ijskegels
Ijskegels klaren
zonnestralen als diamant
het sprankelend licht
Ingrid Lenaerts
ijskegelsIjskegels klaren
zonnestralen als diamant
het sprankelend licht
Ingrid Lenaerts
de schoonheid van sneeuwEerste sneeuw als kant
op de dorre rietkragen
witblauwe stilte
Ingrid Lenaerts


berkenBerken in de wind
als witte nonnenkappen
staan ze bits rechtop
Ingrid Lenaerts
kippenKippen zitten in hun hok
een houten optrekje met een loopplank
alsof het zo evident is
hun ballingschap op deze enkele vierkante meter
waar mijn moeder en ik
dagelijks scharreleieren rapen
ik roep mijn moeder toe :wij zijn dieven
zij , mijn moeder, is verbauwereerd
om die opmerking die niet past
mijn moeder vindt me flauw
jij eet toch ook eitjes lekker zeg je
de kippen begrijpen er geen iota van
lopen kakelend de ren in
de mais en de groene sla tegemoet.
Ingrid Lenaerts
winterblues
afstand
fruitcoctail
miezerige dagMiezerige dag
regen uit grijze wolken
zon in ballingschap
Ingrid Lenaerts
Ten huize van de lichtvoetigheid.
lichtvoetigheid
staat voor ruimte
open naar het oosten
met zicht op een loofbos.
het zonnelicht klatert door de bomen
als een waterval van stralen
binnenin alles onder één dak
open tot de nok
slapen achter verstelbare wanden
open keuken met kookeiland
tafelen aan een lange plank
dito stoelen in natuurhout
Bad en sauna achterin
achter melkwit glas
het schaduwspel der lichamen
Op de grond kurk en hout
je hoort noch kat of hond
iedereen sluipt zonder klank
in dit huis van de lichtvoetigheid
Ingrid Lenaerts
zwarte toetsenOm de studie van klanken
deze waterval van octaven
heen en weer vingers op de toetsen
springend als een dartel hert
slaan op de dissonanten
op je wangen het rood
ademloos het publiek
de zwarte toesten vervreemden
het klankbord lijkt een hellend valk
de verbeelding der wisselende handen
dan het applaus
van een juichende zaal.
Ingrid Lenaerts
kleuren van een stad
het land laat zich wakker wordenHet land laat zich wakker worden
langzaam op het ritme van jonge adem
de velden dampen in het vroege uur
terwijl wer weg een haan de dag in kraait.
Het leven in de stallen gaat borrelen
de koeien woelen waarvan weten ze niet
een onrust drijft hen naar het groen
dat ruikt naar malse en nieuwe zaligheid
ook andere vogels doorkruisen de lucht
Als het licht in dunne strepen aan de horizon
klimt, de duiven zijn de wachters hoog
in de bomen die barsten uit hun winterhuis
Zit er lente in onze neusgaten tegen wind
in als wij hier in het bos de groei ruiken ?
Zijn wij dolverliefd op de zon als zij
ons in haar armen neemt.?
Wellicht een herhaling waard.
Ingrid Lenaerts



feedbackFeed-back van een winterse dag
waarbij je vertrok tegen wil en dank
vroeg in de morgen
de mist was te snijden
op je kraag de rijm
zoals diamanten speldenkopjes
in ons hart de droefnis
als een ontbladerde treurwilg
aan de rand van het kerkhof.
je moest naar dat gevechtsgebied
zo nodig om den brode
Je beloofde zoveel terugkeer
ik hou dit moment gekooid
om het afscheid te verzachten.
Ingrid Lenaerts



2 reacties op dit bericht
winter
winter