in juli
Het dagelijks leven is één grote stilte op de straat.
Ingrid Lenaerts
in juli
ik wandelSchrale poldewind
ik loop een eind ver steevast
verkild zoek ik jou
zwermen vogels uit
najaarssprokkels lucht herleeft
op het kille meer
ik wandel naar jou
antwoord in wolken bedekt
mijn hoofd vol vragen
zoek mij zacht jouw blik
ik leef ziel en lijf naar jou
geloof zo samen
draag dit land huiswaarts
geluksvogel in een nest
zonnebloem tot dak.
Ingrid Lenaerts
Tante IrmaZij draait rond haar hoofd verleden tijd
herinnert zich niet nu ook later is er niet
alleen dat het weer regent vandaag en dat het zoemt
Wat zeg je daar allemaal? Het waait hier
Zij luister naar haar glimlach,hoor eens
zegt ze en dan vogt de nijpende stilte
terwijl ze vlindert voor mijn oog,uitgedoofd
Kunt gij breien vraagt ze.Ik zal het u leren
Ik bedank terwijl ze mijn hand neemt
ze bekijkt me en vraagt of dit nu mijn hand is
Misschien is het de hand van uw pa,zo warm
Neen fluistert ze.Ongelovig sluit ze me buiten
Tanta Irma ruikt naar bouillon en soegroenten
terwijl ze me omarmt en duisternis weent
haar eerste kind is vandaag gestorven,denkt ze
Ze wil naar haar moeder die haar thuis wacht.
Kon ik haar maar helpen?
Ingrid Lenaerts
Fort NapoleonWij zijn onomkeerbaar bezeten
van verleden tijd het fort in zicht
Vijhoekig bolwerk verweerd in gedachten
verdedigt zich in weer en wind
Zonder doel en weg van zijn aard
sombere kijkkast van heldendaden
zweet van soldaten en zwendelaars
huin ziel verbeten in het zand
sleept nu alleen nog bezoekers aan
door zijn kelders en kokers
verwent gastronomen tot confidenties
na een betonnen dood dit dolend leven.
Ingrid Lenaerts
met zicht op zeeDe zon sleept het vuur bij vegen
in haar gloed over een rimpelende zee.
Geen wolk ademt of zucht,ze zijn alleen
schitterend licht in het brandpunt
wij volgende horizon met potloodstreep
een bood verwijnt onder de kantlijn
de stilte hangt spannend over het water
als een dekzeil over een schuilplaats
Een vlucht meeuwen toert loerend
zij krijsen hun vraatzucht met nadruk
de kust lokt de vogels met hun geklapwiek
en dan vogen,vis en zout tegen wind in
Ingrid Lenaerts
begrepenMoeder heeft het leven begrepen.
Zij nam afscheid van de laatste houvast
van de wilde rivier.
zij mocht alleen herinnerring blijven
Tijd verzamelde zijn buit;
de jaren schitteren er bovenuit
te korte vleugels de adem versneden
onvolgroeid boom en vrucht
Zij hoorde de nachtegaal zingen
zij brak het doen,liet het laten
de vogel nam het hart zij ging heen
altijd leegte
Ingrid Lenaerts
kinderen van verdrietZe herschreven de angst elke nacht
dat ze wenend tegen het bed bonkten
de zoveelste demoon die ze bekampten
de ommacht om elke kaakslag
het schelden en de schuttingtaal
Ze huilden hun dromen bij elkaar
Ze stikten in de valstrikken van de nacht
hun verdriet voor de volgende morgen
groter dan de diepe vijver in het park
waar ze zich spiegelden in de zon
en hoopten op een ander land
van alle lieve mama's en papa's
als sterke knuffels die zo nodig hadden
Ingrid Lenaerts
berkenTegen de ondergaande zon
tussen torenhoge stapelwolken
prevelen berken een avondlied
in de lauwe wind die hen beroert
Ze lijken net een groep witte schutters
op uitkijkpost tussen dag en acht
voor de horizon van dit landschap
waar de eerste sterren al pinken
voor de rosse maan haar positie versterkt
Ingrid Lenaerts
vrolijke noot
woestijn
brede luchtenBrede luchten
Boven de velden stonden de hoge stapelwolken te zonnen
in het felle licht dat weerkaatste van de aarde tot de horizon.
gedreven als een vogel met de wiekslag in zijn volle breedte
speelde de wind in mijn haren strekte ik mijn armen uit
dacht datik de roep van de wilde ganzen ooit zou horen
speelden de hoge canada's verstoppertje in hun schaduwen
de ladder tot de hemel met zijn witte ledikanten vol watten
de ijsgrotten gebouwd uit wasems van reuzen in de lucht
ijdele droom deed mij vleugels krijgen en dwarrelen
vertraagd zoalszilveren engelen naar de aarde wiekten
schouwde ik het land van Bohemen met grote trots
het gele koolzaad op de kavels als één wiegende zee.
Ingrid Lenaerts
huren
hitteVerlaten ligt de straat op dit uur
dat zindert in kronkels over de weg
Geen mens tuft door deze warmte
tenzij vrachtwagens met hun warme adem
hier en daar fietsers die afkoeling zoeken
in wat windsnelheid die ze aanmaken
Asfalt kleeft aan je voeten als pasta
Het trottoir gaapt van de hittegaten
Wat een hondse dagen !
Ingrid Lenaerts
ergens
vroege vogeleen vroege vogel
breekt er de morgenstilte
heel luid kwetterend
Ingrid Lenaerts
zomerTussen de zomervelden brandt de zon ongenadig
weilanden zijn net stoppelvelden in hun schraalheid
Runderen staan in de schaduw van enkele bomen
ze kijken triest naar de waterbak die leeggedronken is
De canada's in de hoge maten ruisen flauw
er warrelen al vergeelde blaren tussen het dorre gras
je ziet nauwelijks iets of iemand die beweegt
de landerijen slapen in de gloeiende hitte
Alleen de klok op de kerttoren luistert naar twaalf
de tijd draait ongenadig verder zonder enige bekommernis
verkoeling is een duurzaam woord dat nu niet geldt
in dit inferno van een hoogzomerse hittegolf
Ingrid Lenaerts

Hij draagt een haas in zijn hoofd
die schichtig zijn lange oren spitst
vlucht bij de minste weerstand
maar rondtolt in die enge ruimte
zodanig dat hij met hoofd en haas
geen blijf weet en bijna wanhoopt
voor de neus en de staart van het beest
die voortdurend klopt om verlossing.
Hij vraagt hem te helpen
bij het uitlaten van de haas
maar hij is nog altijd onderweg
om de haas de wijde wereld in te sturen
Laat je dus niet misleiden
de haas vertrekt er toch nooit.
Ingrid Lenaerts
verstrikt
trekkers