
Mijn blog over Brugge bestaat ruim twee maanden en ik had nog altijd geen fotootje van een kantwerkster getoond. Dat is bij dezen goedgemaakt. En het is een schoontje! Voor en in enkele kantwinkels kunnen we ze aantreffen, die kantwerksters die daar zitten louter om klanten te lokken. Je kan het vergelijken met Indianen in de reservaten die voor het schone geld van de toeristen nog eens in traditionele klederdracht een regendansje opvoeren. In tegenstelling tot die Indianen die al lang van de meeste van hun traditionele gebruiken afgestapt zijn wordt hier in Vlaanderen wel degelijk nog gekantklost. Maar tegenwoordig is het meer een hobby geworden die dikwijls prachtige werkjes kan opleveren. Kijk maar eens bij
Claudette of bij
Gisela. Het blijft hoe dan ook een vrouwenjob. De jongens en mannen die het 'spellenwerk' beoefenen zijn fel in de minderheid.
Vroeger was kantklossen in Vlaanderen en zeker in Brugge synoniem voor werken om den brode. Het was een bijverdienste om het gezinsinkomen groot genoeg te houden om samen niet te verhongeren. Het was saai werk omdat meestal hetzelfde dessin moest herhaald worden. De meesten klosten 12 tot 14 uur per dag.
Er bestonden verschillende Brugse kantwerksterliedjes, 'tellingen' genoemd omdat het zowel vertellingen waren maar ook omdat ondertussen geteld werd, de liedjes gaven de maat aan en in de kantwerkscholen en ateliers zong de kantwerkster die het snelst kon werken voor en gaf op die manier de maat aan.
Een voorbeeld van zo een Brugs liedje dat refereert naar het harde bestaan:
"Gedoold naar een arm huuzetje.
'k Ga over een straate met messen en zweerden.
'k Ga over een glazen brugge.
Geklonken aan een bel van vier en vlamme,
Er doet een tooveresse open,
Wat moet gij hier hebben?
'k Moet hier wonen."
Dit lied werd tienmaal herhaald.