Brood
"Thuis kochten we van de bakker die aan huis kwam, nooit wit brood. We bakten geen brood thuis. We aten zelden of nooit vers, wit brood. Slecht voor de maag en voor de portemonnee zei mijn moeder. Slecht voor de maag: vers brood verteerde minder makkelijk, het bleef op de maag liggen. Slecht voor de portemonnee: je at meer van vers, wit brood. Dat smaakte heerlijk. Slechts veel jaren na de oorlog kochten we op de feestdagen speciaal brood: rozijnenbrood, koekebrood, suikerbrood. In de oorlog dienden onze rantsoenzegeltjes om brood te kopen. Lang wachten voor slecht, kleverig, bruin brood. We noemden dat ‘twee messen brood’. Je diende met twee broodmessen te werken om een boterham te kunnen afsnijden. Het ene mes om te snijden, het andere om de boterham van het eerste mes of te doen. In de winter van 1942 heb ik soms echt honger geleden. Het verbeterde toen ik als jonge man van achttien mocht gaan werken in de controle bij de boeren. Ik controleerde of ze hun voorraden, bijvoorbeeld varkens, juist opgaven. Dan kon ik beter brood van de boeren naar huis brengen. Na de oorlog hoorde ik dat veel mensen - zoals in Nederland - er nog erger aan toe waren, echt ondervoed. Er bestond wel liefdadigheid zowel van de overheid zoals Winterhulp als van privé mensen al of niet in parochieverband. Jaren na de oorlog kon ik geen bruin brood zien. Wit brood: dat was pas brood. En veel later aten we dan lekker bruin brood voor de smaak en omdat men vertelde dat dit gezonder was. Wat me het sterkst bijgebleven is hoe moeder brood sneed. Er bestond toen nog geen voorgesneden brood. Moeder nam het broodmes en maakte een kruisteken op de zijkant. De eerste snede met de korst kregen we om de beurt, dat vonden we een delicatesse. Aan het broodmes mochten de kinderen nooit komen. In het algemeen niet aan messen en scharen: messen en scharen zijn kindergevaren. Het wetten van het broodmes was werk van vader. En elk jaar kwam de scharensliep langs om messen en scharen te slijpen. Ik hoor nog zijn stem: ‘Scharensliep, scharensliep: messen en scharen, scharensliep.’ “De bakker kwam na de oorlog eerst rond met een grote bakkersfiets of met een broodkar met paard. Daarna een bakkersfiets met een motor en later met een bestelwagen. Van mijn grootmoeder hoorde ik vertellen van de hondenkar voor vervoer van brood en de broodkar. Gisteren hoorde ik van de kleinkinderen dat de meeste bakkers thuis zelf niet meer bakken. Ze krijgen het van een keten of van een firma. Velen kopen brood in een warenhuis waar ze het zelf snijden. Of halen brood vanuit de muur. Vroeger was het makkelijker: het brood werd thuis geleverd. Ik hoorde van mijn dochter dat haar man elke zondag naar de bakker gaat om pistolets te bestellen en koffiekoeken. Het gebeurt dikwijls dat hij tot buiten op het trottoir moet wachten. In onze tijd gebeurde dat niet. Een hele tijd na de oorlog bracht iemand van de bakkerij de pistolets en de koeken aan huis, als de bestelling groot genoeg was. Men belde niet aan, men zette de broodzakken aan de voordeur. Het gebeurde zelden of nooit dat iemand deze zakken wegnam. Nadien is dat afgeschaft. Het was te duur geworden. Hoeveel bakkers komen nog aan huis met brood? Ook zo met bier, melk. Ja, af en toe nog hoor ik dat er een vrachtwagen rondrijdt met groenten. Binnenkort zullen het nog enkel de brandweer en de ziekenwagens zijn die rondrijden en de ijsjeskar.”

