|
25/1 Verschijning van de Koning der Barmhartigheid - Manuela in Sievernich
Ik zie een grote gouden lichtbol, en twee kleinere gouden lichtbollen die links en rechts van de grote in de lucht zweven. De grote lichtbol bevindt zich in het midden. Een prachtig licht straalt ervan naar ons toe. De grote gouden lichtbol opent zich, en ik zie de Koning der Barmhartigheid in het licht. Hij draagt het gewaad en de mantel van Zijn Kostbaar Bloed en Zijn gouden koninklijke kroon. Op Zijn gewaad zie ik gouden lelieranken en een grote gouden mantelrand met lelies. In Zijn hand draagt Hij een grote gouden scepter met een robijnen kruis erop. In Zijn linkerhand draagt Hij de Vulgaat.
Nu openen de twee kleinere lichtbollen zich, en twee engelen komen uit deze gouden lichtbollen tevoorschijn in eenvoudige, stralende, witte gewaden. Zij nemen de mantel van de Koning der Barmhartigheid en spreiden die over ons uit, terwijl ze zingen. Wij zijn beschut in deze mantel als in een tent. De heilige engelen zingen: “Zie Hem, die door niemand geëvenaard kan worden, Rex Caelestis, Hij stierf voor jullie aan het kruis: Rex Caelestis…”
De Koning der Barmhartigheid zweeft dichter naar ons toe, en de heilige engelen leggen hun koninklijke mantel neer en knielen voor de hemelse Koning. De Koning der Barmhartigheid kijkt naar ons neer en spreekt:
In de naam van de Vader, en van de Zoon – dat ben Ik – en van de Heilige Geest. Amen. Geliefde familie, zo mag Ik jullie noemen, want Ik kom dagelijks tot jullie in het Heilig Misoffer, en daar geef Ik jullie Mijn Lichaam en Mijn Bloed. Als je dit aanvaard, behoor je tot Mijn familie! Leef in Mijn liefde, in de heiligende genade. Vandaag ben Ik uit de hemel tot jullie neergedaald om jullie Mijn liefde, Mijn zegen en Mijn verlossing te schenken.
Ik ben de Hogepriester van de Eeuwige Vader, Ik ben de Zoon van God, en Ik kom tot jullie in de gedaante van een Kind, en toch ben Ik een Koning. Ik ben de Koning der Barmhartigheid. Bij de doop van Johannes heeft de Eeuwige Vader van Mij getuigd, en zie wat de apostelen over Mij hebben gezegd.
Nu opent Hij de Vulgaat in Zijn hand, en ik zie daarin de eerste en tweede hoofdstukken van de brief aan de Hebreeën:
Hoofdstuk 1: Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten, maar nu de tijd ten einde loopt heeft hij tot ons gesproken door zijn Zoon, die hij heeft aangewezen als enig erfgenaam en door wie hij de wereld heeft geschapen. In hem schittert Gods luister, hij is zijn evenbeeld, hij schraagt de schepping met zijn machtig woord; hij heeft, na de reiniging van de zonden te hebben voltrokken, plaatsgenomen aan de rechterzijde van Gods hemelse majesteit, ver verheven boven de engelen omdat hij een eerbiedwaardiger naam heeft ontvangen dan zij.
Tegen wie van de engelen heeft God immers ooit gezegd: ‘Jij bent mijn zoon, ik heb je vandaag verwekt’? Of: ‘Ik zal een vader voor hem zijn, en hij voor mij een zoon’? Maar wanneer hij de eerstgeborene de wereld weer binnenleidt, zegt hij: ‘Laten al Gods engelen hem eer bewijzen.’ Over de engelen zegt hij: ‘Die zijn engelen inzet als windvlagen, en zijn dienaren als een vlammend vuur.’
Maar tegen de Zoon zegt hij: ‘God, uw troon houdt stand tot in alle eeuwigheid, en de scepter van het recht is de scepter van uw koningschap.Gerechtigheid hebt u liefgehad en onrecht gehaat; daarom, God, heeft uw God u gezalfd met vreugdeolie, als geen van uw gelijken.’ En ook: ‘In het begin hebt u, Heer, de aarde gegrondvest, en de hemel is het werk van uw handen.Zij zullen vergaan, maar u houdt stand, ze zullen als een gewaad verslijten, als een mantel zult u ze oprollen, als een gewaad zullen ze worden verwisseld; maar u blijft dezelfde, en uw jaren zullen geen einde nemen.
’Tegen wie van de engelen heeft hij ooit gezegd: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, tot ik van je vijanden een bank voor je voeten heb gemaakt’? Zijn zij niet allen dienende geesten, uitgezonden om hen bij te staan die deel zullen krijgen aan de redding?
Hoofdstuk 2: Jezus en zijn broeders en zusters
Daarom moeten wij al onze aandacht richten op wat we gehoord hebben, dan zullen we niet uit de koers raken. Want als het door engelen gesproken woord al zo veel rechtskracht bezat dat op elke overtreding en ongehoorzaamheid een rechtmatige straf volgde, hoe zullen wij dan aan die straf ontkomen wanneer we geen acht slaan op de zoveel meer omvattende redding die begonnen is met de woorden van de Heer, en die voor ons bevestigd werd door hen die deze woorden hebben gehoord?
Ook God zelf getuigde daarvan, door tekenen en wonderen en allerlei grote daden te verrichten, en door de gaven van de heilige Geest overeenkomstig zijn wil te verdelen. Welnu, de komende wereld, waarover wij hier spreken, heeft hij niet onder het gezag van engelen gesteld. Veeleer geldt dit getuigenis, ooit door iemand afgelegd: ‘Wat is de mens dat u aan hem denkt, het mensenkind dat u naar hem omziet? U hebt hem voor korte tijd lager dan de engelen geplaatst; u hebt hem met eer en luister gekroond, alles hebt u aan hem onderworpen.’
Doordat hij alles aan hem onderworpen heeft, rest er niets dat niet onder zijn gezag is gesteld. Dat alles aan hem onderworpen is, zien wij echter nu nog niet; wel zien we dat Jezus – die voor korte tijd lager dan de engelen geplaatst was opdat zijn dood door Gods genade iedereen ten goede zou komen – vanwege zijn lijden en dood nu met eer en luister gekroond is. Want om vele kinderen in zijn luister te laten delen achtte God, voor wie en door wie alles bestaat, het passend de bereider van hun redding door het lijden naar de uiteindelijke volmaaktheid te voeren.
Hij die heiligt en zij die geheiligd worden hebben een en dezelfde oorsprong, en daarom schaamt hij zich er niet voor hen zijn broeders en zusters te noemen wanneer hij zegt: ‘Ik zal uw naam bekendmaken aan mijn broeders en zusters, u loven in de kring van mijn volk.’ Zo zegt hij ook: ‘Ik zal steeds op hem vertrouwen,’ en verder: ‘Hier sta ik met de kinderen die God mij gegeven heeft.’ Omdat die kinderen mensen zijn van vlees en bloed, is de Zoon een mens geworden als zij om door zijn dood definitief af te rekenen met de heerser over de dood, de duivel, en zo allen te bevrijden die slaaf waren van hun levenslange angst voor de dood.
Het moge duidelijk zijn: hij is niet begaan met het lot van engelen, hij is begaan met het lot van de nakomelingen van Abraham. Daarom moest hij in alles gelijk worden aan zijn broeders en zusters; alleen dan zou hij in aangelegenheden tussen God en zijn volk een barmhartige en betrouwbare hogepriester zijn, die verzoening bewerkt voor hun zonden. Juist omdat hij zelf op de proef werd gesteld en het lijden volbracht heeft, kan hij ieder die beproefd wordt bijstaan.
De Koning der Barmhartigheid kijkt ons aan en spreekt:
Welke openbaring is groter dan die van de Zoon van God? Ik heb Mij aan jullie geopenbaard, en Ik openbaar Mij vandaag opnieuw, want Mijn Woord leeft, zoals Ik leef! Ik was, Ik ben en Ik zal er voor eeuwig zijn. Wie daarom zegt dat alle religies hetzelfde zijn, kent Mij niet! Ik ben de Zoon van de Eeuwige Vader.
Nu neemt Hij de scepter naar Zijn hart, dat ik nu open zie liggen op Zijn borst, levendig kloppend boven Zijn kleed. Op dit hart zie ik een vlam met een kruis erop. Zijn scepter wordt het aspergillum van Zijn kostbaar, levend Bloed van Zijn Hart. De Koning der Barmhartigheid besprenkelt ons en allen die van verre aan Hem denken, en het zal tot ons heil strekken: In de naam van de Vader, en van de Zoon – dat ben Ik – en van de Heilige Geest. Amen.
M.: “Heer, heb medelijden met ons!”
Dan vraagt de Koning der Barmhartigheid om de volgende gebeden, en wij bidden:
O mijn Jezus, vergeef ons onze zonden, behoed ons van het vuur van de hel, leid alle zielen naar de hemel, vooral hen die Uw barmhartigheid het meest nodig hebben.
Koning der Barmhartigheid, schenk ons de genade van heiligheid en genezing. Stort de genade van vrede uit over alle harten.
Koning der Barmhartigheid, schenk ons de genade van heiligheid en genezing.
De Koning van Barmhartigheid naar ons en spreekt:
Als je doet wat Ik je zeg en om vrede smeekt, zal er vrede zijn! Heilig je daarom en zondig niet meer. Bekeer je van je zonden in het sacrament van de Heilige Biecht, want het verzoent jullie met Mij! Blijf niet steeds maar weer stilstaan bij wat je hebt gedaan. Bekeer je en zoek verzoening met Mij door dit heilige sacrament.
Denk eraan dat Ik de Koning van Barmhartigheid ben. De aanklager is Satan. Dat ben Ik niet! In de sacramenten van Mijn Kerk, waarin Ik woon, kun je Mij vinden. Kom en zie de schoonheid van Mijn openbaring in de Heilige Schrift en zie de schoonheid die Ik je schenk bij Mijn komst. Wat je ook hebt gedaan, kom tot Mij, en Ik zaljeu in Mijn armen sluiten! Ik ben de Barmhartige, zoals is opgetekend. Denk hieraan!
De Hemelse Koning wijst mij er nu op dat dit is opgetekend in een inscriptie op de kelk van Zijn Laatste Avondmaal, die wordt vereerd in de Kathedraal van Valencia: “de Barmhartige.” De Koning der Barmhartigheid hecht grote waarde aan de genade van barmhartigheid. Barmhartigheid is belangrijk voor Hem, net zoals het belangrijk voor Hem is dat wij barmhartig zijn voor elkaar. Hij spreekt ons verder toe: Reinig je harten en bid om vrede! Vaarwel!
M.: “Vaarwel, Heer!”
De Koning der Barmhartigheid zegent ons nogmaals bij ons vertrek: In de naam van de Vader, en van de Zoon – dat wil zeggen, Ik – en van de Heilige Geest. Amen.
M.: “Geprezen zij Jezus Christus tot in eeuwigheid! Amen.” Dan keert de Hemelse Koning terug naar het licht, en de engelen doen hetzelfde. Allen verdwijnen.
|