
Izquierda Abertzale
Eén constante
Decennialange repressie
Heksenjacht
De omstreden wet “Ley de Partidos” van 2003, die het mogelijk moest maken dat politieke partijen die er een andere mening op na houden, verboden werden; het proces 18/01 tegen de jongerenbeweging Jarrai-Haika-Segi (7 februari 2005 - 27 april 2005); het proces 18/98 tegen het Baskische nationalisme (21 november 2005 - 14 maart 2007); het verbod van politieke partijen om deel te nemen aan de verkiezingen van 27 mei 2007 en 9 maart 2008; de inbeslagname van bankrekeningen en door de wet erkende subsidies aan politieke partijen; de verwoede pogingen om verkozen gemeenteraadsraadsleden, schepenen en burgemeesters uit hun functies weg te stemmen via moties van wantrouwen, en zelf hun plaats in te nemen; de invallen in de Herriko Tabernak (2007); het opsluiten van het volledige bestuur van de politieke partij Batasuna in 2007 en 2008; het gerechterlijk onderzoek 35/02 dat de banden (koste wat het wil) de banden moet blootleggen tussen Batasuna en ETA, het proces 33/01 tegen “Gestoras pro-Amnistía” en “Askatasuna” als verlengstuk van de nietigverklaring van Batasuna gestart op 21 april 2008; het embargo op bankrekeningen in Liechtenstein, Brussel en Parijs (begin april 2008); zijn niet nieuw.
Het is de voortzetting van de permanente, wansmakelijke en repressieve strategie van de Spaanse staat tegen Izquierda Abertzale, de echte volksnationalisten, met verschillende tactieken op ieder mogelijk moment. De lijst kan nog aangevuld worden, dit zijn slechts de meest in het oog springende feiten. En de vrees is gewettigd dat 21 april 2008 niet het eindpunt is, immers in de nacht van 18 april 2008 is om 03:30u een nieuwe razzia gestart tegen jongeren die betrokken zouden zijn bij de “Kale Borroka”, waarvan de feiten dateren van 2005. Tien jongeren werden gearresteerd. En op 22 april 2008 werden er nog eens twee jongeren uit Errenteria aan toegevoegd.
Eén constante
De Baskische onafhankelijkheidsbeweging heeft nooit een normale plaats kunnen innemen in het politieke leven. De Spaanse staat heeft nooit nagelaten jacht te maken op die beweging, heeft nooit één moment laten voorbijgaan zonder hen te belagen. Dit gebeurde bij het ANV vanaf het ontstaan, voor, tijdens en na Franco. Ook Herri Batasuna moest er aan geloven, praktische vanaf de eerste dag van haar bestaan op 18 oktober 1978 te Bergara. En het resultaat van die heksenjacht was niet alleen de onmogelijkheid om met dezelfde middelen te werken als de andere politieke partijen of de daaropvolgende nietigverklaring, neen, het resultaat was eveneens dat vele militanten van die beweging hun politieke werk met hun leven hebben moeten bekopen en nog veel meer met arrestaties en opsluiting door politie, gekleed in alle mogelijke uniformen.
Vanaf het ontstaan van Herri Batasuna kregen zij te maken met een hatelijke vijandigheid van de Spaanse staat. Maar daar bleef het niet bij. Zij kregen ook te maken met aanvallen uit de hoek van het gematigde nationalisme, dat gegokt had op een “vacature” in het Spaanse politieke systeem, en zo de beginselen (soevereiniteit) van Sabino Arana verloochenden. Een mooi voorbeeld hiervan is wat op 28 oktober 1978 gebeurde. De PNV had de militanten opgeroepen om te manifesteren tegen ETA, een manifestatie die later de manifestatie van de duiven genoemd werd (manifestación de las palomas). Herri Batasuna had opgeroepen om te manifesteren onder het motto “Atzoko eta gaurko gudarien alde»” (Gisteren en vandaag, samen met de gudaris of Baskische soldaten) . De concentratie van de PNV werd beschermd door Spaanse veiligheidstroepen, Herri Batasuna kreeg niet eens de tijd om hun spandoek te ontvouwen. Bij vele blijft de herinnering bestaan aan de scène waarbij Telesforo Monzón het hoofd biedt aan de “grijzen” (Cuerpo de Policía Armada of de gewapende politie opgericht onder Franco). De charges van de politie veroorzaakten 5 zwaargewonden. Het verbieden van manifestaties van de onafhankelijkheidsbeweging was en is nog altijd schering en inslag, en bij het repressieve optreden waren en zijn zowel de Guardia Civil, de gewapende politie, de oproerpolitie, de gewone politie als de Ertzaintza van de partij.
De gevangenis, een onvermijdelijke stap
Arrestaties en opsluiting omwille van politieke redenen, van politiek protest, zijn een constante geweest voor alle leiders en militanten van de Baskische onafhankelijkheidsbeweging. Al in februari 1979, als gevolg van protesten tegen de onmenselijke omstandigheden van de politieke gevangenen, werden in Gasteiz-Vitoria 40 personen opgepakt, onder hen militanten van Herri Batasuna en van LKI-Liga Komunista Iraultzailea (een afgescheurde groep na de 5de Assemblee van ETA en communistisch geïnspireerd) .
Magistraat Siro Francisco García Pérez decreteerde de opsluiting in de gevangenis van Langraiz voor een 20-tal militanten, de meerderheid behorend tot Herri Batasuna, omdat ze volgens de magistraat verklaringen in het Euskara hadden afgelegd. Na een algemene staking die praktisch heel Gipuzkoa lamlegde, werden ze vrijgelaten, met uitzondering van Telesforo Monzón, in beschuldiging gesteld van “verheerlijking van het terrorisme”, de gebruikelijke dooddoener. Monzón, die toen 74 jaar was, begon een hongerstaking die zijn gezondheid zodanig aantastte dat men vreesde voor zijn leven. Een maand later werd hij vrijgelaten, nadat hij opnieuw gekozen was in het Spaanse Parlement, ditmaal niet meer op een PNV-lijst, zoals 40 jaar eerder, maar voor Herri Batasuna. Terwijl hij doodziek in de gevangenis zat, werd hij verkozen, maar pas vrijgelaten op 10 maart 1979.
Een weinig later verordende de Procureurgeneraal van de Staat, José Manuel Fanjul, een bevel tot een nieuw proces tegen Telesforo Monzón omdat hij verklaringen had afgelegd aan buitenlandse journalisten in een persconferentie, georganiseerd door Herri Batasuna. In november 1979 gaf het congres de toestemming om zowel Francisco Letamendia “Ortzi”, als Telesforo Monzón, te berechten. De repressie heeft Telesforo Monzón heel zijn leven achtervolgd tot aan zijn dood in 1981. Zelfs tijdens zijn begrafenis werd de lijkkist gegijzeld door de ordestrijdkrachten. De macabere rouwstoet kwam in zijn geboortestad aan, terwijl de kist omsingeld was door tanks van de politie.
Op 4 februari 1981 kwam koning Juan Carlos op bezoek in Gernika, en net als hij aanstalten maakte om een redevoering af te steken, stonden de volksvertegenwoordigers van Herri Batasuna en van LAIA recht en begonnen het “Eusko Gudariak” (lied van de Baskische Soldaten) te zingen. Zij werden door de Berrozi, privémilitie van de PNV en een wettelijke twijfelachtige groep veiligheidsagenten, hardhandig van de plechtigheid verwijderd. Op die gebeurtenis volgde een ongemeen harde repressie. In mei gaf de minister van Binnenlandse Zaken, Juan José Rosón, de opdracht om alle functionarissen van Herri Batasuna met een openbaar ambt te arresteren. In de vroege ochtend van 8 mei 1981 werden 25 Herri Batasuna-verkozenen opgepakt te Nafarroa, 18 in Gipuzkoa, 9 in Bizkaia en 11 in Araba. De dag nadien verplaatste het politionele offensief zich naar een persconferentie van Herri Batasuna, waar de gebeurtenissen werden aangeklaagd: Francisco Letamendia, Periko Solabarria, Jon Idigoras, Mikel Arizaleta, Joselu Cereceda en Karmel Etxeberria werden na het uiteenzetten van hun argumenten aan de perslui, gearresteerd. De aaneenschakeling van juridische acties en arrestaties van parlementsleden van Herri Batasuna bleef duren tot 1994, tot zij eindelijk vrijgesproken werden.
Maar 2 jaar later begon de carrousel opnieuw te draaien. Tussen februari 1996 en juli 1999 werd de Mesa Nacional van Herri Batasuna (het hoofdbestuur) voortdurend opgeschrikt met arrestaties, een juridisch proces en meer dan 21 maanden cel als gevolg. De feiten die de hysterie teweegbrachten, zijn terug te brengen tot de verspreiding van een video over het “Democratisch Alternatief” van ETA. Het verbod hierop en de heksenjacht als gevolg, was de voorbode van een proces dat onder immense politieke druk kon doorgaan. Het was nochtans die Mesa Nacional die het “Foro de Irlanda” (vredesforum gelijkaardig aan dat van Ierland) op de sporen zetten, een forum dat zou leiden naar het “Acuerdo de Lizarra Garazi”. Als klap op de vuurpijl werd de partij Herri Batasuna verboden. De leiders die de fakkel overnamen in de politieke partij Batasuna, ondergingen hetzelfde lot en ook de partij werd verboden.
De doden
De gevangenis is niet de hoogste prijs die veel leiders van Izquierda Abertzale, personen met openbare ambten of gewone militanten moeten betalen. Er zijn voorbeelden genoeg aan te halen van moordaanslagen uitgevoerd door parastatale of parapolitionele organisaties. Die duistere en sinistere moordcommando’s kregen officiële bescherming van bovenaf en genoten in veel gevallen van een doofpotoperatie, waardoor een aantal criminele feiten nog altijd niet volledig werden uitgeklaard.
Op 24 september 1979 werd een lid van Herri Batasuna en burgemeester van Hernani, Juanjo Uria, slachtoffer van een aanslag op zijn persoon. Hij kwam er met de schrik van af. Dezelfde maand kende Tomás Alba Irazustra (42 jaar), raadslid van Herri Batasuna in Donostia, minder geluk. Op 28 september 1979, toen hij omstreeks om 02:00u naar de parking wandelde om zijn wagen te halen, werd hij door twee schoten dodelijk getroffen. Mikel Arregi, raadslid in het gemeentehuis van Etxarri Aranaz, werd door de Guardia Civil afgemaakt tijdens een wegcontrole op 11 november 1979.
Op 23 juli 1980 verwoestte een bomexplosie een kinderkribbe te Iturriaga, die geleid werd door de levensgezellin van Antton Artiñano, een HB-raadslid te Zeberio. De laffe aanslag eiste 3 mensenlevens, waaronder een jonge vrouw die 9 maanden zwanger was. Op 30 augustus van dat zelfde jaar kwam bij een aanslag van parapolitionele daders te Ondarroa een militant van Herri Batasuna om het leven, Angel Etxaniz.
Op 4 november 1988 gijzelde een commando van GANE (Grupo Antiterrorista Nacional Español) gedurende 3 dagen het raadslid, Fermín Urtizberea, van Herri Batasuna uit Hondarribia-Fuenterrabia. Gedurende die drie dagen werd hij duchtig “onder handen genomen”. Op 15 mei 1989 kreeg de Abertzale volksvertegenwoordiger, Patxi Erdozain, uit Navarra een bombrief toegestuurd. Hij kwam er ongedeerd van af. Minder geluk had de postbode, Orereta José Antonio Cardosa, die op 20 september 1989 een bombrief moest bezorgen aan een militant van Herri Batasuna, Ildefonso Salazar. De postbode schoot er zijn leven bij in.
Gedurende het jaar 1991 werden nog eens 5 leden van Herri Batasuna slachtoffer van een aanslag. Jon Idigoras kreeg een bombrief die niet ontplofte. Verscheidene wagens van militanten van Herri Batasuna werden in brand gestoken te Orereta, Gaztelu en Lizarra. De laatste wagen, eigendom van raadslid Patxi Lage, bracht de teller van het aantal in brand gestoken wagens op 35. In Ziordia ontplofte een bom in de onderneming van José Ignacio Flores, lid van Herri Batasuna.
Een heel groot gedeelte van de publieke opinie herinnert zich nog levendig de twee voorvallen waarbij elementen van parastatale groeperingen en Guardia Civiles zich te buiten gingen aan willekeurige en wederrechterlijke terechtstellingen van belangrijke leiders van de onafhankelijkheidsbeweging. Op 20 november 1984 werd Xanti Brouard, bestuurslid van Herri Batasuna en voorzitter van HASi, afgeslacht in zijn artsenpraktijk door huurlingen en doorzeefd met kogels. En vijf jaar later, op diezelfde onheilspellende 20 november, onderging in een hotel in Madrid de volksvertegenwoordiger van Herri Batasuna, Josu Muguruza het zelfde lot. Iñaki Esnaola werd zwaar gekwetst. Jon Idigoras ontsnapte als bij wonder aan de dood.
Het isolement
Noch de moties van wantrouwen, noch de pogingen tot politiek en sociaal isolement, noch de weigering om de wettelijke salarissen of subsidies uit te betalen, zijn nieuw in de geschiedenis van Izquierda Abertzale. De Spaanse staat heeft miljoenen euro’s achterovergedrukt die wettelijk voorzien waren voor partijen (zoals in ons land). Met alle mogelijke middelen werd verhinderd om die uitbetalingen uit te voeren. Rechtbanken en veroordelingen kwamen er aan te pas, maar de zelfbenoemde democraten stelden de betalingen voortdurend uit, probeerden hun gelijk te halen bij rechtbanken en stemden uiteindelijk wetten “ad hoc” waardoor ze het gelijk aan hun kant kregen.
Op 12 januari 1988 werd het "Pacto de Ajuria Enea-Para la normalización y pacificación de Euskadi" (Voor de normalisatie en de pacificatie in Euskadi) ondertekend. Het grondprincipe was: "Er wordt geen politieke prijs betaald voor het geweld". Herri Batasuna ondertekende niet. Onder voorzitterschap van de PNVer José Antonio Ardanza werd de strategie van isolement tegen Herri Batasuna gelanceerd. De ondertekenaars verklaarden zich akkoord om eender welk middel te hanteren tegen burgemeesters van Herri Batasuna om hen uit de gemeentehuizen te verdrijven, vooral daar waar zij de meerderheid uitmaakten. In de jaren 90 werd deze strategie tot het uiterste toegepast. Een klein voorbeeld: verkiezingsdebatten op EiTB (Baskische Tv-zender) werden opgeschort omdat PNV, PSE en PP weigerden aan één tafel te zitten met vertegenwoordigers van Herri Batasuna (cordon sanitaire)., ondanks het feit dat de aanwezigheid van die partij door de wet verplicht was. Liever geen debat, dan samen te zitten.
Het hoeft geen betoog dat deze politiek van apartheid, die tot doel had Izquierda Abertzale te destabiliseren, ook problemen blootlegde binnen de kring van de ondertekenaars van het “Pacto de Ajuria Enea”. Een document van november 1991 erkende dat “akkoorden op gemeentelijk vlak of gesprekken met die partij (Herri Batasuna) over bijvoorbeeld de autosnelweg door het natuurgebied van Leizaran de “democratische” consensus van de strategie van het verbreken van de betrekkingen in diskrediet brachten. Daarom werd naderhand de dure eed gezworen dat alleen een consensus tussen de ondertekende partijen eventuele toekomstige akkoorden zouden bekrachtigen. Dus, allen tegen één, waarbij “allen” bepalen wat “democratisch” is of niet. Met lede ogen werden bewegingen opgemerkt, aanleunend bij Izquierda Abertzale, maar de “democraten” bleven van mening dat de onafhankelijkheidsbeweging onvoldoende betekenisvol was om deel te nemen aan het democratische systeem. Dus uitsluiting of apartheid. Na de ontvoering en de moord op het raadslid van de PP, Miguel Angel Blanco, in juli 1997, en in een klimaat van uiterste emotionaliteit beslisten de ondertekenaars van het “Pacto de Ajuria Enea” dat zij nooit meer enig initiatief van Herri Batasuna zouden mogelijk maken.
In april 2008, naar aanleiding van het indienen van “mociones de censura” (moties van wantrouwen) tegen de politieke mandatarissen van het ANV, staan de kranten vol van herinneringen aan gelijkaardige moties ingediend in de zomer van 1997 om de mandatarissen van de politieke partij Herri Batasuna buiten het “politieke” spel te zetten. Eén voorbeeld: Xabier Zubizarreta “Txiron”, was burgemeester van Arrasate-Mondragón van 1987 tot 2003, met als enige uitzondering de jaren 1997-1999, toen hij als gevolg van een “moción de censura” weggestemd werd en vervangen door José María Loiti (PNV). Het klimaat van agressiviteit, de aanvallen op de Herriko Tabernak (kroegen voor echte nationalisten), de oproep tot een heksenjacht, begon zelfs de windhanen van de PNV te verontrusten. Zij maakten een verklaring openbaar waarin stond dat de bedoeling van het “Pacto de Ajuria Enea” niet het isolement van Izquierda Abertzale was, maar wel de niet-samenwerking. Maar Ramón Jáuregui, toenmalig sleutelfiguur bij de Baskische socialisten van de PSE, verklaarde enkele maanden later doodleuk dat het isolement vruchten had opgeleverd. Maar één jaar later stapte de PSE uit de Baskische regering omdat er toch akkoorden werden afgesloten tussen PNV, EA, IU en Herri Batasuna. De begenadigde lezen kan hieruit zelf kunnen opmaken hoe standvastig de PNV wel is, hetzij t.o.v. Herri Batasuna, hetzij t.o.v. andere partijen. Het machtshemdje is nader dan het moraalfilosofische rokje.
Afluisterpraktijken
Op 31 maart 1989 wordt op de voornaamste verdieping van de zetel van Herri Batasuna te Vitoria-Gasteiz een structuur van illegale spionage ontdekt: afluisteren van de gesprekken en de communicatie van deze politieke formatie. De beruchte CESID registreerde alle ingaande en uitgaande verkeer vanuit een pand recht tegen over de zetel van Herri Batasuna. Van de zes personen die op het beklaagdenbankje terecht kwamen voor deze feiten, werden twee spionnen vrijgesproken omdat registreren vanuit openbare ruimte geen delict zou zijn. De twee hoofdverantwoordelijken van CESID, Emilio Alonso Manglano en Javier Calderón, werden wel veroordeeld, maar onmiddellijk in beroep vrijgesproken door het Hooggerechtshof. De spion Franciso Buján werd ook vrijgesproken, maar was intussen al overleden. De enige die veroordeeld werd, Mario Cantero, maar nadien kreeg hij genade. De illegale spionage op het reilen en zeilen van Herri Batasuna begon onder Felipe González, werd verder gezet door José María Aznar en ook José Luis Rodríguez Zapatero bleek begin 2007 in het zelfde bedje ziek te zijn. Zelfs de krant “Gara” werd onlangs (17 juni 2008) slachtoffer van illegale afluisterpraktijken.