De kinderboerderij
Het was een beetje onrustig op de kinderboerderij. De dieren deden niets dan mopperen. “Wat doet de pauw toch weer vervelend, het wordt zo ongezellig” zei het konijn. De pauw liep rustig rond, als of de boerderij alleen van hem was. “Allemaal opzij! Ik ben hier de mooiste en ik moet goed kunnen lopen. Ik wil mijn staart laten zien. Kijk mij eens mooi zijn!” en nuffig liep zij met haar neus in de wind. “Het wordt hier met de dag erger” bromde het hangbuikzwijntje, “Ik ga naar mijn eigen hok, daar komt ze in ieder geval niet”. Iedereen ging maar uit de weg want de pauw deed zo lelijk. Alle dieren wilden niet meer in haar buurt komen. “Zo” dacht de pauw, “nu heb ik alles voor mij alleen”! Dat kan zo niet goed gaan, dacht de uil. En daar kreeg hij al vlug gelijk in. Op een morgen liepen de dieren fijn op de boerderij rond. “Wat is het vandaag gezellig” zei de geit. “Kom maar kleintjes, jullie mogen vandaag lekker spelen”. Op eens vroeg Knorretje: “Waar is de pauw?” Niemand die het wist. “Ik ga wel even zoeken” zei het varkentje. Nee laat dat nu maar. We kunnen hier net zo fijn lopen”. “Nee,” zei Knorretje “ik ben toch wel wat ongerust, ik ga kijken”. En jawel, daar vond hij de pauw in een donker hoekje. “Ga weg” zei die. “Ik kan niet meer rond lopen. Er is iets ergs gebeurd. Ik ben lelijk geworden. Een stuk van mijn staart is afgebroken” huilde ze. Ja dat vond Knorretje wel zielig. “Laat mij dan eens kijken”. “Nee” zei de pauw, “het is veel te erg. Wat moet ik nu toch beginnen?” “Gewoon gaan lopen” vond Knorretje. “Jij heb makkelijk praten, jij bent toch lelijk” zei de pauw. “Maar ik ben wel lief” zei knorretje “want de kinderen aaien mij altijd. Een wilde mij zelfs mee naar huis nemen!” “Ja,” zei de pauw “van mij zijn ze altijd bang, en dat vind ik ook niet leuk”. “Kom, ga mee” zei Knorretje “en wordt eens wat liever!”. “Zou dat nog kunnen?” “Ja hoor,” zei Knorretje “natuurlijk”. Vooruit dan maar, dacht de pauw. En zo liep Knorretje met de pauw, de staart niet meer zo mooi, in de boerderij rond. Ja, de dieren keken wel, maar ze vonden de pauw ineens zo lief kijken. En de staart daar keken ze niet naar Ze waren blij dat het weer zo gezellig was. Iedereen werd er blij van! Ja, ja, knikte de uil, zo is het veel beter!







