Van toen naar nu - 10


De Waalse socialist Jules Destrée
15 augustus 1912
De Waalse socialistische voorman Jules Destrée publiceert zijn Lettre au Roi : « Sire, (...) Vous régnez sur deux peuples. Il y a en Belgique, des Wallons et des Flamands ; il n'y a pas de Belges. »
"Sire, u regeert over twee volkeren. In België zijn er de Walen en de Vlamingen; er zijn geen Belgen."
Vanaf omstreeks 1910 krijgt de Waalse beweging nieuwe impulsen. Tot dan toe hebben alleen liberalen haar volop gesteund. Nu trekken de socialisten de leiding naar zich toe. Vooral de verkiezingen van 1912 vormen een kristallisatiepunt in de radicalisering en popularisering van de Waalse beweging. Een liberaal-socialistische kartel slaagt er niet in de al bijna dertig jaar regerende Vlaamse katholieke meerderheid ten val te brengen. Dit drijft de Waalse, antiklerikale frustraties op de spits.
Hierop schrijft Destrée zijn geruchtmakende brief aan de Koning. Hij dreigt daarin met een bestuurlijke scheiding (d.w.z. een splitsing van de rijksadministraties in een Nederlands- en een Franstalige afdeling) als de Walen nog langer gebukt moeten gaan onder de klerikale en Vlaamse tirannie. Het taalconflict krijgt steeds meer het karakter van een communautaire tegenstelling tussen Vlaanderen en Wallonië.
Het jaar 1912 kan worden beschouwd als dat van de doorbraak van de federalistische stroming in de Waalse beweging. Een federale staat is een staat waarin de soevereiniteit verdeeld is tussen de federatie (het centrale gezag) en de deelstaten (die namen dragen als kanton, provincie, gewest, gemeenschap), die ieder een eigen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht en eigen bevoegdheden hebben. De V.B. reageert afwijzend op de Waalse verklaringen.
Destrées brief toont ook aan hoe Walen en Vlamingen in de socialistische partij uit elkaar groeien. De Vlaamse socialisten hebben sinds de goedkeuring van de gelijkheidswet in 1898 een Vlaamsgezinde houding aangenomen in bijna alle parlementaire taaldebatten, vaak tegen hun Franstalige collega’s in. Vanaf 1909 mogen de socialistische parlementsleden dan ook vrij hun oordeel vormen over de Vlaamse kwestie. Na enkele jaren zal het Vlaamse socialisme de radicaliserende voorhoede van de V.B. volgen. Dat gebeurt onder impuls van Camille Huysmans.
1912
De Katholieke Vlaamsche Kamergroep, een bundeling van de katholieke Vlaamsgezinde Kamerleden, wordt opgericht.
In december 1907 krijgt de langzaam weggedeemsterde VKL (°1891) een nieuwe start onder de benaming Katholieke Vlaamsche Landsbond. Een nieuwe generatie Vlaamsgezinde katholieken onder de leiding van Frans van Cauwelaert is vastbesloten macht te verwerven in de katholieke partij. Van Cauwelaert richt een Katholieke Vlaamsche Kamergroep op, een bundeling van een twintigtal Vlaamsgezinde katholieke Kamerleden. Hij valt een jaar later naar aanleiding van de bespreking van de legerwet echter al uiteen, maar zal na de Eerste Wereldoorlog weer worden opgericht en grote invloed uitoefenen.
1913
Het Liberaal Vlaamsch Verbond wordt opgericht.
In de jaren onmiddellijk na de eeuwwisseling kennen de liberale kiesverenigingen in Vlaanderen een bloeiperiode. Met de invoering van de EV wordt de partij in Vlaanderen nieuw leven ingeblazen. Vanaf 1907 is er een opmerkelijk liberaal Vlaamsgezind reveil. Het stoelt op de aanvaarding van een Vlaamsgezind en democratisch programma (voor het enkelvoudig stemrecht) en krijgt vorm in de oprichting van Liberale Volksbonden en Vlaamsgezinde kringen. Die gaan de confrontatie aan met de franskiljonse liberale associaties en oudere meer gematigde Vlaamsgezinden. In 1912 komt het tot een eerste Liberaal Congres der Vlaamsche gewesten. Een jaar later wordt een overkoepelend Liberaal Vlaamsch Verbond opgericht, een organisatie die spoedig haar sporen als drukkingsgroep in de liberale partij zal verdienen. De bonden slagen er echter niet in de partij Vlaamsgezind te maken. De partijleiding blijft de Franstalige vaandeldrager van het Belgische nationalisme en accepteert het ‘Vlaams’ enkel als regionaal verschijnsel.
2 juli 1913
De eerste volwaardige taalwet op het leger wordt van kracht.
De laatste communautaire confrontaties voor de Eerste Wereldoorlog draaien rond het leger en het lager onderwijs. Tijdens de hele 19de eeuw krijgt de V.B. nauwelijks greep op de militaire hiërarchie. De meerderheid van de (onder)officieren en van de medische dienst is eentalig Frans. Daartegenover staat dat de meeste rekruten geen Frans kennen en door het systeem van de loting vaak tot de onderlagen van de bevolking behoren. Nergens is het misprijzen voor het Nederlands zo groot als in het leger. In 1887, naar aanleiding van de discussie over de opleiding in de Militaire School, wordt een amendement dat tweetaligheid van de officieren eist, wegggestemd. In 1909 stapt België af van het systeem waarbij recruten uitgeloot worden en gegoeden zich een plaatsvervanger kunnen ‘kopen’. Drie jaar later wil de regering een veralgemeende dienstplicht invoeren. Het wetsontwerp daarover bevat geen bepaling over het taalgebruik. De Vlaamsgezinden moeten nu kiezen tussen twee fundamentele opties: ofwel tweetaligheid van het legerkader ofwel eentaligheid door splitsing in Vlaamse en Waalse regimenten. Dat laatste blijkt onhaalbaar. In de uiteindelijke wet wordt voor de toekomst een graduele tweetaligheid van het legerkader aanvaard. De ontgoocheling in de V.B. is groot. De wet biedt weliswaar uitzicht op serieuze verbetering, maar intussen zouden nog 25 à 30 jaar Vlaamse soldaten door een groot aantal Nederlandsonkundige officieren worden opgeleid en bevolen.
19 mei 1914
De wet op het lager onderwijs van 19 mei 1914 is een teleurstelling voor de Vlaamsgezinden. Zij erkent weliswaar het principe voertaal=onderwijstaal in Vlaanderen maar met behoud van zekere faciliteiten voor Franstalige huisvaders en vooral ten koste van Nederlandstaligen in Brussel.
De legerwet van 1913 en de schoolwet van 1914 worden door de Vlaamsgezinde publieke opinie, in het bijzonder in de katholieke Vlaamsgezinde organisaties, op groot misnoegen onthaald. Het ongeduld over het uitblijven van serieuze taalwetten slaat bij een aantal Vlaamsgezinden om in verbittering. Deze malaise leidt tot een snelle radicalisering van de V.B. in de laatste maanden voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Werd het vanuit Wallonië gelanceerde idee van bestuurlijke scheiding in 1912 nog afgewezen, dan wordt het nu in enkele Vlaamsgezinde bladen en verenigingen bespreekbaar. De V.B. staat voor een wending: van een Vlaams-Belgisch naar een louter Vlaams-nationaal denken en van een cultuurnationalisme naar een politiek nationalisme. Tijdens de Eerste Wereldoorlog zal de Duitse bezetter inspelen op de gevoelens van frustratie en ongeduld. Ze vormen een belangrijke verklaring voor het ontstaan van het activisme.
Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging




















