Het departement Loire-Atlantique aan de Franse westkust vormt in feite de toegang tot de regio Bretagne. Maar daar doen we deze streek ernstig mee tekort. De naam zegt het al: je hebt hier zowel de monding van de rivier de Loire als de Atlantische Oceaan bij elkaar. En dat contrast levert brede zandstranden op, zoutpannen, mondaine badplaatsen, intieme havenstadjes, waterrijke natuurgebieden, middeleeuwse vestingsteden en een indrukwekkende scheepvaart industrie.
Telkens weer vergapen we ons aan muren vol rozen, tuinen met hortensia’s en de Hans en Grietje-achtige vakwerkhuizen met hun rieten daken. Chaumières heten ze, en ze zijn onlosmakelijk verbonden met dit gebied vol rietlanden en moeras.
Mag fietsen een mooie manier zijn om het regionale natuurpark Brière te verkennen, nog mooier vinden we het ontspannen tochtje met een ’chaland’, een platbodembootje dat wordt voortbewogen met een stok. Een beetje Giethoorn op z’n Frans. Daniel Rambaud kent het gebied op z’n duimpje en puntert ons door het Grand Canal naar de met rietkragen, gele irissen en wilgen omzoomde watergangen. „Als je hier woont ben je mede-eigenaar van het gebied en mag je er jagen, vissen en riet snijden. Dat is in de 15e eeuw zo geregeld door Anne van Bretagne, zij is met twee Franse koningen getrouwd geweest waardoor Bretagne bij Frankrijk werd gevoegd.”
Stille wereld
We varen door een wereld van stilte, slechts wat spatjes van de stok komen zacht op het water terecht. Rambaud wijst: vlak voor ons zwemt een beverrat. „En er zijn wel 200 vogelsoorten in dit moerasgebied waaronder twintig eendensoorten. Kijk, een reiger. Die heeft een chemische stof aan zijn poten die vis aantrekt. Hij hoeft alleen maar te wachten.” Dát wisten we nog niet. Even later zoekt hij in een drijvende pol naar rivierkreeftjes. „Per ongeluk uit Louisiana hier terechtgekomen. Nu is het een plaag.” Elk dorp in de Brière, vertelt Rambaud, heeft een eigen specialiteit. „Van pottenbakken tot turfsteken en rieten manden maken.” Zijn hand grijpt weer in wat groens: „Ruik je het? Munt.”
De zon doet de onderkant van de vleugels van een vlucht eenden oplichten als ze omzwenken. „Het zoute water komt bij de monding van de Loire het gebied in maar men probeert het gebied zo zoet mogelijk te houden. De vissen zijn ook vooral zoetwatervissen.” Geen elektriciteitsmasten hier, en geen huizen. We worden rozig van de zon en de stilte. Rambaud grijnst: „Een uitstekend antistress tochtje hè?”
Een heel andere uitstraling heeft de kust met zijn mondaine badplaatsen als La Baule en Pornichet. In de 19e eeuw zijn ze ontstaan en ze worden gekenmerkt door de vele weelderige villa’s met een bijzondere en fantasierijke architectuur. Bij de een zie je invloed van de Moren, bij een ander art deco of een Engels tintje met boogramen.
Of Le Croisic, de belangrijkste vissershaven van Frankrijk voor de roze garnaal. In de 17e eeuw werd dit levendige havenstadje vorm gegeven door de zouthandel. Schepen losten hier hun ballast aan keien voordat ze het ’witte goud’ aan boord haalden. Zo ontstonden twee heuvels en de stenen ’vakken’ in de haven. Aan de kades is het gezellig druk, maar loop je even een zijstraat in dan waan je je in een tijdmachine. Vijftiende-eeuwse huizen met een overhangende eerste verdieping van hout – zo werd belasting op de grond bespaard – en grote ramen op de begane grond die open konden voor de straathandel, bepalen het straatbeeld. Grappig is de kerk Notre Dame de Pitié met schepen boven het altaar. Voor de verdwenen zeelieden, lezen we. Ook in de gebrandschilderde ramen zien we angstaanjagende zeetaferelen. Volg je hiervandaan de weg naar het westen dan kom je terecht bij de zogeheten wilde kust met rotsen en kleine binnenzeetjes. Hier geen brede zandstranden zoals bij La Baule, maar een op de rotsen beukende zee.
Geschiedenis
Een duik in de geschiedenis maak je ook in de middeleeuwse ommuurde stad Guérande met zijn smalle geplaveide straatjes en uithangborden van smeedijzer. Een wandeling over de anderhalve kilometer lange vestingmuren gunt een kijkje op anders verborgen tuinen. En vanuit de klokkentoren van de Saint Aubin kijk je niet alleen op het stadje zelf uit met zijn koopluihuizen, maar ook op de nabijgelegen zoutmoerassen. In deze ’marais salants’ wordt nog steeds handmatig zout gewonnen. Een samenspel van mens, zeewater, wind en zon. Het zeewater wordt via een ingenieus gangenstelsel geleid naar mozaïekachtige bassins waar het zout kan neerslaan. Het mooiste zout, dat bij het oogsten bijna roze ziet, is de fleur de sel, het bovenste laagje.
Van zout naar oesters is maar een kleine stap. Jean-Luc Retailleau nodigt ons uit zijn oesterpark in Pen Bé tegenover Le Croisic te bezoeken. Hij haalt ons bij eb op met zijn tractor, we staan hoog en droog in een plastic krat achterop. Bij hoog water – het water stijgt vier meter – is er niets van het park te zien, bij laag water staan daar op 2,5 hectare slib eindeloos lange ijzeren tafels met zakken oesters erop. „Er liggen hier 13.000 zakken, het proces begint met 800 heel kleine oesters per zak en naarmate ze groeien, komen er minder in een zak.” Het werk is intensief, de zakken moeten regelmatig worden gekeerd om ervoor te zorgen dat de schelpdieren niet in de breedte groeien, maar enkel omhoog. Hij pakt een juweel van een oester uit een zak die na nog even doorspoelen met schoon water binnenkort in een restaurant zal belanden. Maar déze niet, want wij mogen proeven. Mmm, dát is nou geluk.
bron; telegraaf.nl