Herfstgedicht.


De bomen roesten in het zieke licht
langs somber in zichzelf gekeerde grachten.
In wilde stroomdoorvlaagde regennachten
vertoont de maan een bleek, behuild gezicht
boven lege straten, smalle schachten
waarin een onverbiddelijk gericht
de zomer langzaam voor het najaar zwicht,
terwijl de huizen op het einde wachten.
Tegen de morgen is de strijd beslecht.
Een vage geur van heimelijk bederven
heeft aan de moede wind zich vastgehecht.
Tussen een handvol dunne zonnescherven
heeft zich de zomer moeizaam neergelegd
om eenzaam en onopgemerkt te sterven...
H.Michaelis


























































