308 De Vlaamse banneling
Beiaardrecital op 1.12.2013 n.a.v. St.-Elooi
308 De Vlaamsche banneling
Wijze : Ma Normandie
Als alles weer vol lust en leven,
Vol kleurenpracht herboren wordt.
En zephirs door de hagen zweven
En zonneschijn weer weelde stort.
Wanneer uit vreemde, wilde streken,
De zwaluw ’t oude nest hervindt.
Voel ik mijn smachtend harte breken,
En ‘k word weemoedig als een kind.
Dan dwaalt mijn geest in droomgedachten
Terug naar ’t lieve landekijn
Waar lentezon en zwoele nachten
Een paradijs aan ’t scheppen zijn.
‘k Bereisde ’t Zuiden en het Noorden
Doch vond op aard geen plekje grond
Zoo schoon, zoo lief, als Vlaandrens oorden
Daar was het dat mijn wiegje stond.
Waar we ook het schone zochten
In kunstpaleizen rijk en fijn
We vonden Vlaamse kunstgewrochten
Waar vreemde naties fier op zijn.
Gij hadt reeds in de Middeleeuwen
De hoogste trap der kunst gemaakt.
O Vlaamse mannen, Vlaamse leeuwen,
Gij hebt de wereld schoon gemaakt.
Ik zie, ik zie in ’t schemerduister,
Van ’t lang verleden sterk en groot.
Die trotse steden in hun luister
Waaraan de wereld schatting bood.
Ik zie ’t Venetië van het Noorden
‘k Zie die van Gent ten strijde gaan
Ik hoor de taal der Scheldeboorden
En klokke Roeland storme slaan.
Er grijpt een eindeloze smarte
De moegestreden balling aan
Die met de wanhoop in het harte
Zijn offer ziet verloren gaan.
Treft hem de dood, in vreemde gouwen
Eer gij uw fierheid wedervindt
O Vlaamse mannen, Vlaamse vrouwen
Heeft hij u dan te veel bemind ?

