wintersprokkel
hout voor heel koude wintes
het vuur aan de haard
Ingrid Lenaerts
wintersprokkel
wassen beeld
morgen
vissersEen ijzige kalmte in hun blik
eerder op oneindig over grenzen heen
het wateropppervlak borrelt bellen
kringen die traag uitdienen
voor de ogen van twee dromende vissers
tot de vis hen verschakt
Ingrid Lenaerts
gele blarenNatte bladeren
lijken vergeeld in sterven
kleven in plassen
doodse stilte prangt
de sfeer kil tot klein verdriet
het park treurt en weet
Ingrid Lenaerts
gele blarenNatte bladeren
lijken vergeeld in sterven
kleven in plassen
doodse stilte prangt
de sfeer kil tot klein verdriet
het park treurt en weet
Ingrid Lenaerts
anna
vervreemding
berkenBerken met hun witte stammen
die hun schors laten pellen
als een kinderspel in de wind
vergroeid met blauwe luchten
bos en hei eeuwig in hun buurt
ze groeien in scholen van drie of vier
naast het ven met zijn rietkragen
Berken roepen in mij de heimat op
stil en overtuigend in het landschap
dat purper bloeit in september
op de schrale gronden van zijn troost.
berken zijn als magiërs van romantiek
voor wie hen gelooft en belijdt
Ingrid Lenaerts
