hun zonen die nog recht op toekomst hadden
Op de kerkhoven rond Ieper rusten ze voor altijd
Ingrid Lenaerts

boksers
rootputten
uit calorische contracten
winter in de brouwerswijkRijen huizen met witte daken zoals op een slagroomtaart
gewafeld daaronder pannen kermend onder het gewicht sneeuw
en dat de kou gekomen is kunnen ze niet zeggen
en dat ze willen ademen maar slechts kraken kunnen
de fabrieksschouwen vereenzamen hoog in kilte
De brug over de drie duikers lijkt verweesd van kou
treurwilgen kaal en berijmd verkleumen in hun bast
we zien sneeuw en alweer sneeuw bij massa
langs de straat op hopen gegooid geschonden blank
tot smeurie vertrapt tegen de muren van de grote schuren
een slee schuift door de herinnering van het paard
nog een jong dier dat twee mensen onder een deken voortdrekt
in de schaduw van een ijselijke afstandelijke middagzon
stilte heeft al die jaren in dat moment geconserveerd
op een zwartwitte foto de winterse wijk van de brouwershoek
Ingrid Lenaerts
in zijn vrouw
wij doen alsofWij alsof we zitten prinsheerlijk onder de sterren
de nacht te bevragen naar zijn charmes
zijn parfum en omfloerste stem in de hals
een mand boordevol zomers verlangen denken
we weten dat het nog winter is nu het sneeuwt
in onze verzen het bos wit als poedersuiker
spinnenwebben als kanten kragen aan de boom
wellicht schaatsers in onze droom op het ijs.
Morgen vieren we onze helden in rondelen
Einstein die het heelal uit zijn hoofd haalde
die de formules doorzag en klaarstoomde
de wetenschap in dienst sprak van relatviteit
Wij hebben kriebels van zoveel gedachten vleugels
woorden die ons stuwen tot behoefte of begeerte
de wens wie durft zich in liefde baden of dompelen
vrede hopen want wij geen helden van het laatste uur
hebben nu alleen slaap.
Ingrid Lenaerts
zie hem flirten
welgeteld
zie ze feesten
Eerst was
festijn
Ze zegt dat
rotdag
Suffen
Domino of zo
poëziebos
In de binnenstad