oenderdanig mut waeze;
,,Dii 't naat wol mei goedens, dii mut doch trog dwang.”

                                      ****

,,Dot vlogt iin de loft en dot kroept iin de zaanden,
,,Dot healt iin de vaart en dot ront in de laanden,
,,'t Steet allegaar oender de minsliike magt;
,,Dot zwemt iin de zee en dot geet op de wallen,
,,De heerschappii hebbe wij doch oer jenm allen,
,,Schoan ze ues vaaik oertreffe un graatheid en kracht."

                                     ****

,,Mar zoon! men het derom gin rogt om to tiinken:
,,Mut al et gedierte ues zo taenje op ues wiinken,
,,Het binne wii graat, der iis nimmen boppe ues!
,,Want as wii ues zem erris ernstig biikiikje
,,En ues mei de Mekker van 't al vorgeliikje,
,,0! den bin we litj en hir ek nit eés tues.”

                                      ****

,,Want, wa iis iin staat om dot Wezen to schetsen?
,,Iik heb der zo vaaik al miin hersens mei bretsen,
,,En toat bii mii zem: het iis dii Schepper graat,
,,Dii 't al het we zaene iin seks deggen mekke !
,,ik doer der nit eés hest mijn haad meer mei brekke,
,,Want 'k viid doch nooit worden, der goe to iin staat.”

                                     ****

,,Mar zoon! wur voar zouwe zo haaig ek op klieuwe?
,,Wie keime ommers hir op et eardriik wol blieuwe,
,,Iin Jezus wok sizze, der iis 't iin to viinden:
,,Hij heersche oer it wetter, Hii heersche oer de wiinden,
,,Want, mei eén word sprekken weér'n ze allebei stol."

                                      ****

,,En derbij geneesde er jitte ek vuele minsken;
,,Ass' Him er om vriggen, en dot van Him winsken
,,Den haalp er de minske, het kwaal 't er ek heé;
,,Ja asse iin Him leeuwden en Him er om baaden,
,,Den roapt er soms wur iin et libben de daaden:
,,'t Geschiedde altijd aanstons, as Jezus 't mar zee'."

                                      ****

,,Hir oen iis et ommers no duedlijk to morken,
,, (Want wa deé hir ooit zokke wondere worken?)
,,Dot Hij weér Gods Zoon, - en Hii koam hir om ues,
,,m ues mar to redden, om ues to biivriejen;
,,Om ues woed er sterwe, om ues woed er lieje,
,,Om ues joeg er Him ek vriiwollig oen 't krues.”

                                      ****

,,Het weér dat en liefde, dot Hij ues biitoonde!
,,Dii 't om ues to redden, him zem naat vorschoonde
,,Het leit er no ek en vorpligting op ues.
,,Wii mutte ek iin vreénschip mei ealk no vorkeere,
,,En naat vreéje, het dot ze tiinke of leere:
,,Wii heere hir boppe doch allegaar tues.”

                                     ****
,,No, zoon! et word zoetjes ek tied dot we gane.
,,As wii hir den no mar nei libje en dwane,
,,Den word dizze dei mooglik nuttig voar ues.
,,De zonne dii riest ek al haaig uet de kiimmen;
,,Lik schei derom no mar ris uet mei miin riimmen;
,,Kom, staan den mar op, en den gaan we nei hues."

                                    ****

Uut “ Taalproeven van Hindeloopen"

Reageer op dit bericht

Hylper volklied


HYLPER VOLKSLIED

Wor iss op earde en laand to viinden
Dot zok en koninginne het;
Jo’t iin jer dwaan en iin jer leéten
Altiid op rogt en oenrogt let;

Jo’t nooit gin kwesje mei jer boerren
of eénig minske zeékje zol;
Mar, om de vrede to biihaalden
Altiid wol graaig het to joan wol;

Ja, om de oarlog to ontkommen,
As’t moglik iis, earst dweit jer best;
En os jo dot naat ken vorkrieje,
Den steet geliik en paal so fest.

Den ’t haad wol beat oon grate magten,
Ja somtiids wol oon twa geliik,
Jin’t jer iin strekte vier oertreffe;
Want jo het mar en heel lik riik.

En as de nood biigont te naaikjen,
Dot immen tjen jer mekket twist,
Den roentut tjen jer volk doot te sizzen:
“Hir boppe iis mien lot beslest”.

En mei één wink as jo’t biijerrit.
Vorscheidne toezen man zogt staen,
Jint’t jem vriiwollig zem oonbaedde,
Om voar jer iin de daa to gaan.

Die lêve koningin’ iis uesses,
Jo’t mei jer deugt jer troon versiert
Leét us den no ek noglik waeze,
Omdot men joe jer jeédei viert.

Kom, dot wii jer gesoendheid songe,
Jer prins en born, ja ‘t heele hof
En alle jin, dot ues regeerje,
Gelok en zegen, eer en lof:

Reageer op dit bericht

Winter 1887-1888

Oer de winter van 1887 op 1888.

De zommer wead vorbie,
De heast die koom ien 't laand.
Ealk dee zien best mei varren,
De eene die broat koal.
Of cocus,of takken, wurum
oaren koamen mei zaand.
In heel graat schip, mei
turf, koam ut zee vorbie 't Zoal.

De winter koam,en
voorré wead van alles,
De Granen voor de Bakkers
Jin koamen ek op 'e tied,
De leste turf, diet no
jitte vor de wal ies,
Die blieuwt er oer,
zoo praten ze al om stried.

Et wetter dot waad ies,
Mar men ko toch naat riede,
Want it snee, koam hir en
der bie heele bulten del.
Men hee no niks to
As op 'e breagen glide,
Of geengen den wor staan,
Op 't Aest ien 't citadel.

Mar no koom it feest just oan,
De bon hir ut de schoale,
Jin rieden,om un pries
In moai gezigt,'t krioele.
't wead aadig om te zean,
Wa 't hadste dot ko dwaan.
Die 't zem naat riede woat,
Die blieuw tog even staan.

Mar ho kot wead de wolle,
Ho kot it plezier.
't Begoan wor to teijen,
En vut wead de tier.
De Syl die koam epen,
En 't ies geeng wor vut.
Wie heejen 't leawer naat,
Mar de commissaris ze 't mut.

De boaten jin vadden wor
Binnen en buten.
Dot joeg wor vortenst
En 't dee ek vortuten.
De arbeides geengen
Mei fliet wor nei 't feald
Der komt wor un winter
Mei un heel strenge keald.

En de 't wie de vriedes
en
de sneuntemoans op koamen,
De waed of ze alle
lust jitte ontnoamen.
De oastewiend die bleeste
us mei kracht om 'e leden,
Want workelik, der wead
hest gin minsche tovreden.

Hest veertig man,zoog men
mei krodden en schoppen.
Want streeten en weegen,
't wead alles opstoppe.
En huzen,en baimen,zoo
wol bute, as ien 'e steê.
't Het alles een kleur kriege,
't koom van de snee.

En jimme! he jimme mei
de winter jitte op.
Of zis jimme, as iek,
kom voarjier,kom op.
Want alles ies no zoo
bedrukt en zoo treurig.
En komt et voarjier,
den ies et ten easten wor fleurig.

En no goade vreanden
Tienk jimme zo as lek
Den geat schielik ealk
Mei de schoppe nei de diek,
Gin winter, gin snee, gin
Ies meer mar zommer,
En dot ealk de gaauw
Oan de doebeltjes mei komme.


Uut de "Garuda" van Maart 1979.
van A.T.Bakker.

Reageer op dit bericht

De Struners by naet


Toelichting op onderstaand gedicht "Strûners by naet".

Dat jongelieden, die verkeering met elkander hebben, met andere zoodanige paren een gezelschap vormen, om nu en dan een vrolijken avond of nacht door te brengen, in een daartoe afgehuurd of eigen lokaal, -- dit gebruik, dit uitgaan om te vrijen, is nog niet afgeschaft. Dat jongelingen zich naar het huis begeven, waarin zich een gezelschap meisjes bevindt, om daar met haar tot laat in den nacht vrolijk te zijn,-- daarvan heeft ROOSJEN eene even eenvoudige als natuurlijke schildering gegeven in het hierachter voorkomende vers: Hûnlipper Houmanhou of Vastenavond, met de eigenaardige woorden der volkstaal.

Om eerst toegang tot een meisje te bekomen, was het gebruikelijk, dat de jonginan eene bejaarde weduwe uitnoodigde, de baan voor hem bij het meisje en hare ouders klaar te maken. Werd hem het verlangde bezoek toegezegd, dan vond hij de vrijster op een bepaalden avond in het achtergebouw of Lytshuus hem wachten. Ten einde haar vrij te houden, gaf hij haar geld om een en ander te halen, veelal bij of door de weduwe, die daar al voor gezorgd en hiervan mede haar voordeel had. Kwam hij spoedig eens weder, dan was dit een goed teeken; maar liet hij lang op zich wachten, dan vermminderde de hoop. Zoodra dit kortgaerdjen echter door andere vrijers ontdekt werd, vonden deze er genoegen in om het paar te storen, waarom men altijd bedacht was het licht zóó te plaatsen, dat men het buiten niet kon zien, Het verzoek van den struner om toegelaten te worden, of om enkel zijn pijp aan te steken, kon soms niet worden geweigerd, dewijl eene weigering ligt aanleiding gaf tot allerlij baldadigheid en kattekwaad, gelijk op meer plaatsen in Friesland waar dit struunjeijen bekend is.

Uit: Merkwaardigheden van Hindeloopen


De strûners by naet

Kóm jûnges, wy solle faniend
Es ferm oen it strúnen.
Yk wet in heel geselskip
Faniend yn ‘t op ‘e Toenen
Kóm, eet ús earst es nei De Krim,
En der in slókjen drynke.
Of wol'me löuwer nei De Swan
En der es mei'nerm klynke.
Tynkt jimme dot naat goo,
Den kriie wy mear moo.
En beste klaere jeneaver,
En yk traktearje as 't wêze mut.
Kóm staen nó naat te sangerjen
Kóm jûnges, kóm nó furt.
En jé kómen op it strúnersplak,
It wied alles tiaster búten.
Jê keken almar óm en óm
En Jê kloppen oen 'e rûten.
Geart see: 'Der binne têen!
Jan see: 'Leet my ris sên'.
'Waraitsjes!' rôpte Stóffel,
"k Hear jerm rabbeljen ûnder elkerm':
'Wy wolle gin strúners hewwe,
Wy bliuwe mei ús sem.
Mar jitte degen jê jer' best
Om yn 'e hûs te kómmen.
Mar al jerre smeaken jooch jerm naat;
Jê kôsten búten brómme.
Jê waarden tyge kwaa,
Jê skreauden jerm hael daa.
Jê skódden oen 'e feensters
En je klóppen tyge oen 'e dór.

Mar alles kôst naat hêalpe,
Der seten skettels fór.

Herkomst gedicht onbekend
Reageer op dit bericht

Meer van Hylpen likje stea oen it Yselmor

↑ Terug naar de berichten