Gernika, Durango en ! Otxandio


Otxandio
22 juli 1936
Op 22 juli 1936, vier dagen nadat Franco de wapens had opgenomen bij de Staatsgreep die de Burgeroorlog in gang zette en bijna een jaar vóór het schandelijke bombardement op het Baskische stadje Gernika-Guernica 26 april 1936, werden in Baskenland de eerste burgers gefusilleerd. Dit gebeurde in Otxandio, in Bizkaia, even ten zuiden van Urkiola. Het dorp vierde het feest van de patrones toen om 9 uur ’s morgens plots een paar vliegtuigen héél laag over het dorp vlogen. “Ze raakten bijna de kerktoren” zou een getuige later verklaren. De mensen gingen er helemaal in op en juichten de piloten toe die met hun handen terugwuifden. Plots lieten de vliegers enkele in de zon glinsterende objecten vallen. Op hetzelfde ogenblik waren er hevige explosies te horen. De mensen zochten een onderkomen onder de arcades van het gemeentehuis. Nadat de vliegtuigen verdwenen waren vonden de bewoners een 50-tal erg verminkte lijken. De mensen van Otxandio wisten niets van de oorlog en ze stierven wuivend naar de vliegeniers die met hun lading van de militaire basis van Recajo (La Rioja) waren gekomen.
Enkele dagen na het bombardement, op 30 juli, trokken twee jonge mannen van Otxandio, Esteban Elguezabal en José Cortabarría de bergen in om er de zondag en de daaropvolgende feestdag van San Ignacio door te brengen. Plots zagen ze een paar Requetés(*) naar hen toekomen. Het kwam niet in hun hoofd op te vluchten hoewel ze dat gemakkelijk gekund hadden. Tot hun allergrootste verbazing werden beiden gearresteerd en meegenomen naar Vitoria op beschuldiging…“spionage”! Primitivo Estavillo werd in de buurt aangetroffen en werd eveneens opgepakt.
“Ik werd officieel in kennis gesteld”, aldus de Jezuïet Alfonso Maria Moreno, “en trof hen, “incomunicado” aan in drie cellen waar ze op dat ogenblik al vier dagen zaten in afwachting van hun … executie! We brachten samen de laatste nacht door, het drietal en nog twee andere priesters. Om vier uur in de morgen droegen we de mis op aan een geïmproviseerd altaar. De tocht per bus naar de “plaats van de executie” was een hel voor ons allemaal. Vooral het ogenblik dat de bus stopte, greep ons als het ware naar de keel. Het was een kerkhofmuur, het daagde al en het was fris. Met moeite konden we het vuurpeloton zien staan. Er stonden drie stoelen, maar Cortabarría weigerde te gaan zitten. Hij wilde staande sterven en zonder blinddoek. Estavillo stond in het midden met de armen gekruist voor het lichaam. Net vóór het salvo riep Cortabarría ‘Gora Euskadi Askatuta’ (‘Leve vrij Baskenland’) De twee anderen én de luitenant antwoordden: ‘Gora’. De luitenant heette Echeverría. Het salvo van de zes geweren maakte een einde aan de drie jonge levens. Meteen daarna richtte de luitenant zich tot mij en zei heel serieus: “Als we op zulk een ogenblik geen rebelse kreet kunnen toestaan, wanneer dan wel?” De familie Estavilla nam bezit van het lichaam, terwijl de twee anderen in de grafkelder van juwelier Abaitua werden bijgezet. Maar de toestemming hiervoor werd door de militaire gouverneur ingetrokken en zo kwamen ze in een massagraf terecht. Toen ik later alleen naar huis ging begon ik te wenen. In mijn handen had ik het jasje dat Esteban Elguezabal me kort voor zijn dood gaf. Ik zag een verschrikkelijk onheil op dit Volk toekomen maar het werd zwijgen en proberen er het beste van te maken.”
De burgemeester van Otxandio, met de toch wel bijzondere naam Otxandiano, nam geen blad voor de mond toen hij op 24 juli 2006 (bij de 70ste verjaardag) zei dat “de slachtoffers van de Burgeroorlog steeds een tweederangsbehandeling kregen, maar dat het nog erger gesteld was met de bewoners van Otxandio die niet eens de geschiedenisboeken haalden! Het heeft 70 jaar geduurd vooraleer we de namen kenden van degenen die het bombardement uitvoerden. Het waren historici en niet ‘Justitie’, zoals dat in een democratie hoort te zijn, die uitzochten wie deze en andere barbarijen gedurende de Burgeroorlog en de Francodictatuur uithaalden”. “We moeten de mantel van het stilzwijgen weghalen die door Franco en door een valse ‘overgang naar de democratie’ werd opgelegd. Tijdens de volgende vijf jaren, in het vooruitzicht van de 75ste verjaardag, moet alles uitgeklaard zijn. Niet om oude wonden open te rijten maar om al wat voorviel aan de volgende generatie uit te leggen. Het wordt tijd dat de rechten van Baskenland als Volk gerespecteerd worden.”
(*) Requeté(s): De Requeté was de paramilitaire organisatie van het Carlisme. Hoewel ze opgericht werden in 1907 zijn ze vooral actief geweest tijdens de Burgeroorlog, vooral in Navarra. Ze droegen een rode Baskenmuts en stonden aan de kant van Franco. Er namen ongeveer 60.000 Requetés deel aan de strijd en daarvan sneuvelden er 6.000.




















