|
27/1 Ik was 10 min in de Hemel - Great Miracles Avenue
Christelijke moeder: Mijn zoon was op internaat en vorig jaar in december kreeg ik een telefoontje van een leraar. Hij schreeuwde in zijn slaap, alsof iemand hem achterna zat. De andere studenten werden wakker van het lawaai. Sindsdien is mijn zoon veranderd. Hij praat in zichzelf en soms staart hij gewoon naar een muur voor lange tijd. Mensen zeggen dat hij gek is geworden. Ik ging naar de school en toen ik mijn zoon zag, wist ik dat het iets spiritueel was. Van in het begin van dit jaar begon ik te vasten en te bidden. Maar het werd erger en mijn zoon is nu in een psychiatrie opgenomen. Het doet mij enorm pijn.
Vorige week kreeg ik een sterke ingeving. Het voelde aan alsof ik moest ophouden te smeken en bidden, maar dat ik God moest aanbidden. En ik begon enkele eenvoudige aanbiddingsliederen te zingen. Ik zei God dat ik Hem vertrouwde, zelfs al begreep ik de toestand niet. Ik weet dat God goed is zelfs in tijden van miserie. Daarna voelde ik een warme lucht rond mij en ik was vredig. Toen toonde de Heer mij iets. Ik heb altijd geloofd dat God sprak door mensen. Maar ik dacht nooit dat ik dit zou ervaren.
Die dag was ik niet aan het slapen en ik had een visioen. Mijn lichaam was in mijn kamer, maar mijn ziel werd ergens anders meegenomen. Ik had Hem een half uur geprezen en vertelde Hem hoe heilig en goed Hij was, ondanks de toestand van mijn zoon. Het eerste wat ik zag was mijn kerk. Het was hetzelfde kerkgebouw waar ik samen met mijn familie naar de kerk ga. Ik herkende het altaar. De kerk zat vol mensen. De dienst was aan de gang. Mensen zongen. Sommigen baden. Het zag er normaal uit. Toen veranderde het tafereel snel. We waren niet langer binnen in de kerk.
Iedereen was buiten. Wij allemaal. We stonden in een lange rij, als mensen die op het punt stonden een wedstrijd te lopen. Mannen, vrouwen, jongeren, oude mensen, zelfs kerkmedewerkers. Iedereen was er. Iedereen had iets in zijn hand. Het leek op een estafettestokje. De kerkleiders stonden voor iedereen. Ze zagen er ernstig uit. Toen hoorde ik een fluitje. Toen het fluitje klonk, begon iedereen zo hard mogelijk te lopen. Ze liepen hard alsof er iets heel belangrijks op het spel stond. Het voelde alsof alleen de winnaars beloond zouden worden. Terwijl ze liepen, kwam er een instructie in de geest.
Ze moesten het stokje doorgeven aan de mensen voor hen om het te delen, om het door te geven. Maar er gebeurde iets pijnlijks. Veel mensen weigerden hun stokje over te geven. Ze hielden het stevig vast. Sommigen keken achterom. Sommigen verborgen het. Sommigen liepen alleen en negeerden anderen. Ze wilden niet delen. Terwijl ik toekeek, gaf de Heer mij inzicht. Ik wist in mijn hart wat het stokje was. Het stokje was het woord van God. Het was het evangelie van Christus, de boodschap van verlossing. De Heer zei: "Veel mensen hebben het Woord ontvangen, maar ze weigeren het te delen. Ze houden het voor zichzelf. Ze genieten er alleen van. Het kan ze niet schelen dat anderen sterven zonder het te horen."
De Heer zei: "Dit is hebzucht." Aan het einde van de race werden beloningen uitgereikt. Alleen degenen die hun stokje deelden, degenen die het doorgaven, ontvingen prijzen. Maar zij die weigerden te delen, kregen niets. Zelfs geen beloning. Toen ze dit beseften, begonnen ze allen te huilen. Ze huilden luid. Ze hadden spijt. Ze smeekten. Maar het was te laat. Toen ik dit zag, begon ik zelfs in het visioen te huilen. Ik begreep dat dit niet alleen over kerkgangers ging, maar over gelovigen, overal. Het was een waarschuwing. Daarna veranderde het tafereel opnieuw. Plotseling zag ik de Hemel. Ik heb niet eens de juiste woorden, maar ik zal proberen het uit te leggen. De Hemel was heel mooi.
Het licht daar was niet zoals zonlicht. Het was zacht maar heel helder. Alles zag er schoon uit, heel schoon. De grond leek op helder glas, maar het was stevig. Er heerste overal vrede. Geen lawaai, geen angst, geen pijn. Ik voelde rust in mijn hart, alleen al door daar te staan. Ik zag kleuren die ik normaal niet op aarde zie. De lucht voelde levendig aan. Ik voelde vreugde. Ik voelde vrede zonder te slapen. Alles daar zag er geordend uit. Niets was kapot. Niets was gehaast. Ik voelde alsof de tijd niet hetzelfde was als op aarde. Toen gebeurde er iets. Mijn ogen werden dieper geopend.
Ik weet niet hoe ik dit moet uitleggen, maar het voelde alsof ik meer mocht zien dan normaal, zelfs meer dan engelen konden zien. Toen zag ik iets in de lucht hangen. Het was een heel grote klok. Niets hield de klok vast. Hij hing er gewoon. Op de klok zag ik een sticker. Hij was duidelijk. Er stond 2026 op gedrukt. Ik kon het duidelijk lezen. De lange wijzer en de korte wijzer van de klok begonnen te veranderen. Ze werden heel snel dikker. Het voelde ernstig, alsof de tijd zwaar werd. Toen begon ik dingen in de klok te zien, zoals scènes die zich afspeelden. Het eerste wat ik zag waren lege stadions, heel grote stadions, geen mensen. Maar alles was in chaos. Stoelen waren kapot.
De plaats zag er versplinterd uit, alsof er iets vreselijks was gebeurd. Het leek op verwoesting. Niets was meer in orde. Onmiddellijk besefte ik het. Ik wist dat het om het aankomende WK ging. (Het WK 2026 vindt plaats op 11 juni tot en met 19 juli 2026 in Canada, Mexico en de VS.) Ik wist dat het verwoest zou worden. Ik begreep dat het niet goed zou aflopen vanwege de oorlog. Mijn hart werd zwaar. Toen veranderde het beeld weer. Ik zag het water snel stijgen, tsunami's, grote golven. Ik zag vuur uitbreken op plaatsen. Ik zag aardbevingen die de grond deden schudden. Het gebeurde in Amerika, in sommige delen van Europa en Azië. Gebouwen stortten in. Mensen vluchtten.
Veel levens gingen verloren. Veel huizen werden verwoest. Het was zeer verwoestend. Ik wilde mijn ogen sluiten, maar ik kon het niet. Toen kwam de laatste scène. Deze deed me het meeste pijn. Ik zag hongersnood. Het hele land was uitgedroogd. De grond was gebarsten. Er was geen voedsel, geen gewassen, geen oogst. Mensen zochten overal naar voedsel. Maar er was niets. Oude mensen stierven. Kinderen stierven. Veel dieren stierven. Vee stierf. Het was heel pijnlijk om te zien. Mij werd ingegeven dat deze hongersnood langer zou duren dan alle andere gebeurtenissen. Het zou aanhouden. Het zou niet snel voorbijgaan. Ik wist dat God zei: "De tijd is bijna voorbij."
Na dit alles vervaagde de klok langzaam. De Hemel werd weer stil. Ik bleef daar een paar minuten alleen. Ik was niet bang. Mijn hart klopte snel, maar er heerste vrede om me heen. Toen zag ik plotseling een engel. Hij verscheen duidelijk. Hij zag er niet boos uit. Zijn aanwezigheid was kalm en krachtig. Ik kan zijn gezicht niet goed beschrijven. Maar ik wist dat hij door God was gezonden. Toen hij sprak, was zijn stem zacht maar vastberaden. Hij zei tegen me: "Ga terug en leg je handen op je zoon." Hij zei: "Je zoon zal genezen worden." Toen ik dit hoorde, sprong mijn hart op. Ik wilde weer huilen, maar ik hield me in.
Ik geloofde zijn woorden. Voor het eerst in lange tijd voelde ik hoop in mijn hart komen. Toen liet hij me een andere plaats in de Hemel zien. Het was een tuin. Deze tuin was heel mooi. Ik zag veel soorten groenten en fruit. Ik zag dingen die vers groeiden en vol leven waren. Alles zag er gezond uit. Niets was verdord. Niets ging dood. De engel zei tegen me: "Je moet een van deze dingen in je achtertuin verbouwen." Hij zei: "Wanneer de hongersnood begint, zal de Heer je achtertuin beschermen en zegenen." Hij zei dat alles wat ik daar zou planten, goed zou groeien en vrucht dragen. Maar hij waarschuwde me duidelijk.
Hij zei: "Verbouw geen gewassen ergens anders, alleen in je achtertuin." Toen gaf hij me nog een instructie. Hij vertelde me voedsel op te slaan. Hij zei: "Ik moet veel meel, rijst, honing, bonen en tarwe opslaan." Hij sprak langzaam, zodat ik het zou onthouden. Toen zei hij iets dat me verbaasde. Hij zei: "Voeg geen suiker of geen zout toe om voedsel te bewaren." Daarna vertelde hij me mijn plicht. Hij zei: "Ik moet naar de kerk gaan en het vertellen." Hij zei: "Ik moet ze zeggen dat ze zich moeten voorbereiden." Hij zei: dat ze bereid moeten zijn hun staf, dat is het Woord van God, met anderen te delen.
Hij zei dat ze niet egoïstisch moeten zijn met het Evangelie. Hij zei ook dat ze dezelfde voedingsmiddelen moeten inslaan en dat ze geen suiker en zout moeten toevoegen. Toen hij uitgesproken was, werd het weer stil. Toen kwam ik plotseling weer bij mezelf. Ik was terug in mijn kamer. Ik zat op de vloer. Ik keek om me heen en realiseerde me dat ik de hele tijd volledig wakker was geweest.
|