A. Einstein.

Albert Einstein
March 14, 1879 - April 18, 1955
" I want to know God's thoughts.....
the rest are details. "
A. Einstein.
Albert Einstein
March 14, 1879 - April 18, 1955
" I want to know God's thoughts.....
the rest are details. "
gedicht van Elsschot over zijn vrouw.
Aan Fine.
Ik heb u altijd zoveel leed gedaan
mijn mager lief en u toch zo doen lijden;
ik heb u steeds de vrome vree doen mijden
die gij kondt vinden op uw levensbaan.
En 'k zie u bleek, met moede schreden gaan,
kalm en beslist u klemmend aan mijn zijde,
gelovend volgend waar ik u ook leide
en nooit herdenkend wat ik heb misdaan.
Gij zijt een beeld van 't goede dezer wereld,
het helder lichtend goddelijke ware
dat niet kan tanen daar het eeuwig is.
En door uw tranen luisterlijk ompereld
zie ik u schitterend door 't leven varen,
in stille trots torsend uw droefenis.

Geachte,
( Albert Einstein ).
Zonder de bijen liggen er geen appels, pruimen of komkommers meer in de winkels, kunnen zonnebloemen, mosterdzaad of soja geen zaden meer vormen en zal het drinken van koffie tot het verleden behoren. Bijen vertegenwoordigen een enorme economische waarde en zijn en goede indicator hoe het gesteld is met ons milieu. Zij zorgen voor 75% van de bestuiving van gewassen.
De laatste jaren gaat het niet goed met deze bijzondere diertjes. De bijensterfte is vooral een gevolg van monoculturen in de landbouw en het gebruik van pesticiden. Niet voor niets heeft professor Fr. Jacobs ( RUG) recent de lokale overheden opgeroepen om maatregelen te treffen de bijenpopulatie op peil te houden.
Voor ons, imkers, is de lokale overheid het medium bij uitstek om concrete acties te ondernemen die het op peil houden van de bijenpopulaties garanderen. De maatregelen en acties zijn gericht op de burgers, op de land-en tuinbouwers, natuurverenigingen, en naar de gemeente zelf .
Door het aanplanten van vooral linden, acacia’s, kan de gemeente haar voorbeeldfunctie gestalte geven.
De honingbij.
De honingbij is een insect dat leeft in groepsverband in korven of kasten. Op zomerse topdagen kan een volk wel uit meer dan 50.000 bijen bestaan. Oorspronkelijk trokken bijen in het wild rond, maar de mens ontdekte de positieve eigenschappen van dit diertje en ze werden in korven gehouden door imkers. In Vlaanderen zijn wilde bijen zo goed als verdwenen. Dankzij de imkers worden duizenden bijenvolken verzorgd en krijgen ze een kans op overleven.
De honingbij staat vooral bekend als leverancier van de zoete lekkernij honing, daarnaast is de bij ook leverancier van stuifmeel, propolis, bijenwas ( kaarsen) en koninginnebrij. Bij het verzamelen van nectar en stuifmeel zorgt de bij ervoor dat er duizenden bloemen bevrucht worden. Heel wat land-en tuinbouwteelten kunnen niet zonder de bij. Een bezoek van de bij is de garantie dat bomen en planten vruchten vormen of zaden dragen. Daar de bij verantwoordelijk is voor 75% van de bestuiving van gewassen, is zij een onontbeerlijke schakel in het agrarisch-economisch systeem. Dat is waarschijnlijk de minst gekende maar meest belangrijke bijdrage die de honingbij ons levert.
Het probleem: De bijensterfte.
De laatste jaren treedt er opvallend veel bijensterfte op. Volgens professor Fr. Jacobs zou die in België in 2002 40% bedragen hebben. Ook in de buurlanden treedt er een enorme bijensterfte op. ( Duitsland 20%, Luxemburg 18%, Nederland 15%, Frankrijk 30% )
De oorzaak van deze sterfte is vooral het gevolg van de monoculturen in de landbouw in combinatie met het gebruik van pesticiden. De grote monoculturen zoals bij ons de maïsteelt, of in Frankrijk de zonnebloementeelt zorgen ervoor dat bijen een zeer eenzijdig menu krijgen voorgeschoteld wat uiteindelijk leidt tot algemene zwakte van de dieren; Het ontbreken van variatie in het voedselaanbod van de bijen ( bv. paardebloemen, klaver,linden, acacia, enz.) heeft deze diertjes dusdanig verzwakt dat de veel gebruikte pesticiden voor velen de genadeslag is. Om een bijenvolk te laten overleven moet het jaarlijks 50 kg stuifmeel kunnen verzamelen. Vele imkers verplaatsen hun bijenkasten geregeld naar plaatsen waar veel stuifmeel voorhanden is , zoals koolzaadvelden of boomgaarden ( in de fruitstreek).
De economische waarde van de honingbij.
Professor Fr. Jacobs, verbonden aan het laboratorium voor zoöfysiologie aan de RUG, heeft vastgesteld dat de honingbijen een enorme economische waarde hebben. Op wereldschaal komen honingbijen na runderen op de tweede plaats inzake toegevoegde waarden aan de voedselindustrie. In Italië werd berekend dat de opbrengst van de bijen vergelijkbaar is met het Fiat-Concern. In België wordt de economische waarde geschat op 500 miljoen Euro.
Jacobs klasseert de bijen, gezien het (indirecte) economisch belang voor Vlaanderen, op de vierde plaats, na de koe, het varken en de kip.
De ecologische waarde van honingbijen.
Honingbijen zijn een perfecte waardemeter voor de toestand van het leefmilieu. Bij vervuiling kunnen bijenkasten op verschillende afstanden van de vervuilingsbron worden geplaatst om aan de hand van het stuifmeel na te gaan welke flora in een gebied overleeft of niet. Deze techniek werd reeds toegepast na de kernramp in Tsjernobil. Voor de problematiek van het cadmium in Noord-Limburg zouden deze technieken ook kunnen toegepast worden.
Geen bijen, geen appels.
Een aantal tuinbouwgewassen kunnen doodgewoon niet zonder de bij. Zonder bezoek van de bijen worden de bloemen niet bevrucht en vormen er zich geen vruchten? De appel, de kers, wordt zo voor 90% bestoven door de bijen. Voor aardbeien is dat 80%, voor de peer en framboos 70%. Maar ook groenten als komkommer, aubergine en peulvruchten hebben baat bij het bezoek van het bijtje.
Vruchten en zaden die elders worden gekweekt, kunnen niet zonder bijen. Denk maar aan zonnebloemzaden voor de zonnebloemolie, de koffieboon voor ons dagelijks kopje koffie, of de heerlijke watermeloenen die in de zomer onze dorst lessen.
Het op peil houden van de bijenpopulaties.
Als we de bijenpopulatie bij onze imkers op peil willen houden dan dienen er maatregelen getroffen te worden. Hierbij dient de nadruk gelegd te worden naar planten en bomen die veel stuifmeel produceren. Stuifmeel is het voedsel voor de bijen. Daarnaast dient er ook naar het aspect variatie gekeken te worden. Door een zo gevarieerd aanbod aan voedsel voor bijen te voorzien wordt hun natuurlijke weerstand vergroot.
Ook het aspect tijd is van belang. Het inzaaien van bermen of akkers zijn korte termijn maatregelen waar bijen meteen baat bij hebben. Bij het aanplanten van lindebomen, acacia’s en andere bomen of struiken worden de voordelen op langere termijn merkbaar.
Tegen de achtergrond van bovengeschetste problematiek suggereren de imkers dus een bijvriendelijk beleid uit te werken. Dit beleid kan gericht worden op verschillende doelgroepen zoals de gemeente, de particulier, landbouwers, siertuinbedrijven, scholen en ( jeugd)verenigingen.
1.De Gemeente.
1.1. Het aanplanten van bomen die veel stuifmeel dragen. Bv. linden, acacia’s enz. In onze gemeenten zijn heel wat straten die niet voorzien zijn van bomen. Op een aantal andere plaatsen werden niet de juiste bomen aangeplant Bv. eiken.
1.2. Het inzaaien van bloemenmengsels ten voordele van de bijen. Bij het inzaaien van grasvelden in openbaar groen en in bermen kunnen ook een aantal overblijvende bloemen ingezaaid worden; zoals klaver.
1.3. Bij het aanplanten van openbaar groen, planten en struiken kiezen die bijvriendelijk zijn.
1.4. Terughoudend zijn met het afgeven van kapvergunningen van typische bijenbomen.
1.5. Stimulering en ondersteuning ( materieel en financieel ) voor de imkers van de eigen gemeente.
2. De particulier.
2.1. Het verdelen van zaadmengsels om in de tuin of bloembakken in te zaaien. Als in iedere tuin in Limburg 1 m2 bijenbloemen worden gezaaid, betekent dit in totaal een enorm aantal bloemen waar bijen aan hun nectar en stuifmeel geraken.
2.2. Promoten van het aanplanten van fruitbomen “ zet een appel in je tuin” ( appel, peer, kers) en bijenvriendelijke struiken.
2.3. Het geven van extra informatie rond bijenbomen, struiken en planten. ( infobladen).
3. Tuinbouwers en siertuinbedrijven.
3.1. Het inzaaien van braakliggende terreinen met een bijvriendelijk bloemenmengsel. Op basis van gegevens van de landbouwtelling heeft er veel grond braak gelegen. De regeling “braak” maar ook gewoon “ faunabraak” bieden de mogelijkheid om op deze plaatsen in te zaaien.
Landbouwers en natuurverenigingen, wildbeheerseenheden of bijengilden kunnen in
onderling overleg een aantal planten zaaien zonder dat de landbouwer zijn steun
voor braak verliest. ( BS. 21.01.1998).
3.2. Aanplanten van kleine landschapselementen ( hiervoor is een subsidie verkrijgbaar ). Deze acties kunnen opgenomen worden in het landbouwbeleidsplan.
3.3. Siertuinbedrijven kunnen door middel van promotie en van labeling extra aandacht schenken aan typische bijenplanten ( Bv. door de enkelbloemige planten te promoten).
4.Scholen en verenigingen.
4.1. In iedere school een bijentuin aanleggen.Deze kan best gecombineerd worden met een vlindertuin, waardoor de educatieve waarde groter wordt.
4.2. De scholen en verenigingen krijgen toegang tot een bijenmuseum tegen gereduceerd tarief. Dit educatief bijenhuis zou in onze groene gemeenten zeker op zijn plaats zijn.
4.3. Op deze wijze worden kinderen op jonge leeftijd maar ook volwassenen en senioren gesensibiliseerd en geboeid door de wereld van de honingbij.
Wij, imkers, vragen van de gemeenten om een volgehouden bijvriendelijk beleid, verankert in het milieujaarprogramma. Dit beleid dient verder uitgestippeld te worden in de bevoegde commisies en raden.
Met de meeste hoogachting,
i.o.v. De Imkersvereniging St. Ambrosius van Overpelt.
J. Casteleyn, lid van het bestuur.
e-mail: jan.casteleyn@euphonynet.be
e-mail van de vereniging: imkersoverpelt@hotmail.com
plezant bijengedicht.

De Bozige Bij.
Een bij, wier naam niet wordt genoemd,
had heel haar leven blij gezoemd.
Ze zei: thans heb ik het bekeken,
nu wil ik graag eens iemand steken.
En dan het liefste in de neus,
dat lijkt me nou zo curieus.
Het werd een moeilijke keuze.
Er waren namelijk vele neuzen.



bij en zonnebloem

Gedichtje over de bij.
Het knaapje en de bie.
Een bieken vloog al gonzend rond
om in de bloempjes die het vond,
zijn honing te vergaren.
Een knaapje luierde op den grond
en lag, met wijd gesperden mond,
het bieken na te staren.
het bieken neerstig en gezwind,
dat spotte met zoo'n vadsig kind
en bromde 't langs zijn oren.
Toen vluchtte 't knaapje, slecht gezind,
en kloeg bij broer en zus en vriend,
dat 't bieken hem kwam verstoren.
Het bieken steekt zoo boos en kwaad
en bromt en spot, uit nijd en haat,
zo klonk zijn bitter klagen.
Wie niet wil werken, kameraad,
verdient het juist dat vroeg of laat
zo'n bieken hem komt plagen.
een bij vol met stuifmeel
de paardenbloem en de bij
de korenbloem en de bij
cartoon

cartoon

bijenzwerm
oud bijenboek
rustig omgaan met bijen

behandeling bijensteek
bijensteek

Een bij, een wesp of een hommel.
Vele mensen kennen het verschil niet tussen een bij, een wesp of een hommel,
wanneer zij in de zomer lastig gevallen worden door insecten.
Naast deze drie zijn er nog vele andere beestjes die er soms sterk op gelijken.
Onnodige paniek is dikwijls het gevolg.
Daarom een beetje uitleg over de drie meest voorkomende bezoekers in onze tuin.
Veel wespen in augustus.
In het voorjaar zie je zelden een wesp of een hommel, maar in augustus des te meer.
Dat komt door de wijze van voortplanting, en die verschilt nogal van die van de honingbijen.
Hommels en wespen worden vaak voor bijen aanzien en dat is ook een beetje te begrijpen
want er zijn duidelijke overeenkomsten.
Honingbijen, wespen en hommels behoren tot de sociale insecten, die staten ( kolonies) vormen.
Maar er zijn veel meer verschillen.
Het belangrijkste verschil is dat honingbijen zomer én winter in een kolonie leven,
maar dat bij de hommels en wespen alleen de koninginnen overwinteren.
Een ander verschil is het verzamelen van voedsel.
Hommels en honingbijen bezoeken alleen maar bloemen.
Wespen eten ook dode insecten, en verder alles wat zoet is, dus ook de boterham met jam
en de limonade die wij hen op het terras zo royaal aanbieden.
Waarom juist wespen in augustus ?
Als de koninginnen van de hommel en de wesp in het voorjaar uit hun winterrust komen,
gaan ze op zoek naar een geschikte nestgelegenheid en zij moeten dan alles alleen opknappen.
Bouwmateriaal verzamelen en bewerken, eitjes leggen, voedsel voor de larven verzamelen en het broed verwarmen.
Pas als de eerste werksters uitlopen, krijgt ze hulp.
Dan gaan de werksters voedsel en bouwmateriaal verzamelen en cellen bouwen,
de koningin moet vanaf dan alleen maar eitjes leggen.
Zo kan het volkje groeien en hoe meer werksters, hoe sneller de groei.
In de zomer wordt het hoogtepunt bereikt en dan is het volk in staat om nieuwe koninginnen te kweken.
Die worden dan bevrucht en zoeken dan weer een plekje om te overwinteren.
De rest van het volk gaat geleidelijk dood als de nachten kouder worden.
Gedaan dus met hommels en wespen.
Hommel- en wespennesten kunt u het best ongemoeid laten, ze sterven vanzelf uit
en ze komen het volgende jaar niet meer op dezelfde plaats terug.
Toch kan een bevolkte wespennest in de tuin erg hinderlijk zijn.
Vraag dan een imker of de brandweer om het op te ruimen.
Maar doe het alleen maar als u er echt last van hebt.
Inderdaad, zowel de honingbij, de wesp en hommel kunnen steken.
Maar als zij het doen is het altijd onze eigen schuld.
Als wijzelf bedreigd worden, dan verdedigen wij ons ook.
De honingbij en de hommel zullen alleen steken indien wij hun woning verstoren of er per ongeluk gaan op zitten.
Want als ze op de bloemen vliegen, hebben ze geen enkele belangstelling voor ons.
Met wespen ligt het iets anders.
Die krijgen steeds meer behoefte aan zoetigheid naarmate het seizoen vordert.
Vanaf augustus dus. Tot dan haalden zij die zoetigheid uit de bloemen en fruit.
Nu moeten zij dat ergens anders halen. Zo wordt ons gebakje en limonade erg verleidelijk.
Op die manier lokken wij ze naar ons toe en gaan we slaan.
Spontaan zal een wesp nooit steken.
Probeer daarom de zoetigheid wat af te dekken of lok de wespen naar een andere hoek van de tuin
met een bierflesje met een beetje bier en wat honing, zodat het lekker gaat gisten.
Succes verzekerd.
Probeer ook te voorkomen dat de wespen tussen kleding en de huid terecht komen.
Als ze bekneld geraken is de kans groot dat ze gaan steken.
Belangrijk om weten is dat de honingbij maar één keer kan steken,
Wanneer de bij steekt, verliest ze haar angel en gifblaasje en sterft ze kort daarna.
Wespen en hommels kunnen meerdere keren steken. Een hommelsteek is het minst erge.
Zijn die steken nu gevaarlijk ?
Ze zijn wel pijnlijk, maar slechts voor een enkeling echt gevaarlijk.
Alleen mensen die echt allergisch zijn voor insectenbeten, moeten voorzichtig zijn.
plegen
Honingbijen moeten hamsteren.
Omdat de honingbij als kolonie overwintert, moet het volk een flinke voorraad voedsel aanleggen.
De ganse winter heeft dat volk voedsel nodig, ook om zich warm te kunnen houden.
De temperatuur in de bijenkorf of in de bijenkast bedraagt in de winter 15°.
Maar reeds in december, na de kortste dag, gaat de koningin weer eitjes leggen
en voor het opkweken van broed is een temperatuur van 35° nodig.
Dat betekent voor de bijen dat ze extra warmte moeten ontwikkelen.
Ze doen dat door de vliegspieren te laten trillen met losgekoppelde vleugels.
Om te werken moet je veel eten en daardoor gaat de voedselconsumptie met sprongen omhoog.
In het voorjaar groeit het bijenvolk heel snel van 10.000 individuen naar 40.000 en meer.
Daarom huurt de fruitteler graag bijenvolken voor de bestuiving omdat er al genoeg bijen zijn
en andere bestuivende insecten nog niet.
Honing produceren is dus geen vriendelijk gebaar naar de imker toe,
maar een noodzaak om in leven te kunnen blijven.
Als een imker de honing van zijn bijen afneemt, geeft hij in het najaar een voorraad
van ongeveer 15 kg. opgeloste suiker terug en daar kunnen de bijen zeer goed op overwinteren.
De hommel en wesp hebben het gemakkelijker.
Die verzamelen alleen wat ze direct nodig hebben om het broed te voeden.
Alle soorten hebben ook eiwitten nodig.
Wespen eten daarvoor dode insecten en helpen om kadavers op te ruimen.
De hommels en de bijen verzamelen stuifmeel van de bloemen.
De sociale insecten: wie niet sterk is moet slim zijn.
De meeste insecten leven alleen ( solitair ). Slechts enkele soorten hebben een leven in groepsverband ontwikkeld:
Bv. mieren, termieten, enkele hommel- en wespensoorten en de honingbij.
De meeste bijen en wespensoorten leven solitair.
Sociale insecten hebben een bewonderenswaardig samenwerkingspatroon opgebouwd
waarbij de communicatie in hoge mate gebaseerd is op tasten en ruiken.
Toch blijft de vraag: is leven in groep een teken van kracht of van zwakte ?
Eén enkele honingbij kan niet overleven, een hommel- of wespenkoningin kan tenminste
nog op eigen kracht de winter doorkomen, maar’ de meeste insecten kunnen het
solitaire leven prima aan.
Met alle bewondering die we moeten hebben voor het vernuftige samenwerkingsverband van sociale
insecten, ontlenen zij hun echte kracht aan hun aantal en het leven in een gesloten ruimte
die goed te verdedigen is en waarin zij een eigen leefklimaat scheppen.


Vlak na de overgave was het allerminst duidelijk wat de bezetter met de overwonnenen van plan was. Dagenlang lieten de Duitsers het Belgisch leger ongemoeid, terwijl ze verder oprukten tegen de Britten en Fransen aan de kust.
Her en der besloten soldaten de bevelen van hun oversten te negeren en naar huis te gaan. Meer dan eens gaven de officieren trouwens zelf het voorbeeld. Meestal bleef deze desertie beperkt tot individuele gevallen.
In de buurt van het front lagen de zaken anders : de chaos was er groot en de Duitsers konden grote groepen ex-vijanden die de verbindingslijnen door hun aanwezigheid bemoeilijkten, missen als de pest. Daarom gaven zij de Belgische soldaten vaak zelf het bevel om naar huis te gaan.
Wie thuis raakte zonder opgepakt te worden, was nog niet veilig. Hier en daar werden teruggekeerde soldaten opgespoord, en wie geen officieel “ Entlassungsschein “ kon voorleggen, stuurden ze zonder pardon naar Duitsland. Teruggekeerde soldaten kregen soms de aanmaning door aanplakbrieven zich over te geven. Wie braaf gehoorzaamde, kon zich verheugen op een reis naar Duitsland. Wie het bericht aan zijn laars lapte, liet men met rust.
De meeste soldaten bleven gewoon waar ze waren en wachtten verdere bevelen af. Enkele moedige zielen probeerden aansluiting te vinden met 200.000 Belgische militairen in Frankrijk of bij de Engelsen, hoewel deze kans op slagen praktisch nihil was. De legerleiding was deze ontsnappingspogingen niet gunstig gezind: verscheidene groepen vroegen eerst toestemming aan hun oversten maar meestal was het antwoord negatief.
De Duitsers dachten er niet aan de hele Belgische troepenmacht naar het Derde Rijk te sturen.
Ze wilden overgaan tot een demobilisatie en “ slechts “ de actieve militairen en de Waalse soldaten naar de Stalags ( Mannschaftsstammlager, voor onderofficieren en soldaten ) en de Oflags ( Offzierslager, voor officieren ) sturen.
Tijdens de tochten naar de verzamelplaatsen ontsnapten er enigen uit de rangen aan de Duitse bewakers, leenden ergens een burgerpak en geraakten ook thuis.
Eind 1940 kwamen er al ongeveer 100.000 Vlaamse krijgsgevangenen naar huis. Onder hen bevonden zich ook heel wat Franstalige Brusselaars en enkele Walen die erin geslaagd waren de taalcommisie te verschalken.
Deze uit Duitsers en Vlaamse collaborateurs bestaande jury moest, op basis van woonplaats van de betrokkene en aan de hand van een paar vragen, over hun effectief Vlaming zijn oordelen. ( Dit alles gebeurde in het kader van wat Hitler de “ Flamenpolitik noemde )
Zo heeft ook H. Casteleyn op 9 juni in Gent zijn “ Entlassungsschein ontvangen ( Afb.8.) en kon hij naar huis.
|
|
familieboek
Grasduinen in onze Vlaamse geschiedenis aan de hand van de naam Casteleyn
Dit is een werkje dat ikzelf gemaakt heb over mijn voorouders in rechte lijn ( Antwerpen en Hamme ).
Het staat op cd en ik heb het ook laten drukken op eigen kosten.
Inlichtingen: mailen naar:
jan.casteleyn@euphonynet.be


3.2.Oorsprong “ Casteleyn “.
Twee betekenissen van de naam Casteleyn worden algemeen aanvaard, nl.
Deze persoon is echter niet noodzakelijk de eigenaar van het kasteel.
Om de echte oorsprong van het begrip “ castellanus, castelein “ te achterhalen moeten we terug naar de 10e en 11e eeuw in Vlaanderen.
Namens de koning werd in de Karolingische tijd het bestuur waargenomen door een graaf, een comes ( lat.). Later werd deze titel verlaten en ingeruild voor de nieuwe bescheiden benaming van vicecomes ( lat.). Dus letterlijk de vice-graaf van een burcht of kasteel. In Vlaanderen bestonden er in de 10e en 11e eeuw verschillende gouwen met hun graafschappen en steden. Zo was er bijvoorbeeld de stad Brugge die ook een burggraaf en kastelein had.
Deze kastelein voerde het bevel over het garnizoen van de grafelijke burcht, die verdedigd moest worden tegen de vijand. Maar hij trad ook op als politiemacht om, in de nog woeste samenleving van toen, binnen zijn omschrijving orde en rust te handhaven.Verder voerde hij in tijd van oorlog de militie aan die uit de bevolking van zijn gebied werd gelicht.
De bevolking kon door de kastelein worden opgevorderd om gratis karweien uit te voeren voor onderhoud- en bouwwerken aan de grafelijke burcht en aan openbare wegen of waterlopen. Namens de graaf oefende hij rechtsmacht uit en zag er op toe dat diens inkomsten op tijd en naar behoren werden geïnd
In de geschiedenis van die tijd bestaat ook het begrip “ het kasteleinschap “
De oudst bekende kastelein van Brugge wordt vermeld in 1046.
En in een oorkonde uit Egmond van 1083 vinden we de volgende persoon:
“ Adaluuin castelanus ( in het latijn ) en in een 15de eeuwse vertaling in het Middelnederlands wordt dit: “ Adalwijn casteleyn “.
3.3. Schrijfwijze.
Dit is een ander paar mouwen!! Er zijn zoveel verschillende mogelijkheden.
De huidige schrijfwijze van onze familienaam is gans anders dan de oorspronkelijk.
Het grote probleem is dat men voor 1800 zijn naam schreef zuiver op het gehoor of de manier van uitspreken..
Voor 1250 is de eigenlijke familienaam slechts sporadisch aan te treffen. En erfelijkheid via de familienaam treedt pas op vanaf de 14e – 15e eeuw.
Het ging hem in die tijd vooral om de eerste naam ( wij zouden zeggen: de voornaam ).
En om toch een onderscheid te maken sprak men dan van “ de zoon van “ .
Een voorbeeld uit de coopmansboeken van Oudenaerde, begonnen in 1343.
“ Abraham de casteain fs heer mathys Arends zoene fs Iacops “
Fs en zoene betekenen “ zoon van “.
Ook bij het samenstellen van de zgn. poortersregisters ging het niet zozeer om de juiste schrijfwijze: de vermelding van vader en grootvader was voor hen belangrijker bij de vastlegging van iemands identiteit.
Zo gebeurde het dan ook regelmatig dat één en dezelfde persoon zijn eigen toenaam in verschillende documenten op verschillende manieren schreef.
Dit is dus zeker met onze familienaam ook gebeurd. Er zijn gevallen bekend waarbij kinderen uit hetzelfde gezin en van dezelfde vader drie verschillende schrijfwijzen hebben van de naam Casteleyn. Dit maakt het opzoekingswerk er dus niet gemakkelijker om.
Toch zijn we er in geslaagd om met één schrijfwijze van de naam ( Casteleyn ) 11 generaties terug te gaan.
Verschillende mogelijkheden die voorkomen:
a. Frans: Cathelain, nom porté en Picardie et dans le Nord Pas-de-Calais. Variente de Chatelain, qui désigne au 12e siècle celui qui avait la garde d’un chateau ( souvent le chatelain était un simple militaire chargé par un seigneur plus puissant de garder une petite forteresse ). Ce n’est que plus tard que le mot perdra son sens militaire.
Autres formes: Castelain, Castelein, Casteleyn, Castelin, Casteleyns.
b. Italiaans: Castellani, Castellana, Castellano
c. Catalaans: Castella
d. Portugees: Casthano, Castelao.
e. Engels: Castle, Castlen, Castilayn
f. Nederlands: Casteleyn, Castelijn, Kastelijn, Kastelein, Kestelijn enz.