Boeren
“ Voor en na de klas moest ik meehelpen op de boerderij. Van stallen mesten, koeien melken, wieden en helpen oogsten. Het was hard labeur. Voor de drukste dagen huurden we enkele landarbeiders in. Voor het oogsten en dorsen liet vader, enkele jaren na de oorlog, een pik- en dorsmachine van de plaatselijke coöperatie komen. Wat mij het best bijgebleven is, zijn de oogstfeesten. Toen alles op het veld klaar was, reden we op de hooiwagens naar de boerderij. Daar werd een feestje gebouwd. Iedereen was moe en gelukkig, dorstig en hongerig. De boerenfamilies hadden het in de oorlog vaak beter dan die van de steden. We leden geen honger. We konden leven van de boerderij We hadden vooral onze aardappelen. We bakten om de veertien dagen ons wit en ook bruin brood. We bewaarden het brood koel, de laatste dagen waren ze wel wat hard.
Dop ze in de melk, zei moeder dan. We hadden altijd een voorraad eieren in een grote ton en opgelegde prinsesbonen.. ’s Avonds aten we pap, dikwijls smoel met gierst om de gaatjes te vullen. Vader had in de kelder mondvoorraad aangelegd.
We gingen ernaar toe als er luchtalarm was. We hadden schrik als we vliegende bommen hoorden op weg naar Antwerpen.”
. De boeren en de mensen die op den buiten woonden konden zich meestal zelf voorzien van groenten De mensen zonder groentetuin zoals wij gingen naar de boeren. Sommige boeren en handelaars profiteerden van de oorlog. Waarvan er tekorten waren verkochten ze voor geld.
Vaders gingen op zoek naar graan, dat achteraf werd gemalen in de koffiemolen, en naar melk en vlees. Voor wie in de stad woonde was dat geen eenvoudige onderneming. Wie bij het begin van de oorlog niet bederfbare voedingswaren gehamsterd had, kon zich daar later behoorlijk mee redden. Er werd geruild. Een zeer gegeerd product was. ongebrande koffie, die was zijn gewicht in goud waard. ”

