
Bert Decorte in 1940
‘Evenals Carmiggelt maakte ik voor de eerste maal kennis met Elsschots werk door zijn gedicht “Het huwelijk”. Ik had nooit van de man gehoord, alhoewel hij al voor 1914-1918 de opvallendste dingen uit de Nederlandse literatuur van begin twintigste eeuw had gepubliceerd’, herinnert zich de dichter Bert Decorte. “Het huwelijk” maakte indruk op mij als jongen van twintig. Ik vond het even monumentaal als Multatuli’s toespraak van Max Havelaar tot de hoofden van Lebak. Elsschot schreef goed Nederlands zonder moeilijke woorden. In mijn verzen heb ik hetzelfde nagestreefd, doodgewone woorden tot poëzie maken, al deed ik soms het tegendeel.’
‘Elsschot sprak ik voor het eerst in 1938. De vijfjaarlijkse prijs van de Vlaamse provincies werd voor de eerste maal toegekend. Aan Elsschot. Bij de officiële ontvangst door het Bestuur van de Provincie Antwerpen werden ook de literaire onderscheidingen van het provinciebestuur bekend gemaakt. Als knaap van drieëntwintig werd ik gelauwerd als opvallendst debuterend poëet met de dichtbundel Germinal.’
Decorte en De Ridder stonden samen in de gelauwerden in het provinciegebouw aan de Schoenmarkt in Antwerpen. En Elsschot nam Decorte meteen voor zich in. Bij de prijsuitreiking rammelde de op dat moment Nederlandsonkundige baron Holvoet een van buiten geleerde speech in het Nederlands af. Tijdens de chique receptie volgden laureaten en enkele juryleden al gauw een kliekje. Elsschot vond –net zoals wij- de toespraak van Holvoet zo prachtig dat hij het begon te parodiëren. Met enkele zinnen. Grandioos! Applaudisseren konden we bezwaarlijk maar we hadden het allemaal graag gedaan. Op dat soort dingen, ook op Frans spreken in Gent, was Elsschot vreselijk gebeten. Tegen mij zei hij bij het afscheid: “Waarke zunne!”
De woorden, die zo uit de mond van boer Van Paemel uit het gelijknamige gezin van Cyriel Buysse konden zijn opgetekend, betekenden dat Decorte niet mocht blijven stilstaan bij een eerste succes. ‘Ik had misschien wat meer moeten werken’, zucht Decorte.
‘Toen Elsschot in 1932 het tijdschrift Forum achter zich kreeg, groeide zijn bekendheid, maar het heeft in Vlaanderen toch nog even geduurd voor men verder dan de catechismus kijken wilde.’
In 1949 wordt de Driejaarlijkse Staatsprijs voor verhalend proza toegekend aan Willem Elsschot voor Het dwaallicht. Op dat moment werkt Bert Decorte als opsteller bij de Algemene Directie van Kunst en Letteren, die ressorteerde onder het ministerie van Openbaar Onderwijs.
Decorte zit erbij namens de administratie, mocht oordelen noch stemmen, maar hoorde en zag alles. Zoals de volgorde van deze drie werken op de stembriefjes:
Elsschot: Het dwaallicht.
Gijsen: Joachim van Babylon.
Daisne: De trap van steen en wolken.
Daarnaast was Decorte redactielid van het Nieuw Vlaams Tijdschrift (NVT), van het eerste nummer (april 1946) tot 1964. “In de kringen waarin ik vertoefde was Elsschot een groot schrijver, die deed wat hij wilde. Elsschot was in de redactie van het NVT gekomen in 1949, maar men wist dat hij met dat literaire gedoe weinig te maken wilde hebben. Elsschot was redactielid honoris causa. Hij kwam nooit naar de vergaderingen. Ik weet niet eens zeker of hij de teksten voor het NVT ter beoordeling meelas.
Teirlinck had een eenvoudig systeem gevonden: twee redacteurs werden kopieën toegezonden. Beiden lazen en stuurden ja of nee door. Twee ja’s was ja, twee nee’s was nee. In geval van twijfel werd het aan een derde toegestuurd. De grote namen gingen er rechtstreeks in. Natuurlijk was de redactie tevreden met Het dwaallicht van Elsschot in het openingsnummer. Zoals we ook blij waren dat we kort daarna Joachim van Babylon hadden. Marnix Gijsen stond bekend als recensent, criticus en dichter, maar niet als schrijver van verhalend proza.”
Iemand als Elsschot werd niet beoordeeld. Behalve die ene keer dan met “Borms”. Er kwamen minder ja’s dan nee’s binnen. Sommigen hebben allicht geweigerd uit opportunistische overwegingen. Ik heb voor publicatie gestemd, in de veronderstelling dat Elsschot wist wat hij waard was.
Zelf heb ik in NVT in het begin meer gepubliceerd dan later, wegens omstandigheden. Het had wel tot gevolg dat ik mijn ontslag kreeg.
‘Elsschot is redacteur gebleven tot aan zijn dood.’
Decorte stelt nota’s op voor de minister van Openbaar Onderwijs – Schone Kunsten, zorgt voor de aankoop van 260 exemplaren van de respectieve titels Kaas, Tsjip en De leeuwentemmer om te verspreiden in de rijksinstellingen voor onderwijs en andere culturele organisaties. Zijn pleidooi voor officiële steun , van 8 april 1957, is belangrijk; hij beschrijft Elsschot als een schrijver die “ofschoon hij tot geen literaire beweging of school behoort en alles wat met het uiterlijk literatendom enig uitstaans heeft, mijdt en schuwt, in heel het Nederlandse taalgebied een naam en faam heeft verworven, die weinigen ten deel valt.” Elsschots schrijverschap vertoont volgens hem drie facetten: een zeer persoonlijke kijk op de dingen, een beheersing van de Nederlandse taal als niemand sinds Multatuli, de oorspronkelijkheid van de behandelde onderwerpen” Het komt tot een toelage voor de auteur van 60.000 frank in ruil voor 260 boeken.
Op 1 juni 1960 om halfelf begint de vergadering waaruit Elsschot als grote winnaar van de vijfjaarlijkse Staatsprijs ter bekroning van een schrijverscarrière – goed voor 150.000 frank zal komen. Teirlinck zei: “We gingen er zeker toch wel mee akkoord dat Elsschot die prijs aan Elsschot moest worden gegeven?” En iedereen zei ja.
Decorte, deze keer lid en secretaris van de jury, stelt de nota voor de minister op en bericht het agentschap BELGA van de posthume bekroning: ‘Al betekende posthuum de ochtend na zijn dood. De vergadering was woensdagochtend. Hij is dinsdag 31 mei 1960 overleden.
‘Elsschot kun je altijd lezen. “Het oeuvre is te klein”, hoor ik Claus nog zeggen. Ik vind dat kleine nou net een verdienste.’
Raymond
Vrij bewerkt naar "Een Man van Woorden" door Martine Cuyt
2 reacties op dit bericht
Haat...
Haat is geen schone zaak schopt enkel maar terug
als een boemerang.
Vol van gif en zucht naar wraak, terugkerend steeds
en patsend in 't gelaat van diegene die haatte.
Haat is verzengend. Tast enkel aan wie haatte
en gelijkelijk teert op gevoelens van anderen.
Haat laat wonden na, kerft als een mes in 't gemoed
van de hater.
Van diegene die de wonden niet genezen laat
doch erger maakt bij zichzelf, diegene die haatte.
Kristin – najaar 2009.
vechter voor zijn (onze) taal !