|
25/1 Ik moest de wereld waarschuwing vooraleer ik ga - Great Miracles Avenue
Martin heeft uitgezaaide kanker, en heeft nog een week te leven. De diagnose van agressieve kanker werd 2 jaar geleden vastgesteld en er was geen kans op genezing. Hij had dagen dat de pijn ondraaglijk was. Bij de laatste controle op 22/1 bij de dokter kreeg hij s’nacht een ontmoeting met de Heer. Hij was atheïst geweest. Hij geloofde niet dat God bestond, niet in de Hemel en Hel. Hij geloofde dat alles kon uitgelegd worden door wetenschap, logica en rede.
Hij dacht dat na de dood men enkel tot stof terugkeerde en verder niets meer. Hij gaf kritiek op pastors die online preken hielden. Hij zag religie iets om de mensen te controleren. Hij geloofde dat bidden nutteloos was en geloof een teken van zwakheid. Hij werd naar de Hel en de Hemel gebracht om er getioge te zijn van vreemde gebeurtenissen. Hij kreeg de missie deze boodschap te delen.
Hij hoorde bij de terugkeer van de laatste controle een innerlijke stem die hem zei te bidden en zich tot God te wenden om hem nog te kunnen redden. Maar hij was koppig en weigerde. Maar die nacht kreeg hij een BDE toen hij bewusteloos naast zijn bed viel. En het moment dat hij stief zag hij overal demonen in zijn huis. Ze lachten luid en bespotten hem. Ze zeiden dat ze hem hadden misleid te geloven dat er geen God was. Ze zeiden dat hij nu tot hen behoorde. De demonen sleepten hem mee naar buiten, het huis uit. Sommigen bespotten me, sommigen plaagden me, sommigen noemden me een dwaas. De grond opende zich plotseling en ze sleepten hem mee in een diepe afgrond die eindeloos leek.
De man: We reisden lange tijd totdat we een plaats bereikten waar ik een ondraaglijke hitte voelde en dikke rook zag. De demonen die me daarheen brachten, gaven me over aan een nieuwe groep demonen en zeiden dat ze terug naar de aarde gingen om te jagen op meer zielen. Ze klaagden dat christelijke evangelisten hun werk moeilijk maakten door zielen voor God te winnen en dat dit tegen hun wil inging, omdat ze ook evangelisten voor Satan waren en ze ook zielen voor hem moesten winnen. Toen besefte ik dat alles wat ik geloofde verkeerd was.
Zodra ik overgeleverd was, verlieten ze de plaats en werd ik geketend met brandende metalen doornen die mijn lichaam doorboorden. En hoewel het door mijn lichaam heen drong, was er geen bloed. Maar de pijn was ondraaglijk. Op die plaats zag ik miljoenen mensen lijden. Ze waren in verschillende secties ingedeeld, als niveaus. Elke sectie had zijn eigen straf. Ik werd naar een plaats gebracht die bedoeld was voor mensen die God belasterden. Ik huilde en had spijt van alles. Ik schaamde me zelfs om God te aanroepen. Na enige tijd hield het lijden plotseling op. Ik begreep niet hoe of waarom, maar alles werd stil.
De hitte was er nog steeds, maar voelde ver weg. Toen veranderde het beeld. Ik was niet langer op dezelfde plaats. Ik stond op een afstand, alsof ik ergens hoger en voor me ver weg was geplaatst, maar heel duidelijk kon ik de Hemel zien. Ik wist meteen dat het de Hemel was. Niemand hoefde het me te vertellen. De poorten stonden wijd open. Ze waren niet gesloten. Ze werden niet bewaakt op een manier die eng aanvoelde. Ze stonden open alsof ze altijd al op mensen hadden gewacht om binnen te komen.
Het licht dat van binnenuit kwam was zuiver en helder, maar het deed geen pijn aan mijn ogen. Het was kalm. Het was vredig. Het voelde schoon aan op een manier die ik nog nooit eerder had ervaren. Ik bleef staan. Ik durfde niet dichterbij te komen. Ik voelde me niet waardig om een stap te zetten. Ik bleef gewoon staan en keek. De plaats was onbeschrijflijk mooi, maar ik zal proberen het eenvoudig uit te leggen. Alles leek levend. De grond zag er schoon en helder uit. De lucht voelde licht aan. Er was geen pijn.
Geen angst, geen ziekte, geen gehuil. Ik voelde vrede uit die plaats komen als een golf. In de Hemel zag ik mensen, niet veel. Vergeleken met wat ik in de Hel had gezien, waren het er maar heel weinig. In de Hel had ik miljoenen mensen zien lijden, schreeuwen, huilen en gestraft worden. Maar in de Hemel zag ik er maar een klein aantal waren. Dat schokte me diep. Ik stond daar na te denken over hoeveel mensen er op aarde zijn en hoe weinig er in die plaats van vrede waren. De mensen in de Hemel zagen er anders uit.
Ze waren niet ziek. Ze waren niet zwak. Ze waren niet verdrietig. Hun gezichten straalden van vreugde. Ze glimlachten op een manier die echt en oprecht aanvoelde, niet geforceerd, niet nep. Ze zagen er vrij uit. Ze zagen er compleet uit. Ze zagen eruit alsof ze niets tekortkwamen. Ik zag engelen om hen heen bewegen. De engelen behandelden hen met grote eerbied. De mensen werden behandeld als koningen en koninginnen. De engelen dienden hen met respect en vreugde. Niemand huilde. Niemand was bang. Niemand klaagde. Iedereen daar zag er tevreden en gelukkig uit. De mensen in de Hemel aanbaden God. Ze hielden niet op.
Ze aanbaden Hem voortdurend. Maar het leek niet op werk. Het leek op vreugde. Het leek natuurlijk. Het leek iets wat ze wilden doen. Terwijl ze aanbaden, kon ik geluiden horen die zacht en mooi waren. Het was geen hard lawaai. Het was geen verwarring. Het was harmonie. Ik kan niet volledig beschrijven hoe gelukkig die plaats was. Maar één ding weet ik zeker. Iedereen die daar binnenkomt, zal nooit meer weg willen. Er was geen herinnering aan pijn, geen herinnering aan ziekte, geen herinnering aan verlies.
Al het slechte was verdwenen. Het voelde alsof die plaats was hoe het leven altijd bedoeld was. Ik kon dit alles voelen, zelfs toen ik ver weg was van daar. Terwijl ik daar stond te kijken, begon mijn hart te kloppen van de pijn. Niet van pijn, maar van verlangen. Ik wilde dichterbij komen. Ik wilde een stap vooruit zetten en zien. Ik wilde in die plaats zijn. Maar toen ik probeerde te bewegen, lukte het niet. Het was alsof iets onzichtbaars me tegenhield. Ik keek naar mezelf en zag dat mijn kleren vuil en bevlekt waren. Ze zagen er donker en onrein uit. Toen begreep ik waarom ik niet dichterbij kon komen.
Ik wist zonder dat het me verteld werd dat niets onreins die plaats kon betreden. Ik voelde me beschaamd. Ik voelde me blootgesteld. Ik voelde me onwaardig. Ik stond daar verstijfd, kijkend naar de Hemel en wetende dat ik er niet in kon komen. Die pijn was dieper dan het lijden dat ik in de Hel voelde. De spijt was zo ondraaglijk. De wetenschap dat iets zo moois dichtbij was, maar onbereikbaar, brak me vanbinnen. Toen hoorde ik plotseling een luide stem. Die kwam niet uit één richting. De stem kwam van alle kanten tegelijk. De stem riep mijn naam: Martin. De stem riep mijn naam zeven keer.
Elke keer dat de stem sprak, drong ze diep door in mij. Ze was vastberaden, maar niet boos, krachtig, maar niet hard. Toen de stem sprak, werd alles stil. Toen zei de stem: "Je hebt nu de Hemel en de Hel gezien. Je hebt nu de waarheid gezien waar je je tegen verzette." Terwijl de stem sprak, begon ik zoete klanken te horen. Zachte melodieën volgden de stem. Het klonk als aanbidding. Het klonk alsof de Hemel zelf God eerde. Het was zuiver en rein. Ik wist dat het het geluid was van de Hemel die de allerhoogste God aanbad.
De stem ging verder en zei dat ik terug moest gaan en me moest bekeren. De stem zei dat ik anderen moest waarschuwen. De stem zei dat het niet lang meer zou duren voordat de Zoon van God zou terugkeren naar de aarde voor het oordeel. De stem zei dat de klok voor de mensheid reeds lang geleden was stilgestaan maar vanwege de genade van de Heer hadden mensen extra tijd gekregen om zich te bekeren. Toen zei de stem: "De extra tijd is bijna voorbij." De stem zei dat Jezus niet lang na mijn ontmoeting naar de wereld zou terugkeren. Daarna vervaagde alles.
Toen werd ik wakker. Wat ik die nacht zag veranderde me volledig. Vandaag ben ik niet meer dezelfde persoon als ervoren. Na wat ik heb gezien weet ik dat de dood niet het einde is. Het is een doorgang. En waar je na die doorgang heen gaat, hangt af van hoe je leeft hier. Sinds die dag heeft mijn hart geen rust meer gevonden. Mijn gedachten dwalen steeds terug naar wat ik zag. Ik kan de pijn, de angst en het lijden in de Hel niet vergeten. Ik kan de kreten van mensen niet vergeten die smeekten om een tweede kans. En ik kan de vrede, de vreugde en de schoonheid van de Hemel niet vergeten.
Hoewel ik er niet in kon, wens ik nu meer dan wat ook dat ik God eerder in mijn leven had gekend. Ik wou dat ik hem ernstig had genomen. Ik wou dat ik had geluisterd toen mensen spraken over bekering en redding. Ik dacht dat ik de tijd had. Ik dacht dat ik de controle had over mijn leven. Maar nu weet ik dat het leven fragiel is en dat tijd niet aan iemand is beloofd. Ik geloof dat God me kan genezen nu, als Hij dat wil. Ik weet dat Hij de macht heeft om dat te doen. Ik heb Zijn macht gezien. Ik twijfel er niet meer aan. Maar zelfs als Hij mij niet geneest, zelfs als mijn leven eerder eindigt dan ik verwacht, wil ik me nog steeds bekeren.
Ik wil nog steeds zoeken naar verlossing. Mijn grootste verlangen is nu niet om genezen te worden, maar om in het reine te komen met God. Ik wil niet meer terug naar die plaats in de Hel. Ik wil die kwellingen en straffen nooit meer meemaken. Geen pijn op aarde kan vergeleken worden met wat ik daar voelde. Geen enkel lijden hier kan je voorbereiden op die plaats. Als je daar eenmaal bent, is er geen ontsnapping. Er is geen tweede kans. Er is er geen genade meer. Die angst is nu echt voor mij. Het is iets wat ik zelf heb meegemaakt. En daarom, kies ik ervoor om me te bekeren. Ik kies ervoor om me af te wenden van mijn oude leven. Ik kies ervoor om te zoeken God terwijl ik nog leef. Ik wil God kennen voordat ik sterf. Ik wil dat mijn leven Hem toebehoort.
Ik wil dat mijn zonden vergeven worden. Ik wil dat mijn naam geschreven staat in het boek van het leven. Zelfs als mijn lichaam zwak is, zelfs als mijn dagen kort zijn, wil ik dat mijn ziel veilig is. Als mijn woorden iemand kunnen bereiken die nog leeft en ademt, dan smeek ik je dit niet te negeren. Wacht niet tot het te laat is. Ga er niet vanuit dat je meer tijd hebt. Ik dacht ook dat ik meer tijd had. Ik heb gezien waar de weg van opstand leidt. Ik heb gezien wat degenen die God verwerpen te wachten staat. En ik heb gezien de vrede die wacht op hen die Hem toebehoren. Daarom kies ik voor bekering. Daarom kies ik voor verlossing. En daarom spreek ik nu, zolang ik dat nog kan.
|