Aalscholver: Gehaat, geliefd en
veelbesproken
Gemiddeld vier eieren per nest.
Witte bakkebaarden verdwijnen later in het voorjaar.
Aalscholverkolonie op eilandje De Kreupel bij Enkhuizen.
Per broedsel worden 0,5 tot 2 jongen groot.
Vossen in de buurt? Broeden in de boom.
17-03-2009 Niek Sterk
De kijkhut van de aalscholverkolonie in het Naardermeer is al eens verzet. Eigenlijk zou dat weer moeten: veel vogels nestelen buiten beeld. „Dat is een ouder echtpaar, die witte bakkebaarden verdwijnen later in het voorjaar”, wijst aalscholverexpert Mennobart van Eerden van Rijkswaterstaat. „Daar zit een vierdejaars jong, die denkt er over voor het eerst te gaan broeden. En moet je die oude man zien: een béér van een vogel.”
Gemiddeld vier eieren per nest.
Zoetwatervissers en aalscholvers, een moeizame combinatie. Althans: vanuit de eerste groep bezien. „De vogels hebben natuurlijk al tegen dat ze zwart zijn, dat vergemakkelijkt het zwartepieten”, zegt Marc Argeloo van Vogelbescherming Nederland.
Zeker, er zíjn foto’s beschikbaar op internet waarop een aalscholver een snoek, een forse baars of een dikke paling naar binnen werkt. Maar dat is een zeldzaamheid, weet Mennobart van Eerden, ecoloog bij Rijkswaterstaat en sinds een jaar of dertig aalscholverdeskundige. Want een aalscholvermenu bestaat voor 70 procent uit pos (commercieel oninteressant), verder uit baars en blankvoorn en wat spiering om de gaatjes te vullen. Hoe hij dat zo zeker weet? Onder andere uit langjarig voedselonderzoek met behulp van aalscholverbraakballen die vol zitten met gehoorsteentjes van vissen. Lengte en soort vis vallen daaruit eenvoudig af te lezen.
Bijna uitgeroeid
De aalscholver zit de laatste tijd weer volop in de beklaagdenbank. Eerder in de geschiedenis zijn perioden aan te wijzen dat ze in Nederland nagenoeg uitgestorven waren: gehaat en bejaagd, bijna uitgeroeid. Ook de tegenbeweging was er telkens: „In 1950 werd een kolonie gedecimeerd, in 1970 volgde een uitzetprogramma”, zegt Argelo. Waren er vroeger enkele grote kolonies, tegenwoordig zijn die talrijker maar kleiner. „Dat zorgt ervoor dat de zichtbaarheid toeneemt. Je ziet aalscholvers vaker en ze komen dichterbij. In Amsterdam laten ze, boven op een lantaarnpaal, hun vleugels drogen.”
bron; reformatorisch dagblad