Vaderdag
jorge Castro
Dag jongen
Dag jongen
Svenneke, verjaarde, net als alle voorgaande jaren. En nog wel op dezelfde dag. Svenneke vond dat niet leuk, hij wou wel eens op een andere dag willen verjaren. De reden daarvan is dat ons ventje nu 10 jaar werd. Op zeg niks mis mee maar, er is een grote maar bij, Svenneke met stijf wit haar verjaard een dag voor Kerstmis. Zijn ouders, Lange Jef en kromme Mie stonden niet in de rij toen God het verstand uitdeelde. Ze boerden met net 10 koeien en wat kippen. Na veel zagen kreeg het enige kind een nieuwe broek. Ditmaal een nieuwe van de Zeeman.
Een echt verjaardagfeest zat er ook dit jaar niet in. Stoffel, zijn beste vriend kwam op het idee om voor de kerk bij de nachtmis van Kerstmis te gaan zingen. Ze hadden samen met Bolle Tom, vanwege zijn figuur, een tekst gemaakt. Een passende en misschien ook wel pakkende tekst.”Wij zijn arme kinderen uit deze gemeente, onze ouders wroeten, werken zich te pletter maar een Kerstgeschenk kan niet. Toe lieve mensen tast eens in uw geldbeugel, toe alsjeblief. En wonder boven wonder Svenneke en zes van zijn vrienden zongen zoveel bij mekaar. Zonder Svenneke het wist hadden de vrienden een fiets gekocht voor arm Svenneke, weliswaar een tweedehands, maar nog een goede, met versnellingen. Rijden kon hij al wel van een paar toerekes met de versleten rammelkas van zijn vader. Toen Svenneke vijftien werd, nog altijd een dag voor Kerstmis, kwam hij de pastoor tegen.”Dag jongen.” Begroette de pastoor Svenneke. “Dag mijnheer pastoor.” Zei het blonde manneke. “ Ik heb gehoord dat gij snel kan fietsen.” Zei de pastoor. “Ja dat wel maar ik kan niet koersen zonder velo.” Mompelde Svenneke. De pastoor kocht voor het manneke een echt koersfiets van een oud-wielrenner. Svenneke begon te koersen. Het liefst reed hij in het veld. En kijk jaren later haalde hij zijn 250ste overwinning. De pastoor is er niet meer, daarom gaat Svenneke elke week naar de kerken brand een kaars voor die goede pastoor. Met de fiets die Svenneke van de pastoor kreeg rijd nu de zoon van Svenneke. Nog een paar jaar en die kan zijn vader misschien opvolgen.
Varkensblaas
Rond de 16e eeuw werd er in Florence (Italië) het balspel il Calcio gespeeld. Ook in andere delen van de wereld speelden men een soortgelijk spel. Dit spel bestond uit twee teams die elk een doel verdedigden en er werd gespeeld met een bal (meestal een afgehakt hoofd). Calcio is nu nog steeds de Italiaanse benaming voor voetbal.
Een groep jongens vormden wat we nu de scouts noemen een groep van jonge mannen. Het was ongeveer 1862 toen ze in het grote bos trokken. Ze waren nog maar net in het bos toen ze een rond ding vonden. Pierrot, die ze smalle noemden zei dat het een varkensblaas was. Een andere jonge, de lange genoemd Trapte tegen de varkensblaas. Beurtelings trapte de jongens tegen het ding.
Een tijd bleven ze dat spel te spelen. Calcionno had bedacht hoe ze er beter konden mee omgaan. Hij verdeelde de twintig jongens, waarvan er de helft in bloot bovenlijf speelde. De kleren deden dienst als doelpalen. Ronde Fonza zou er op toezien dat er geen kwetsuren zouden komen. Na nog geen tien minuten gebeurde er iets vreemds, Het leek wel dat er een bom in zat. “De smalle” trapte de bal naar “ de witte” en plotseling hoorde ze een tik. Verbaasd keken ze naar de varkensblaas. Veel algemene kennis hadden ze niet, uiteraard wisten ze ook niet wat een bom was. Een mysterieus iets is ook hoe en wie de bom in de varkensblaas gestoken had. Dat was namelijk een zeer intelligente man, de uitvinder van de rubberen bal in 1862, een zekere Richard Lindon. Maar waarom en met welke bedoelingen? Het was een teken van frustratie, frustratie van het zolang moeten wachten op de ontdekking van de rubberen bal.
Ondertussen lag de varkensblaas daar, ze wisten niet wat ze moesten doen. Spelen met de varkensblaas die als bal gebruikt werd was leuk, maar na een tijdje was de pret er ook wel af. De vrienden lieten de bal gewoon liggen zonder een of andere actie te ondernemen. Het werd toch stilaan donker en zo konden ze dromen van de geweldige dag die ze beleefd hadden.
Het was middernacht toen de varkensblaas meer en meer lawaai begon te maken, tik tak tik tak tik tak…, stilaan harder en harder. “De smalle” werd er als eerste wakker van en was helemaal in paniek, snel maakte hij de rest wakker. Allemaal waren ze in paniek, behalve één, “de witte”, hij moest erom lachen want hij vond dit blijkbaar wel leuk.
Maar enkele uren later was dit helemaal niet meer leuk, ook niet voor “ de witte”. De varkensblaas en de hele buurt ging in vuur en vlam op. Drie van de vier vrienden moesten door dit tragisch ongeval de pijp aan Maarten geven, enkel “de witte” overleefde dit. Tijdelijk, want een paar weken laten stierf uiteindelijk ook “ de witte”, hoogstwaarschijnlijk door het vele verdriet.
Deze vier vrienden hebben dus nooit kennis kunnen maken met de echte bal, die pas een hele tijd later werd uitgevonden.
zot of ziek ?
Zot of ziek
Vroeger, een eeuw geleden zegde men nogal gemakkelijk van iemand dat hij gek was.
Nu heeft men de mond vol met Alzheimer en dergelijke afwijkingen. Stilaan met de dag seffens ben ik tot aan de achtenzestig geraakt. Zeg maar met vallen en opstaan. De gezondheid bleek niet mijn beste vriend. Vergeetachtig zijn de meeste zestigplussers, dat wel. Wat me de laatste dagen onder mat geschoven wordt is toch te gortig. Sinds ik morfine houdende pleisters opgekleefd krijg om een helse jaren aanslepende pijn te onder drukken.
Voorlopig hielp er nog niks. Zaterdag ging ik naar de krantenwinkel. Eens in de winkel had ik moeite om de man te herkennen. Gelukkig kennen we mekaar al vele jaren. Hij zag dat er iets fout ging bij mij. Ik werd lijkbleek, zweette fel en mijn ogen deden raar, en pijnlijk. “Weet jij welke krant ik lees?” vroeg ik aan de krantenman. “De deze.” Sprak hij op een rustgevende toon. Onderweg had ik het heel moeilijk om mijn weg naar huis te vinden. Na een tijd, hoelang weet ik niet, stond ik voor mijn deur. Plots stelde ik mezelf de vraag hoe binnen te geraken. Zeker vijf minuten heb daar gestaan in volle twijfel, in angst en in paniek. Na een tijd raakte mijn hand mijn broekzak aan en voelde een sleutelbos. Opgelucht haalde ik adem, ik kon binnen. Onderweg naar boven bleef de gedachte steken dat ik mogelijk op weg was naar een Alzheimer. Zo kende ik nog meer van dergelijke zaken. Het is beangstigend met de gedacht te lopen dat je langer leeft dan je verstand.
Thomas

Dat Thomas een uitmuntende student is blijkt uit zijn schoolrapporten. Dat hij een goede schrijver is hebben we op deze blog al kunnen ervaren. Dat Thomas een goede voetballer en sportman over het algemeen is dat is gekend. Op zaterdag 2 juli liep hij tijdens de stratenloop in Rijkevorsel de 10 kilometer in amper 36 minuten. Proficiat Thomas.
Heilig Bloed in Hoogstraten
koken
vrijdag 13
Vrijdag 13
Louis reed met zijn Emma naar Westmalle. Wel bepaald naar het café van de trappisten. Daar kon je goed eten, in een gezellige sfeer. Vertrokken vanuit Hoogstraten ging het naar Rijkevorsel. Daar gekomen, in het centrum zagen ze iets vreemd. In heel de dorpskom was geen levende ziel te bespeuren. Eigenlijk gebeurde er nog iets abnormaal, Emma zweeg. Eens het dorp uit begon Louis na te denken. Wat kon de oorzaak zijn van het lege dorp. Er ging een rilling ver de rug van Emma. “Louis, weet je dat het vandaag vrijdag de dertiende is.” Fluisterde de op rust zijnde vrouw. “Zou het kunnen dat de mensen niet durven buitenkomen.” Gooide Louis olie op het vuur. “Misschien mogen ze niet buiten.” Antwoordde Emma met bibber in de stem. Stilzwijgend vervolgde ze hun weg. Na een kwartier stapte ze bij de paters binnen. De frikadellen met krieken smaakten heerlijk. Nog een koffie om af te sluiten. Goed gemutst reden ze terug naar huis. Maar toen ze buiten Oostmalle kwamen zagen ze links van hun een wolk, geen gewone wolk. De eigenaardige groene wolk liet een soort van zand of kleine kiezeltjes vallen. Plots remde Louis heftig. Gelukkig had Emma haar veiligheidsgordel om of ze vloog door de ruit. “Dat komt van Finland!” riep Louis kwaad uit. “Hoe komt dat wij dat niet weten.” Vervolgde hij. De auto kwam langzaam terug op gang. Gelukkig voor hen ging de wolk de andere kant uit. Louis reed de dorpskom van Rijkevorsel in en draaide terug langs de rotonde. Hij vermoede dat de wolk met lavasteentjes of zoiets naar Westmalle vloog. Louis overtrad voor het eerst de toegelaten snelheid. Amper drie kilometer was hij voorbij de wolk geraakt. Als een rallyrijder vloog hij de parking van de paters op. Snel liep hij naar binnen. “Jef” riep hij. Jef was de patroon. “Jef, je moet onmiddellijk evacueren. De mensen moeten richting Oostmalle. Louis trok Jef bij de mouw en wees naar de wolk. Dan werd iedereen op de hoogte gebracht en de driehonderd aanwezige verlieten het café De Trappisten. In stoet reden ze naar Oostmalle waar de wolk al gepasseerd was. Op de parking aan de kerk van Oostmalle stopte iedereen. Jef riep de mensen bijeen. “Laat ons een halfuur gaan bidden hier in de kerk. Pas op niemand is verplicht. Daarna kunnen we terug naar het café. De wolk was verdwenen. Iedereen kwam Louis bedanken. Even later was het bij in het café de trappisten groot feest. Op de radio hoorden ze af roepen dat Vlaanderen geluk had want een giftige wolk uit Finland was voorbij gezweefd zonder noemenswaardige schade. Louis en Emma konden met een gerust hart terug naar huis. En Rijkevorsel was weer levend.

