zomer
Fietsers op de dijk
Raderen in tegenlicht
Avondzon in vuurgloed
Ingrid Lenaerts
zomerFietsers op de dijk
Raderen in tegenlicht
Avondzon in vuurgloed
Ingrid Lenaerts
leven met colazoals het leven met cola is
één spetterende fontein megacool
onder de bubbels en bellen suikerzoet
om het even waar vind je het paradijs
om te sprinten te sporten, jezelf te overtreffen
je kameraadschap te belijden
in één groot feest
onder het waakzaam oog van deze wereldgigant
die zijn stroperig credo weerspiegelt
tot op de bodem van onze gedachten
die er zijn onschuld heerlijk koelt
van de morgen tot de avond
de nacht consumeert als een must
waar je bij valt of staat
van geboorte tot de dood
Cola is jebruisende metgezel
zonder weerga.
Ingrid lenaerts
dat ik de pretlichtjesDat ik de lichtjes van het park zie dansen op het water
dat ze ons telkens vervormen in de wijde rimpeling van de vijver
het maakt ons tot spel binnen het feest
brengt ons dichter bij elkaar als wiegende tortelduifjes
dan zeg je me voor eerst heel zacht dat je van me houdt
ik hoor niets liever, ik zoek mijnadem knijp in je hand
ik verdwijn in de mistvan mijn antwoord en fluister ik ook
Zouden de pretlichtjes nu ook in onze ogen weerkaatsen?
Ingrid Lenaerts

Op een drafje die middag
plaats en tijd waar we over de dood praatten
waar de angst schijnbaar aan banden lag
als een gevaarlijke hond gemuilkorfd
en wij toen lachten om het geraamte met zijn zeis
daar hebben we de inventaris gemaakt
van zoveel wegen die we wilden mijden
terwijl ik huiverde in dat besneeuwde winterland
dat mijn onmacht verwrong in doffe woorden
naasthet huis dat me lief was als levenskracht
maarzijn deuren nooit ontsloot.
Ingrid Lenaerts
schelpen
zwerm
ontgoocheling
bij een standbeeldHij kijkt richting zeegat, staat daar
Zijn jaren uit armen gekruist te turen
In zijn maritieme plunje
Regen en wind moet hij verduren
Onverstoorbaar
De westenwind speelt in zijn holle rug
De vogels zitten op zijn hoofd te schreeuwen
wordt hij oneerbiedig bejegend, bekakt
een verwelkte bloemenkrans aan zijn sokkel
resten friet en ijs van dagjestoeristen
de bouvier die zijn poot licht
Arme dode zeelui hier herdacht
De boten kruisen elkaar aankomst
En vertrek, het wrede vertrek
Zit in zijn hoofd het eeuwige afscheid.
Ingrid Lenaerts
Ballade van het verzonken dorp
win
dag van het parkNog jong van loof dat dorst naar zon
Takken als open armen hemelwaarts gericht
Zo stuwen de beuken hun levensappen
Door de kanalen van hun stammen
Ze vieren feest in de lange laan
Terwijl het licht door hun kruin breekt
Een grillig raster van zon en schaduw
Een wandelaar vervolgt zijn weg
Tot hij aan de horizon overstapt
In een andere lichtgroene wereld
Waar de lente verder doorbreekt
aan de parkvijver onder de treurwilgen
waar de snatereenden en zwierige zwanen
wachten op het brood
dat de man hen bij brokken toewerpt.
Ingrid Lenaerts
begrip 2 belediging
Hij die aanraakt
Niet goed in die grote huid
die zijn hele lijf overspant
die trilt van opwinding
als hij haar ziet
die hij liefheeft
zou haar wel willen aanraken
verplicht zijn huid
om de burgerregel
haar af te stoten
werd al aangeraakt
weerde haar af
met alle kracht onder die huid
die moest verstoten met taal en tekens
want aanraken doet verlangen
verlangen dat niet mocht
Die hij liefheeft
die hem laat blozen
hem laat trillen
weglopen
hij die aangeraakt wordt
uitdagend kwetst
zichzelf en wie hij liefheeft.
Ingrid Lenaerts
begrip 1 suggestie
bosvruchten
wolkendans

mezelf buiten
zij zag zichzelfZij zag zichzelf in het doodskader gezet
een wereld warm en welkom werd een gat
donker als de nacht in het hol van de leeuw
toen de grond onder haar voeten vertrok
alsof de aarde openscheurde in eeuwig magma
vlammmen als torens smeltend metaal
Geen woord of gebaar bleef overeind
laat staan gedachten met een niets weggeflitst
Ingrid Lenaerts