Naar de inhoud

Vlaamse dialecten

akke.beakke.be

Nederlandstalige dialecten

 < De hoofdpunten van deze site vind je aan de linkerkant!

 Klik op onderstaande buttons voor dialect per Provincie of Gewest 
 ∇
mijn prentje

mijn prentje


mijn prentje


mijn prentje


mijn prentje


mijn prentje

mijn prentje


mijn prentje


mijn prentje


mijn prentje

P57-005b37df763ad60e8d8bbf923e32b7c6.jpg

 37162.jpg

mijn prentje

mijn prentje

mijn prentje

mijn prentje

mijn prentje

mijn prentje
 ^ Je bevind zich nu hier ^
mijn prentje

 mijn prentje
 


Senioren site

mijn prentje

mijn prentje


mijn prentje


 mijn prentje 

 ^ Wekelijks nieuwe evenementen Informatie! ^

Cijfers - Ontstaan van cijfers Hoeveel cijfers zie jij? Leg het eens uit!

Cijfers


175555.jpg 

> Cijfers (https://nl.wikipedia.org)   

Het ontstaan van cijfers
> Het ontstaan van cijfers (powerpoint)    
 > Het ontstaan van cijfers (www.google.be)  

 Hoeveel cijfers zie jij?

Kijk goed Hoeveel cijfers je kan waarnemen!  
Klik daarna op onderstaande link of je het juist aantal cijfers waargenomen hebt.

166088.jpg

> Waarneembare cijfers (word-document)   


Leg het eens uit!

 166074.jpg

> Leg het eens uit (powerpoint)   

 button

Gemeente spotnamen en hun ontstaan (deel 1)

 

Gemeente spotnamen en hun ontstaan (deel 1)
 
Spotnamen, spotverhalen, domme gezegden en geestigheden hebben
altijd bij de mensen in een hoge gunst gestaan. De mens heeft steeds
heel gaarne met zijn nabuur gespot! Zulks was reeds het geval in de
oudheid. Tijdens de middeleeuwen en later ging het er al even erg
aan toe. De naijver en afgunst die onze gemeenten bezielden was
misschien wel de hoofdoorzaak van de gegeven spotnamen. Een tweede
reden waaraan het ontstaan van spotnamen te wijten is, was de
afzondering van de verschillende plattelandsdorpen. Er was gebrek
aan gemeenschapswegen en er waren ook geen verkeersmiddelen. Onze
voorouders bleven steeds binnen de perken van hun eigen gemeente en
ze kwamen zelden of nooit in contact met de bewoners van andere
dorpen, zodat ze mekaar voor vreemdelingen aanzagen. Dit alles gaf
aanleiding tot wederzijds wantrouwen en onderlinge vijandschap. Om
met de bewoners van de nabij gelegen dorpen te schimpen, nam men
alles te baat. De kleinste gebeurtenis, het minste feit, werd
verdraaid, vergroot en rondgebazuind. Deze feiten lagen dan meestal
aan de basis van de spotnaam. Onze voorouders waren beslist niet
kieskeurig met het kiezen van hun namen. Sommige schimpnamen waren
wel wat plat en realistisch. Eens de spotnaam in voege, werd deze
dan overgeleverd van geslacht tot geslacht.  

De bijnaam van de Bruggelingen is Brugse zotten. Deze bijnaam danken
ze aan volgende legende: nadat ze Maximiliaan I van Oostenrijk voor
een tijd gevangen hadden genomen, verbood deze het houden van een
jaarmarkt en andere festiviteiten. In een poging om hem te sussen,
hield Brugge voor hem een groot feest en vroeg daarna voor de
toelating opnieuw een jaarmarkt te houden, belastingen te mogen
innen én ... het bouwen van een nieuw zothuis. Hij antwoordde: Sluit
alle poorten van Brugge en je hebt een zothuis!.
 
Tussen haakjes aanduiding van de provincie.
Onder de link schuilt het ontstaan van de spotnaam.

A
Aaigem (O): Aaigemse boeren
Aalst (L.): tijlozen
Aalst (O): ajuinen, de draaiers, voile janetten.
Aalter (O.): gekkers (= spotters)
Aarschot (B.): kasseistampers.
Aartselaar: kleiboeren.
Achterbroek (Kalmthout-Wuustwezel) (A.): kwarten
Akkergem-Gent (O.): koolkappers
Alken (L.): vliegeneters
Alsemberg (B.): trapschijters, klokluiers.
Alveringem (W): Anderlecht (B.): boeren van Sint-Wijen
Antwerpen (A.): sinjoren, pagadder.
Anzegem : gapers.
Appelterre (W): toebakboeren
Ardooie (W.): " steek de mood "
Arendonk (A.): telouwerel'ers (bordenlikkers), tsjoeker, kousenwevers.
Asse (B.): kazakken, koekenvers
Assenede (O.): kasseibijters, saluuts (= vissoort)
Avelgem (W.): ruggenaars
Averbode:
 
B  
Baaigem (O.): rotzitters (= krot, armoede)
Baal: kiekenfretters
Baardegem (O.): varinkdorsers (= varensdorsers)
Baasrode (O.): kalfeters (in verband met scheepswerf)
Balegem (O.): haringeters.
Balen (A.): messevichters, kerkenkruiers.
Bambrugge: geitenmelkers.
Bassevelde (O): ezels
Bavegem: (toren)schijters
Bavikhove (W): bruieters
Bazel : bazelse bulten
Beaumont: de rovers van Beaumont
Beek (L.): de "gruun", Duivel verhindert man toverboek in den ove te
gooien.
Beernem (W.): beren
Beerse (A.): zatlappen, paret ters
Beersel (B.): kèèsboeren, paret-ters.
Beerze (A.): brekken (= grote mieren)
Bekkerzeel (B.): broodfrèters
Bekkevoort: terpentijntrekkers.
Bellegem (W.): waterratten
Bellem (O.): papeters
Belsele (O.): klokkelappers.
Berendrecht (A.): reigers.
Beringen (L.): pintvegers (= drinkers)
Bergen-op-Zoom: krabben.
Berlare (O.): heikrekels, puitenslagers, kantgaarders.
Bertem (B.): tuisers (paardenhandelaars)
Beselare (W.): toveressen, heksen.
Bever (H.): stoefers
Beveren (A.): puitslagers.
Beveren-aan-Leie (O.): bonenklakkers
Beveren-Waas (O.): geitekoppen,puitslagers
Beverst (L.): koekenbakkers
Bilzen (L.): pootsteerters, stoepenkijkers,trotwaarlopers.
Blankenberge (W.):duinenslapers, butten, geernaarts
Bocholt (L.): torenkruiers.
Bonheiden (A.): grote mannen
Boom (A.): hondenfrètters
Boorsem: jutten
Borgloon (L.): strooplekkers,appelvreters, appelstoters, appelstokers.
Bornem (A.): boskrabbers.
Bosvoorde (B.):bezembinders .
Bouwel (A.): bladerendabbers
Bovekerke (W.): ratten
Branst (A.): vliegende geiten, zandstuivrs.
Brasschaat (A.): kapittelmakers.
Brecht (A.): mastentoppen,struiven.
Bree (L.): langoren, kwaartjeslimmers, stoepluipers.
Breendonk (A.): mëttens (jonge kalveren)
Breivelde-Grotenberge (O.): steenezels
Brugge (W.): Brugse zotten., hanze.
Burst: stro-ze(i)kers
Brussegem (B.): afkloppers
Brussel (B.): kiekenfretters, ketjes.
Brustem (L.): lijnen broeken
Buggenhout (O.): bosuilen
Buvingen (L.): lawijdmakers

C
D 
Dadizele (W.): pompeschitters.
Daknam (O.): hottentotten.
Damme (W.): zuipers.
Deftinge (O.): raapeters
Deinze (O.): koordenmakers
Denderbelle (O.): koeien
Denderhoutem (O.): turfboeren
Denderleeuw (O.): scheepstrekkers.
Dendermonde (O.): kopvleesfretters, makeleters (= vissoort),
flauzenmakers, knaptanden, polydoorkes, scheepstrekkers.
Dentergem (W.): papeters .
Dessel (A.): wolspinners, heikneuters
Destelbergen: niks bekend
Desteldonk (O.): trotters (trot = appelmoes)
Diegem (B.): marktboeren
Diepenbeek (L.): schoverik, aanjagers
Diest (B.): mosterdschijters, loterbollen
Diksmuide (W.): beutereters (= boter)
Dilbeek (B.): konijnenfretters.
Dilsen (L.): gekken
Dormaal (B.): weervolven, vuurmannen
Drogenbos (B.): kèèskrabbers
Duras (L.): slaven
Dworp (B.): bosuilen, drankstoempers.
De Haan (W.): dennelopers
De Klijte - Reningelst (W.): keien
 
E  
Edegem (A.): afrijders, zonneblussers.
Edingen (H.): tietjes (van Jan-Baptist)
Eeklo (O.): dobbelgebakkenen, grebbeschijters, herbakkers.
Eikevliet (A): grote zwiet ze hebben een toren maar ge ziet hem niet.
Eindhout (A.): Enderste tutten
Eine (O.): wevers
Eisden (L.): bosberen
Ekeren (A.): bierpruvers.
Eksaarde (O.): blauwbuiken , witvissen
Eksel: bougezoekers
Elen (L.): vrijeleers (= twisters)
Elene (O.): dommeriken.
Elsene (B.): hondeknagers
Elversele: rostekoppen
Ename (O.): kletskoppen
Erondegem: plekkers.
Erpe (O.): palokeneters.
Erps: ezels, de heren van Erps.
Ertvelde (O.): peerdesaucieseters
Erwetegem (O.): pikkels, tekkers
Essegem (B.): Essen (A.): papeters, blazen (van vechten met
varkensblazen)
Essenbeek: zoavelkoppen
Essene (B.): papeters
Etterbeek (B.): botermelkzakken
Eupen: belgier
Everbeek (H.): bosuilen, kerkuilen
Everberg: perslekkers.
Evergem (O.): taatjespapeters (= aardappelpap)
Ezemaal (B.): ezels
 
F 
G  
Gaasbeek (B.): heren .
Galmaarden (B.): Brabantse patatten .
Geel (A.): zotten
Gellik (L.): heiklieten (= vogel)
Geluwe (W.): gapers.
Genk (L.): heikneuter
Genoelselderen (L.): loerjägers
Gent (O.): stroppen (stropdragers).
Geraardsbergen (O.): giezbaargen, bergkruiers
Gestel (A.): kloonsociëteiters
Gijzelbrechtegem (W.): bezembinders
Ginglegom: groenhalzen.
Gistel (W.): hovelingen
Godveerdegem: picarren , flierefluiters.
Gooik (B.): botermelkzakken, hespendrogers, teljoorlikkers, vechters.
Goteringen: moorkrabbers
Grembergen (O.): zandeters
Grimbergen (B.): kraaischutters
Grimde (B.): hanemannen
Grote-Brogel (L.): briemsnieërs ( braamsnijders)
Grotenberge (O.): ezels, savooistekken
Grote-Spouwen (L.): kalveren
Groot-Gelmen (L.): genannen.
 
H 
Haan (De) (W.): dennelopers
Haasdonk (O.): rostekoppen, kasseidieven.
Haaltert (O) stoefers, chiprioten
Halle (A.): pieren, vaantjesboeren
Halle (B.): vaantjesboeren.
Hamme (O.): wuiten , (= vogel) winten (= roetaard)
Hamont (L.): poelvulders, linnentoeters
Harelbeke (W.): scheepstrekkers, ratten
Hasselt (L.): lekkebaarders, vinstermikken,ossekoppen.
Hechtel (L.): koeketers
Heestert (W.): toveressen
Heist (W.): keuns (= konijnen), verzeilders, Heistse zwanen
Heist-op-den-Berg (A.): achterblijvers, telaatkomers.
Hekelgem (B.): hopboeren, verkens, smeerders.
Heks : heksen
Heldergem (O.): lekkers
Helen-Bos (B.): berrevoetlopers
Hemiksem (A.): niks bekend
Herderen : koeien
Herdersem: meiviskoppen, walen.
Herderen: Herent (B.): bezetenen
Herentals (A.): klokkeververs, pee stekers, nestbedervers,
toefelaars, melkteilen, papscheten, papklossers, nestzitters.
Herenthout (A.): stoeters.
Herfelingen (B.): langoren
Herve: boeren
Herzele (O.): ganzenwachters, markaangasten.
Heule (W): de kouden.
Hillegem (O.): potlekkers
Hingene (A.): eters .
Hoboken (A.): strontscheppers, beerschippers
Hoeilaart (V-B): doenders , kolenbrander, eierzuiper, spekdief,stoefers
Hoelbeek (L.): heksen.
Hoestel (L.): doornkappers
Hoevenen (A.): gansrijders
Hoogstraten (A.): spilzakken .
Horpmaal (): titers.
Houthalen-Helchteren (L.): luizenverkopers
Houtvenne (A.):stekkebijters.
Hove ( A.):kèèskoppen.
Huizingen: de heren van Huizingen.
Hulste: rijstpekkers
Hulsthout (A.): vichters,torenboeren.
Humbeek (B.): brassers
 
I  
Ichtegem (W.): kakkernest
Iddergem (O.): tovenaars.
Idegem (O.): zweetvoeten
Ieper (W.): kinders, het gaperke, keikoppen, kattekoppen
Impe (O.): omleegvallers.
Ingelmunster (W): brigands
Izegem (W): pekkers.
 
J  
Jette (B): spiegelmannen.
 
K  
Kachtem (W.): rosten.
Kalken (0.): hunkerboeren, unkerzakken, (- pap met roggebrood)
Kalmthout (A.):heikneuters.
Kanegem (W): niet-weters.
Kanne (L): witters.
Kapellen (A): randgevallen.
Kapel-op-den-Bos (B.): neusmakers
Kaprijke (O.): groeningen.
Kasterlee (A.): pompoenpapeters.
Kaulille (L.): slippendragers
Keerbeergen (B.): riemers (= messenvechters), zandjannen
Keiem (W.): keikoppen
Kemmel (W.): gapers.
Kerkom (B.): schreeuwers van den boskant
Kessenich:ertesjieters.
Kester: boenstriepers
Kiel: ratten.
Kieldrecht (O.): koutermollen
Kleine Spouwen (L.): Geiten
Kinrooi (L.): duvelskoel.
Klerken (W.): reizigers.
Klinge (De) (O.): dodden, koutermollen, lomporen, voddenrapers.
Kluizen (O.): guêrtrekkers (= slijktrekkers)
Kluisberg: valsmunsters.
Klijte (De) - Reningelst (W.): keien
Knesselare (O.): moordenaars.
Knokke (W.): Duinenslapers, Duinezeekers, Polderasten, Wulloks
Kobbegem (B.): koppigaards
Koksijde (W): brasser.
Komen (W.): drapeniers
Koningshooikt (A.): houtrovers
Koninksem (L.): saladeboers
Kortenaken (B.): kinderen
Kortenberg: waterheren.
Kortijs (L.): kappermans (drinken bier met kappers), ennebsiters
Kortrijk (W.): pastei-eters, Leiepissers,ennebiters
Krombeke (W.): bosketen
Kuurne (W.): ezels.
Kwaadmechelen (L.): krèmers
Kwaremont (O.): luizen
Kwerps: boeren.
 
L  
Laar: mouton
Laarne (O.): messentrekkers , ganzendrijvers.
Laken (B.): boeren
Lanklaar (L.): zavelknuipers.
Lauw (L.): gekken
Lebbeke (O.): voddemannen
Lede (O.): hovaardige boeren.
Leeuwergem (O.): stoefers, vortzakken (= rotzakken ), dommeriken.
Letterhoutem (O.): varkens
Lembeke (O.): savooien, gapers
Lennik: strobranders, windheren.
Leut ( L.): korenmussen
Leuven (B.): pietermannen, koeienschieters
Lichtaart (A.): kwezels
Liedekerke (B.): stad Berrevoets, messentrekkers
Lieferinge (O.):beddezekers
Lier (A.): schapekoppen.
Liezele (A.): pieren
Lillo (A.): krabbenvangers
Linkebeek (B.): moeile douwers.
Lippelo (A.): gedeisterde patatten (= gestampte)
Lissewege (W.): ezelboeren
Lo-Reninge (W.): composteters
Lochem: koolhazen.
Loenhout (A.): pezeriken.
Lokeren (O.): rapenbraders.
Lombardsijde (W.): duinkeuns (= konijnen)
Lommel (L.): bezembinders, heikappers
Londerzeel (B.): kiekenpoeliers
Lot (B.): pensen, plaaggeesten
 
M  
Maarheze: kattenuil.
Maaseik (L.): gapers, knapkoeketers , heksen
Machelen (B): gadeluineboeren.
Maldegem (O.): broodmessen, wildjagers
Malderen: papzakken
Malle (A.): joden.
Mariekerke (A.): de heren van Sint Amands.
Marollen: schieven architekt.
Massenhoven (A.): vliegenstovers
Mater (O.): vechters
Mazenzele (B.): bezembinders
Mechelen (A.): maneblussers.
Mechelen (L.):. muggenblussers.
Meer (A.): wringers
Meerbeek: papboeren.
Meerbeke (O.): gipsheren(= flierefluiters)
Meerdonk (O.): kletskoppen, stuifkoppen, stuifbollen..
Meerhout (A.): meerkatjes.
Meerle (A.): mastentoppen
Meeswijk (L.): briggelhanen (= brood uit onrijp koren)
Meeuwen: de alvermannekens van Meeuwen.
Mere (0.): papboeren.
Meise (B.): klotboeren
Melle (O.): dikke nekken.
Melsele (O.): pijpkens
Membruggen: waterratten
Mendonk (O.): palingstropers
Menen (W.): magenwielvangers
Merchtem (B.): houten ballekens, theedrinkers
Merksem (A.): stroboeren.
Merksplas (A.): spalkers, spetters
Mesen (W.): dikkoppen
Messelbroek (B.): kalotten
Merelbeke (O): achterworstigge
Meulebeke (W.) Turken
Meuzegem (Wolvertem) (B.): bosuilen
Michelbeke (O.): pronkers (= spaarders)
Middelburg (O.): ketelboeters (= ketellappers)
Mielen (L.): eters
Millen (L.): snuifdozen, kattenvillers
Minderhout: papboeren
Moerbeke-Waas (O.):smeerkoeketers
Moerzeke (O.): pruimen
Mol (A.): soepbeners, sopweikers, kortoren
Molenbeek: vaartkapoen.
Molenbeersel (L.): pierenland
Moorsel (O.): boksers
Moortsele (O.): platte borzen
Mopertingen (L.): papzakken
Mortsel (A.): zotten.
Munsterbilzen (L.): kabuiskoppen (van kabuiskolen)
 
N  
Namen (N.): escargots
Neeroeteren (L.): kolven (= knuppels)
Neerpelt (L.): wolvenschieters.
Nekkerspoel : mestrapers
Nevele (O.): moordenaars.
Niel (L.): kerk van Niel (betekent bij het kaartspel : kaarten
zonder één " beeldeken ")
Nieuwenhove (O.): grijzers.
Nieuwenrode (B.): toekkers (= wildstropers), visfretters
Nieuwerkerken (O.): schapenkoppen, lompe boeren
Nieuwkapelle (W.): muggenblusser
Nieuwkerken (O.): schapenkoppen
Nieuwpoort. (W.): schrobben (=vissoort)
Nijlen (A.): sparrijders.
Nijvel: aclots.
Ninove (O.): wortelmannen, kaffeegieters, wortelkrabbers,
steksesmannen, voddenmannen.
 
O
Oelegem (A.): Oelegemse brakken (= grote mieren).
Oevel: biechtstoel.
Okegem (O.): hoppewinders .
Olen: de boeren van Olen.
Onkerzele (O.): toverheksen
Oombergen (O.): gersbuikers
Oordegem (O.): polkaboeren
Oorderen (A.): karotenbuter (in verband met de teelt van
cichoreiwortels)
Oostakker (O.): savooistekers.
Oosteeklo (O.): geitenpoepers
Oostende (W.): platen, pladijzen (= vissoort.), Schollen
Oosterzele (O.): groenbuiken, zeiktelen
Oostmalle (A.): joden.
Oostvleteren (W.): smouteters
Opglabbeek (L.): brouwers.
Ophem: halve wilden
Ophoven (L.): kinderen van -.
Oplinter (B.): wannessen
Oppem-Wezembeek (B.): halve wilden
Opwijk (B.): drinkers
Orsmaal (B.): engwörpers (eendenwerpers)
Ossel: bèren.
Oten (A.): (lompe) boeren
Ottergem: advocaten.
Oudegem (O.): gierigaards
Oudekapelle (W.): muggenblissers
Oudenaarde (O.): boneknagers, kiekens
Overmere (O.): smouters .
Overpelt. (L.): blazers (baanvorm van toren)
Overijse (B.): doenders (= koeksoort)
 
P 
Pajottenland: kersenboeren.
Pamel: arjaunen.
Panne (De) (W.): puzzieschieters .
Park (B.): zwaantjes
Paulatem (O): Paulatemse puitenrijders.
Peer (L.): muggenblussers.
Perk (B.): wildstropers
Peutie (B.): slappe benen.
Pollare (O.): troteters (= appelmoes)
Poperinge (W.): krombenders,keikoppen, heisnijders, langoren
Poppel (A.): krombenders.
Pulderbos (A.): stokslagers
Pulle (A.): heikneutes
Putte (A.): mattenbreiers, verbrande Puttenaars
Puurs (A.): kipkapfretters .
 

Gemeente spotnamen en hun ontstaan (deel 2)

 

Gemeente spotnamen en hun ontstaan (deel 2)

R  
Ramsdonk (B.): opgeslagen broeken
Ramsel (A.): poleerddabbers
Ratte: kortoren
Ravels (A.): pieren
Rekem (L.): gekken
Relegem (B.): groenvinken
Ressegem: emmers, lompe boeren van Ressegem
Retie (A.): kortoren, klaplopers.
Riemst (L.): éénwinters (= éénjarig kalf), koeien, lepkens, loerjagers
Rijkevorsel (A.): papboeren,kleidabbers.
Riksingen (L.): kersenplukkers
Rode:voetbrander
Roeselare (W.): sulferdoppers, vechters.
Rollegem (W.): bot Rollegem.
Ronse (O.): slekkentrekkers, (in verband met de Fiertel) ,zotten.
Rossem (Wolverlem) (B.): bosuilen
Ruisbroek (A.): kaballen. (oude versleten paarden)
Rummen: boeren.
Rumst (A.): lazaruskens (vereniging H. Lazarus)
Rupelmonde (O.): muggenblussers
 
S  
Schaarbeek (B.): ezels
Schaffen: koeistetten (koeienstaarten) Scheldewindeke (O.): platte
beurzen
Schellebelle (O.): maantjes (Reus heette maantje)
Schendelbeke (O.): jeneverdrinkers
Scherpenheuvel (B.): kaarskatten,kladder.
Schilde (A.): rakkers, rabauwen (vechtersbazen)
Schoonbeek: pettemboeren.
Schoonderbuken: bezembinders.
Schuiferskapelle (W.): naar S. gaan (= vertrekken)
Sinaai (O.): schinkeleters
Sint-Agatha-Berchem (B.): lastigen.
Sint-Agatha-Rode (B.): padden
Sint-Amands (A.): kipkap
Sint-Antonius: varkenskoppen
Sint-Antonius (Brecht) (A.): verkenskoppen , rakkers , houtmaaiers.
Sint-Denijs-Westrem (O.) : sint-Denijsers
Sint-Eloois-Winkel (W.): rijstkakkers.
Sint-Genesius-Rode (B.): bezembinders
Sint-Gillis (B.): kolenkappers
Sint-Gillis (O.): sprinters
Sint-Gillis-Waas (O.): eiertrappers .
Sint-Goriks-Oudenhove (O.): kraaienest, preibuiken
Sint-Huibrechts-Lille (L.): windmakers
Sint-Job-in-'t-Goor (A.): bosuilen
Sint-Joris-ten-Distel: lattenklevers.
Sint-Kattelijne-Waver (A.): (onversaagde Jan) kadodders
Sint-Kwintens-Lennik: windheren, strobranders.
Sint-Kruis-Winkel (O.): savooistekken
Sint-Kwintens-Lennik (B.): strobranders
Sint-Lennaarts (A.): leempikkers, kleipikkers
Sint-Lievens-Esse (O.): kwezels (met zwarte kousen)
Sint-Lievens-Houtem (O): broekwassers.
Sint-martens-Lennik (B): boeren
Sint-Niklaas (O.): rapenbraders, oliezekers, blauwselmannen
Sint-Pieters-Lille (A.): krawaten.
Sint-Truiden (L.): kiekeneters, bink
Stabroek (A.): ajuintrappers.
Stalhille (W.): beslagmakers
Stavele (W.): rosten
Steendorp (B.): mosterdpotten.
Steenhuffel (B.): klotboeren.
Steenokkerzeel (B.): kaasboeren.
Steendorp (O): mosterdpotten.
Stekene (O.): blauwbuiken, vechters, baanstropers
Stokkem (L.): mandenmakers
Stokrooie (L.): zo zuiver als de klater (kerkschaal) van S. (= bezit
niets meer)
Strijtem (B.): waterdrinkers
 
T  
Temse (O.): azijnzekers,tuysschers.
Teralfene (B.): Turken, zotten
Tergnée : vampieren.
Terhagen (A.): rotte-hondenvreters
Terheiden (A): torenboeren.
Ternat (B.):kalen,zomerheren, Stom Loummek, zot Wammek, kaal Ternat,
3 parochies van den hond zijn gat
Tielt (W.): lijnwadeniers.
Tienen (B.):boterpotten, kwèkers., verkensblussers .
Tisselt (A.): lijkenpikkers, raaien
Tollembeek (B.): hanezoekers .
Tongeren (L.): mussen, trullen (= ovaalvormige tarwekoekjes),
trullebakkers, vlaaieters, vlaaischijters.
Torhout (W.): boffers
Tremelo (B.): zandstuivers, messentrekkers, messen-vechters,
kiekenfretters.
Turnhout (A.): binken, muggenblussers
  
U  
Uitbergen: teutemensen.
Uitkerke (W.): dessers (= dorsers)
Ukkel (B.): rattenfretters
Ulbeek (L.): loerjagers
 
V  
Vaalbeek (B.): broodfretters
Val-meer: knabbeneire
Veldwezelt (L.): wortelzekskes, verkens
Velzeke-Ruddershove (O.): moordenaars, beneknagers, bedelaars
Verrebroek (O.): filippen, kerkschijters.
Veurne (W.): Veurnse slapers,, keikoppen
Viane (O): strontraper
Vichte (W.): zwijnkot
Vilvoorde (B.): pjeierefretters
Vinkt (O.): stinkers (Vinkt-stinkt)
Vlamertinge (W.): plaatsekraaien, brandhazen
Vlekkem (O): zop-eters
Vlezenbeek (B.): kersenboeren .
Vlijtingen (A): witte kamezollen
Vlimmeren (A.): peggers, Stad Worst.
Vollezele (B.): hengstemans (paardefokkers), boschverkens.
Voorde (O.): jeneverdrinkers, puitrijders
Voormezele (W.): paptelen
Vorst (A.): pootzakken .
Vorst (B.): hondenfretters
Vosselaar (A.): messenstekers .
Vrasene (O.): bulten
Vrijbos (Het) (W.): bosketen, buskanters (gemeenten waarover het
Vrijbos zich uitstrekte)
Vroenhoven: sokkeleire
 
W  
Waanrode (B.): torendraaiers.
Waardamme (W.): waaromme
Waarschoot (O.): brouweters (koeksoort), geitenpoepers
Waasmunster (O.): hespeneters
Wakken (W.): waterheren .
Waltwilder (L.): judaswilder
Wambeek (.): klaverboeren.
Wannegem-Lede (O.): kludde met zijn bellen
Watou (W.): schotters (= schutters)
Waregem (W): gèsloeties.
Weelde (A.) (zie Poppel)
Weert (A.): slijkneuzen, rogstekkers, heksen.
Welden (O.): Welle (O.): vrekken, duivetjes
Wellen (L.): bokkenrijders.
Wenduine (W.): ezels
Wervik (W)): slapers.
Westerlo (A.): kale heren
Westmeerbeek (A.):karleespoorders.
Westrem (O.): ophangers
Westvleteren (W.): kersemoeseters
Westerlo (O.):flierefluiters.
Wetteren (O.): mosselmans, haringfretters
Wevelgem (W.): lopers
Wichelen (O.): 1) schooiers.
2) schooiers.
Wiekevorst (A.): kiekenpoten
Wieze (O.): zotten, vliegeneters
Wijnegem (A.): "aambras "-makers (twisters)
Willebroek (A.): waterratten, lijkenpikkers, vaartkapoenen.
Wilrijk (A.): geitekoppen.
Wintam (A.): kazakken .
Wingene (W.): gouden ring
Wondelgem (O.): kerremelkzekers
Wortegem (O.): penen boeren
Woubrechtegem (O.): zotten
Wulveringen (W.): zottekot
Wuustwezel (A.): hörten (= moeszeikers) .

X 
Y 
Z 
Zaffelare (O.): beseboten.

Zandhoven (A.): mastentoppen.
Zandvliet (A.): kieviten .
Zegelsem (O.): ponkers
Zele (O.): kloddezak.
Zellik (B.): onstuimigen
Zelzate (O.): beseboten, polkaheren
Zemse-Laar (B.): honden
Zerkegem (W.): zandlopers
Zeveneken (O.): katoenpletsers.
Zevergem (O.): tsuurkenszuipers (= halve pintjes), appelmoesfretters
Zichem (B.): heren (de heren van Zichem)
Zichen-Zussen-Bolder (L.): schildpadden
Zingem (O.): wannemakers
Zoerle-Parwijs (A.): heksen
Zoersel (A.): houtdraaiers .
Zonhoven (L.): zon
Zottegem (O.): mergelspensen, zotten, stoofmakers,
beslagmakers,theezeikers, ,schoenmakers.
Zoutleeuw (B.): waterratten
Zuienkerke (W.): vlasbinders
Zutendaal (L.): (zoet)
Zwevezele (W.): paptelen
Zwijndrecht (A.): machuten.

 

Dialect moppen

Dialect moppen

♦ West-Vlaamse dilect moppen
Juul, 85 joar, ligt ip zin bedde in 't oedemannus. En ommetekè begunt ie do te roepen:

KOKSIEDE!!
.....
OSTÈNDE!!
.....
OOSTDUUNKERKE!!!
.....
BREININGE!!!
.....
DEN OANE!!
.....
MIDDELKERKE!!
....
en da goad azo mo deure toet da de verpleegstre komt aangestormd in zinne koamre.
Lap, Juul ad ol héil zin bedde ondergescheetn...
De verpleegster van: Moa Juul toch, aj nu achter de panne geroopn...
en Juul: godver, kkost er nie ipkomn!
**************************************************************************************
Tetten int westvlaamsch
Zoon:
"Moedre, oe skrievje tetten?"
Moeder:
"Emoa jongne, wuk nen parlee;
Woa voarn ejje gie da noadig?"
Zoon:
"Voar in mien ipstel van 't schole, kwille skrievn:
Voadre e nen nieuwn trekteur gekocht en
tetten nog niemand gezien".
**************************************************************************************
♦ Vlaams-Brabantse dialect moppen
Twee Brabanders
Zegt de een tegen de ander:

Zeg, lette gij ?gelijk wel us op oewn cholesterol?
Zegt de ander: Zekers wel, agg ik op de plee zit.
Aggij op de plee zit?
Joa, dan zit ik op de plee, k?k een bietje umme heen,
zie k gin pleepapier en dan denk k, goh... leste rol ...
**************************************************************************************
>>>
Je kent een goede mop in het Vlaamse dialect laat het ons weten: andreotte@hotmail.com

button

Meer van Vlaamse dialecten

↑ Terug naar de berichten