Metamorfose van een ontwakende feeststad
METAMORFOSE VAN EEN ONTWAKENDE FEESTSTAD
Zaterdag 17 juli, even na 9 uur.
Een onbedwingbare kracht stuwt mij in de richting van het stadscentrum. Wanneer ik even later op de Korenmarkt de lagevloerbus van lijn 38 verlaat ligt het hart van de stad er nog verlaten bij. Hier en daar zijn diegenen die het straks moeten waar maken al druk in de weer met het opstellen van plooitafeltjes, het aanslepen van stoelen en de laatste hand aan het leggen aan tenten en barakken. De stad baadt in de deugddoende prille ochtendzonnestralen die de gevels van de gebouwen een zachte kleurentint meegeven.
Een stadsgids loodst zijn groep toeristen doorheen de bijna verlaten straten, nu het nog ongestoord kan en zonder de kans een deel van zijn toehoorders te verliezen in de mensenzee. Het anders altijd grijze Gravensteen verandert in een reusachtige en wriemelende termietenhoop waarin en waar rond van alles en nog wat wordt aangesleept. Op het Sint-Veerleplein pikt een eenzame wilde duif schichtig een graantje van de grond maar zal straks rustiger oorden gaan opzoeken om aan de dagelijkse kost te komen. Het fiere leeuwtje, midden op het pleintje, verzinkt in het niets door het omringend tapijt van witte terrasstoelen.
Geluiden worden sterker en de stemmen van de voorbijgangers, die steeds meer en meer de straten vullen, klinken als maar luider en verdringen de sacrale stilte die daarnet nog de boventoon voerde.
Stilaan ontwaakt de stad uit haar jaarlijkse winterslaap om tien dagen lang de remmen los te gooien. Voor mijn ogen voltrekt zich de wonderbare metamorfose van een stille rustige provinciestad, waar zich nauwelijks iets wereldschokkend voordoet, naar een bruisende, rebelse feestmetropool. Straks zullen de straten en pleinen gevuld worden met muziek en de indringende geuren van gebakken en gebraden etenswaren. Maar net zoals het herhalend ritme van een perpetuum mobile zal het uitstervend feestgewoel na tien lange dagen en nachten de stad verweest en verlaten achterlaten, hunkerend naar een volgende Gentse Feesten.
Plots schiet me de vraag door het hoofd hoeveel keren ik dit ritueel reeds heb meegemaakt. Het moeten er heel wat geweest zijn want mijn herinneringen reiken tot in het pre-De Bucktijdperk en propvolle archiefdozen met vergeelde krantenknipsels vullen thuis mijn kasten. Heel even doemen voor mijn geestesoog de beelden op van hen die er niet meer bij zijn: circusdirecteur Guust De Muynck nog een laatste keer op het podium op de Korenmarkt, Romain Deconinck in zijn Minardschouwburg en zoveel anderen wiens namen mij niet meer willen te binnen schieten. Maar vandaag is er geen tijd voor mijmeringen over vervlogen tijden en zal ik alras verzwolgen zijn in de uitgelaten feestende mensenmassa.
Zoals ieder jaar zal ik straks na het uitsterven van het laatste orgelpunt vereenzaamd door de onwezenlijk aandoende lege straten dwalen. De laatste sporen van het uitbundig volksfeest zullen dan langzaam maar zeker weggeveegd worden en zal de stad haar oude ritme terugvinden.

