Naar de inhoud

Levensverhalen

seniorennet.beseniorennet.be

Archief

Friet - Soep - Pap - Groenten - Fruit - Vis

“Zaterdag was frietdag. Na de oorlog had elke dag bij ons dikwijls zijn eigen menu: vrijdag vanillepap en vis, maandag: spek met gebakken aardappelen, dinsdag: worteltjes en erwtjes met worst, woensdag: karnemelkpap en een eitje, donderdag: soepvlees (bouilli) en zaterdag friet. De zondag was feest: varkensgebraad en later een kip, een rundtong. Rundvlees kwam bijna nooit op tafel Friet maken was een hele gebeurtenis. Eerst gebeurde alles met de hand: schillen, snijden, drogen. We bakten de frieten twee keer in ossenwit in een zwarte ketel buiten op het koertje voor de stank. We schudden de friet goed op zodat het vet eraf droop. Ondertussen klopte de oudste zus of broer mayonaise met een vork in een diepe kom. Als het mislukte dienden we het toch op te eten als saus. Gelukkig dat we langzaam daarin specialist werden. Op de frieten strooide men veel zout, een flinke lepel mosterd of pickles en het feest kon niet op als we tafelbier mochten drinken. Maar de frieten in een dubbele puntzak die we kochten aan het station en op het plein smaakten nog lekkerder. De reuk alleen al doet me nu al watertanden..”

“’s Middags was er altijd soep of pap. Soep werd gemaakt met soepbeenderen, maar meer nog met blokjes of vloeibare OXO of Liebig. Soep liefst met vetogen. De soepbeenderen schraapten we af en de mergpijpen zogen we leeg. Er stond altijd peper maar vooral zout op tafel. Aan zout was er zeker geen gebrek. Soep werd gedikt met aardappelen of met vermicelli in allerlei vormpjes: het liefst hadden we lettertjes en cijfertjes. De feestsoep was tomaten roomsoep met zelfgemaakte balletjes van varkensgehakt. In de winter stond erwtensoep op tafel al of niet met hardgebakken broodkorstjes.
Vrijdag: pap en in de vasten ook op woensdag. Vooral de karnemelk pap met wat rijst of met gedroogde blauw pruimen was een vaste waarde. Vanillepap met grote macaroni, al of niet met bruine suiker was voor speciale gelegenheden.
Groenten onder de oorlog was was thuis altijd hetzelfde: veel uien, bonen, wortelen. En nooit ontbraken de aardappelen in alle bereidingen. Slechts veel later kwam er meer variatie. Soms waren we echt tevreden dat we groenten konden krijgen. De boeren en de mensen die op den buiten woonden konden zich meestal zelf voorzien van groenten De mensen zonder groentetuin zoals wij gingen naar naar de boeren. Sommige boeren en handelaars profiteerden van de oorlog. Waarvan er tekorten waren verkochten ze voor geld.

Vaders gingen op zoek naar graan, dat achteraf werd gemalen in de koffiemolen, en naar melk en vlees. Voor wie in de stad woonde was dat geen eenvoudige onderneming. Wie bij het begin van de oorlog niet bederfbare voedingswaren gehamsterd had, kon zich daar later behoorlijk mee redden. Er werd geruild. Een zeer gegeerd product was. ongebrande koffie, die was zijn gewicht in goud waard. ”

“Vis aten we de vrijdag. Dat was zo verplicht van de kerk. We aten vooral de goedkopere soorten: pladijs, makreel, scharretjes, rog, zeepaling. Moeder bakte met margarine, ze kookte de vis of ze legde de vis op in het zuur.
Over de wonderbare haringvangst in 1943 en 1944 heb ik veel horen vertellen van mijn ouders. De Noordzee stak vol met haring. Men voerde deze haringen met vrachtwagens het land binnen naar de viswinkels. Voor vele mensen was dit een geschenk uit de hemel. Zonder deze haring had men echt veel honger geleden.

Na de oorlog stonden haringen en sprot geregeld op tafel. Zowel pekelharing als gerookte haring. Iets duurder en lekkerder waren de sprotjes. Ieder kreeg een portie sprot op een dubbelgevouwen krantenpapier en een scherp mesje. Kop eraf, vel stropen, ingewanden eruit. Dit op je bord met een hete aardappel in de pel.”

Confituur en charcuterie

 ” Op onze boterhammen smeerden we boter pas enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog boter. Na de oorlog was het bij ons thuis in de stad margarine of een mengeling van boter en margarine. Mijn vader stond erop dat hij echte boter kreeg. Hij had een botervlootje voor zich alleen. Wij vonden dit normaal, hij was de baas in huis. Tijdens de oorlog werd er geen boter gegeten tenzij in heel rijke families en bij de boeren die zelf boterden. Dde meeste mensen op de buiten hadden een koe of geiten en hadden dus zelf melk. De overschot aan melk diende om platte kaas mee te maken en om te boteren. In dorpen smeerden ze vaak smout of reuzel: dat was dan smeersel en beleg tegelijkertijd. Op de boterham kwam er eerst niets of toch niet veel: een beetje confituur. Later hadden we keuze in het broodbeleg: smeerkaas, kaas of een speculaas of een biscuit. Pas veel later zagen we charcuterie op tafel, de chocopasta, hagelslag en pindakaas. Toespijs en zeker charcuterie waren eerder uitzondering dan regel. Soms bloedpens en uier en op de eerste plaats zelfgemaakte confituur (jam) en appelsiroop (sirop de Liège). In het seizoen maakten we confituur van aardbeien met veel suiker en pectine om te stijven. Het was een hele karwei, om de glazen bokalen (gerecupereerd materiaal) luchtdicht te maken, een laagje paraffine erop. Ik herinner me levendig confituur van braambessen. We woonden toen niet ver van Zeebrugge. Achter de duinen, tussen de oorlogsbunkers in, groeiden er hier en daar braambesstruiken. Alsje er vroeg bij was, had je de beste en de grootste. We droegen een blikje aan een touwtje rond de hals om de bessen te bewaren. Na een uurtje mochten we ophouden. Dat was geen plezant werkje: prikken en vuile vingers. We mochten in geen geval de bessen opeten en ook geen vlekken maken, want die kon men moeilijk verwijderen. Thuis begon dan het verwijderen van de steeltjes, de onrijpe en de rotte. Langdurig spoelen en dan alles in een grote pot. Roeren, suiker erbij, laten koelen, in de bokalen, koelen, paraffine. We dienden weken te wachten om ervan te eten, want een voorraad aanleggen was nodig.”

Werken

's Morgens zag ik vlak na de oorlog - vanuit het keukenraam omstreeks zeven uur rijen arbeiders naar de textielfabriek trekken. Ze deden dat stilzwijgend met een sigaret in hun mond en een pet op hun hoofd. Tussenin zag ik jongens lopen die pas van school waren. Ze waren ongeveer veertien jaar. De sirene klonk: over een kwartier zou de fabriekspoort dichtgaan. Mijn moeder zag me uit het raam kijken en zei me dat werken in de textielfabriek (het Katoentje) hard labeur was. Vele uren werken in vuile omstandigheden voor weinig geld. Maar liever dat, dan geen werk. Mijn moeder vertelde me soms over de socialisten, de stakingen.. Arbeiders en zeker zij die socialisten waren, bleven hun hele leven bij de partij bij de bijhorende ziekenkas, fanfare, gymnastiekvereniging. Van de geboorte tot het overlijden, bij het werken of om werk te vinden of te stempelen kon je er als arbeider bij terecht.. Om aan werk te geraken was het goed dat je een volksvertegenwoordiger opzocht in het lokaal; van de partij en de vakbond: Het Achturenhuis. Hij probeerde je dan binnen te brengen bij de Spoorwegen, de Post of als arbeider in de gemeentediensten. Je moest wel een wederdienst bewijzen: voor de partij stemmen, opstappen in de 1 mei stoeten en gaan plakken bij de verkiezingen." 

Stedelijke administratie
“ Mijn oom Marcel was afdelingshoofd op de stedelijke administratie. Dank zij zijn
diploma van het college, kon hij na examens carrière maken. Toen werkten er nog geen mensen in de kantoren van de stad met een universitair diploma. Hij was een pietje precies. Zoals een schoolmeester verdeelde hij elk jaar de potloden, de stempels, de formulieren. Hij controleerde of het verbruik niet te hoog lag. Hij deed ook toezicht op de kledij. Ze dienden een zwarte das te dragen en een hemd, of tenminste een plastic hemdenboord. Ze mochten van de lange zwarte armen aantrekken.

Vele mensen hadden het niet hoog op met mensen die werkten aan de stad of aan de gemeente. Men klaagde dat ze niet hard genoeg werkten en dat ze de mensen van her naar der stuurden. Voor een papier diende je soms naar verschillende loketten te gaan en terug te komen. En de arbeiders namen hun tijd om een paar tegels effen te leggen. Ik denk dat we vooral denken aan de zaken die niet goed zo liepen.

Eenmaal op rust zag het gemeentepersoneel elkaar geregeld terug in het clubhuis van de gepensioneerden. Ze legden een kaartje en dronken een pintje tegen een goedkope prijs. Ook de andere bonden van gepensioneerden mochten op bepaalde dagen komen. Bij ons waren er dit vier: christelijke, socialistische, liberale bonden en dit van de middenstanders. ”

Werk hebben was een noodzaak. De sociale voorzieningen waarop men kon terugvallen bij werkloosheid of langdurige ziekte waren niet goed uitgebouwd. Wel liep België zeker niet in de achterste rijen. Zo had Achilles Van Acker in de oorlogsregering van België te Londen met anderen de grondslagen gelegd van een vooruitstrevend sociaal zekerheidssysteem. Werknemers zochten steun bij de ziekenfondsen, vakbonden en bij politieke partijen, zowel voor hun werk maar ook voor cultuur en ontspanning via de aanleunende socio - culturele verenigingen zoals fanfare, toneel, gymnastiek, jeugdbeweging.

Kinderspelen - braderie

“Kinderen speelden vooral op straat, in bossen, langs de waterlopen en op school. De meest bekende waren verstoppertje, tikkertje, knikkeren en hinkelen. En natuurlijk de balspelen en de avontuurlijke spelen: gendarme en dief, Cowboy en Indiaan en oorlogje spelen. Als kinderen speelden we graag vlak na de oorlog in en rond de bunkers. Dat mocht wel niet van de politie en van onze ouders, maar we deden dit toch maar. Dat was pas avontuur. Op de wallen naast het kanaal stonden er heel bunkers. De kinderen die de oorlog niet goed hadden gekend waren zelf een beetje jaloers dat wij herinneringen hadden aan de oorlog: overvliegende vliegtuigen. Spelen bij de bunkers was spannend, avontuurlijk. Oorlogje spelen met stokken als geweren of dief en gendarme speelden we graag. In sommige bunkers kon je zelfs binnen. Het was er koud en kil en vochtig. De vleermuizen hingen er soms aan de zoldering. Overal zagen we noodverlichting die kapot was. En gekalkte teksten op de muren en waarschuwingsborden in het Duits.
We vochten met rivaliserende jongensbenden kleine oorlogen uit. We namen er gevangen en werden gevangen gezet. Als we dit beu waren gingen we met de knikkers (marbels) spelen of bikkelen, of met de schietlap (katapult) spelen. En als het weer en de wind goed was een vlieger oplaten met een lange staart met gekleurde papiertjes. Maar misschien is dit alles in mijn herinnering zonniger en spannender dat het in werkelijkheid was. Al doet het deugd zulke herinneringen eens op te halen en te kunnen vertellen.”

Voor de kinderen was de jaarlijkse kermis en de braderie echte feestdagen.De braderie van onze straat was de laatste week van augustus. Bij ons was er een braderie met kraampjes op het trottoir. De helft van de huizen waren winkels en iedere winkel deed mee: van de slager tot de schoenwinkel. In elke winkel kreeg je lotjes. En er was muziek op straat met grote luidsprekers. Voor een kleinigheid kon men een plaatje opdragen aan iemand. Een van de klassieke mededelingen was: ‘Van Georges aan een lieve onbekende.’ Dat was geheimtaal, om niet in uw kaarten te laten kijken.

Er was versiering met wimpeltjes en met lampjes. De winkeliers legden samen voor een zangwedstrijd, bokswedstrijd in open lucht en een vuurwerk.Wij vonden dit een van de beste braderijen van de stad.
Geen braderie zonder ballonnenwedstrijd. In de loop van de week kreeg je in enkele winkels gratis ballonnen die je zelf diende op te blazen. Maar er was een middag van de prijsballonnen: als je moeder voor zoveel had gekocht, kon je deelnemen aan die wedstrijd. Je schreef je naam en adres op een kaartje. Een ballon werd met een gasfles opgeblazen, kaartje eraan en in de lucht. Spannend. Ik heb nooit een prijs behaald. “

Carnavalstoet.
“ In onze gemeente was er elk jaar een carnavalstoet. De mensen van omliggende dorpen kwamen erop af. Wij kregen speciaal zakgeld om bij ons tante Valentine mombakkes (maskers) te kopen. Onze tante was met de jaren wat ‘raar’’ geworden. In haar hoofd was ze niet altijd goed snik. Ze zat in de winkel naar buiten te kijken als een soort etalagepop. Als we binnen stapten kletterden bronzen staven tegen elkaar.

Ze herkende ons soms en soms niet. We vroegen of we mochten kijken naar de maskers. Natuurlijk. Ze duwde dan op een muziekdoosje en wij hoorden hard en schril lachen. Precies van een heks of van een spook. In het begin waren we daar bang van. En tante Valentine genoot daarvan. Later toonden we ons bang om tante Valentine te plezieren. Moeder zei dat we met haar medelijden moesten hebben. Ze was niet meer zo goed in haar hoofd en ze was dikwijls alleen. Haar man had tijd zat maar hij zat liever bij zijn duiven, zijn kaartersvrienden en de supporters van wielerwedstrijden. Elk jaar ging hij naar naar de Zesdaagse van Antwerpen.
Enkele jaren later gingen we naar haar begrafenis. Eigenlijk zouden we droevig moeten zijn, maar we dachten aan haar maskers en aan haar Ha,ha,ha.”

Zee en strand - Thuis; kaarten en caféspelen

 Zee en strand
“Garnalen zijn verbonden aan de zeldzame gezinsuitstapjes naar Blankenberge. Na de oorlog gingen we met hele gezin naar de zee. Met de trein, want we hadden geen auto en te weinig fietsen. We kregen vermindering als ‘kroostrijk gezin’. Moeder had twee grote boodschappentassen mee met boterhammen en twee thermossen met koffie en melk. In Blankenberge liepen we de Kerkstraat door, niet naar de zee maar eerst naar de kerk. Onze ouders stonden erop dat we eerst samen naar de mis gingen. We protesteerden door te zeggen dat reizigers ontslagen waren van de zondagsmis. Dat hielp niet. Ik herinner me dat we op een keer gedurende de preek een grote vlek zagen onder een boodschappentas: de thermos was stuk. Mijn moeder werd nerveus en liep met haar lekkende tas de kerk uit. Op het strand speelden we met schoppen, emmertjes en netjes. Het spannendst was het oplaten van de vlieger. Af en toe liepen we verloren op het strand, maar we vonden altijd onze plaats terug, want ze zaten rechtover het Casino. Na de middag kwamen jonge mannen met ijsjes venten en met Boules de Berlin: soort oliebollen gevuld met vanillecrème en poedersuiker er bovenop. Ik hoor ze nog roepen: Boules, boules de Berlin. In de vooravond trakteerden onze ouders ons op limonade en voor hen Rodenbach bier. We bestelden een halve kilo garnalen voor ons allen We voelden ons dan rijke, verwende kinderen. En na het café kregen we geld om elk een grote ijs te kopen met drie bollen.Bij de terugreis keken we door het raam naar de weilanden en de korenvelden. Alles was goed .’

Thuis: kaarten en caféspelen

“Mijn oudste broer ging met zijn vrienden geregeld een pintje pakken in een ouderwets café De Wildeman. Er was nooit veel volk en vooral de pintjes waren goedkoper en groter dan in de andere cafés. Als jongetje mocht ik af en toe mee. Er waren de gewone caféspelen zoals vogelpik, biljart, kaarten en bakspelen. Een sjoelbak: met schijven schuiven naar poorten om ter meest punten. Tolspel: een tol met een koord aantrekken en loslaten om zoveel mogelijk pionnen omver te gooien, ofwel om in een gaatje met waarde terecht te komen. De schijven worden in drie beurten naar de poortjes achteraan in de sjoelbak geschoven. Wie zijn schijven gelijkmatig over de vier vakjes kan verdelen, verdubbelt zijn score voor die reeks.

"Vele mannen rookten gerolde sigaretten. Ze kochten een zak Wervikse tabak of Semois. De meesten deden dit met sigaretvelletjes Rizla. Anderen kochten sigaretten in pakjes, en ze waren goedkoop. Er waren buitenlandse merken bij, een overblijfsel van de Canadezen en Engelsen. Maar ook echte zoals Belga. Vele jongens begonnen zwaar te roken tijdens hun verplichte legerdienst.
Mijn vader spaarde de pijpen van zijn vader in een pijpenrek.
Toen de oudste kinderen mochten roken, begonnen ze met de pijp. Dat kwam door de jeugdbeweging waar het stoer en Vlaams stond een pijp te roken. Mijn moeder was daar niet erg voor, zeker niet als ze afkwamen met geparfumeerde tabak."

"Kinderen rookten soms een sigaret of een cigarillo stiekem (in den duik). Die eerste ervaringen waren meestal negatief. Ze bleven dan maar bij de snoepsigaretjes en het maken van kleine pijpjes met een eikel als pijpenkop. En natuurlijk het zeepbellen blazen. Maar dan dacht je weinig of niet aan het roken. Al smaakte de zeep even slecht als sigaretten.”

Kaarten
“ Toen ik getallen kon lezen, leerde mijn grootmoeder een kaartspel aan: strijd. We speelden met 32 kaarten. Mijn grootmoeder schudde de kaarten, want ik kon dat toen nog niet. Elk kreeg er 16. Bij elke slag draaiden we de bovenste kaart tegelijk om. De speler met de hoogste kaart, kreeg beide kaarten, die hij onder zijn stapel legde.
 De aas was het hoogst, de zeven het laagst. Er kwam strijd als de twee kaarten gelijk waren. De volgende slag besliste. Soms kwam er zelfs een dubbele strijd. De winnaar was de speler die alle kaarten veroverde.
Ik kon er in het begin niet tegen dat ik verloor. Mijn grootmoeder zei dat het volgende keer beter zou gaan. Een enkele keer gaf ze me een aas of een grote kaart cadeau. Geleidelijk leerde ik ook verliezen, maar dit duurde toch een tijdje. Mijn grootmoeder bracht veel geduld op om mij dat te leren.

"Voor mijn nichtje Marie – Louise blijft kaartspelen een nare herinnering. Als enig kind tussen de volwassenen voor wie kaartspelen vroeger een van de weinige ontspanningsvormen was, was kaartspelen voor haar niet bepaald leuk. Ze zag immers grote mensen die na een tijdje begonnen te vloeken en schelden en ruziemaken. Natuurlijk meenden die volwassenen niet wat ze riepen ...maar als kind vond ze dat afschuwelijk. En als ze dan eens mocht meespelen, iets eenvoudigs als Zwarte Piet, dan gaven ze die rot‑kaart achter haar rug aan mekaar door, zodat de kans dat zij die Piet in handen kreeg altijd groot was. Marie – Louise heeft nog altijd een hekel aan kaartspelen.

Op café en in parochie- en gemeentelijke zalen speelde men veel kaart. Er was ook het prijskaarten. In de zomer zag je volwassenen en kinderen op de trottoir kaart spelen.”

Wonen: De meeste mensen woonden eerder krap, al was er geen echte schaarste. De oorlog had in België in verhouding minder vernietigingen aangebracht dan in andere landen. De woonkwaliteit verbeterde geleidelijk en de huishoudapparaten kwamen binnen vanaf de vijftiger jaren.

Wandelen met het gezin - snoepen

Wandelen met het gezin - snoepen
“ Als het weer het enigszins toeliet, gingen we 's zondags na de noen wandelen. Goed voor de gezondheid, werd dan gezegd. We hadden onze zondagse kleren aan, want we konden gezien worden. Deze zondagse wandeling had zijn vast verloop. De kinderen liepen voorop, maar ook niet te ver. Eerst de vestingen op, daarna naar het Begijnhof en na een klein uurtje bezochten we een niet-getrouwde oom en twee tantes. Daar dronken we limonade en voor de ouders een koekje met een Elixir d’Anvers. Daarna naar huis: even stoppen bij het enige snoepwinkeltje dat ’s zondags open was en dan ’s avonds thuis voor het avondmaal.
We vonden die wandelingen niet zo spannend. We vonden wel plezier in het elkaar plagen, en het rapen van beukennootjes en eikeltjes en mooie bladeren van de bomen die gevallen waren. Soms plukten we wat madeliefjes die we samenbonden in een ketting. Dit bloemenkransje gaven we aan moeder en ze lachte. Het was ook spannend als het opeens begon te regenen of te sneeuwen of als ’s avonds de mist opkwam tussen de bomen op de vestingen.” Na de wandeling op zondag was het dikwijls snoeptijd.

Snoep

"We gingen naar het snoepwinkeltje vlak naast de lagere school en de kleuterschool (de papschool). Twee oude jonge juffrouwen (niet getrouwde dames zouden we nu zeggen) hadden grote dozen en bokalen staan met verschillende soorten snoep. Je kon snoepjes per stuk of per hoeveelheid of per gewicht kopen. Ze werden niet verpakt, tenzij er een aantal waren.In sommige winkels hing er een bordje: Hier steelt men niet."

"Ik denk dat bij de meeste scholen dergelijke snoepwinkeltjes waren. Voor de kinderen een plaats om enkele ogenblikken zoete ervaringen op te doen. Voor de ouders soms een bron van ergernis: ‘Is je drinkgeld weeral op aan die snoep.’
In grote snoepwinkels was de keuze enorm. Zouden er nog snoepwinkels als deze bestaan? Ik hoor van de kleinkinderen dat ze verschillende soorten snoep kunnen kopen in Antwerpen in winkelgalerijen en in grote warenhuizen en in shopping centra . Ze nemen een puntzak en mogen met een schep ze zelf uit grote bokalen of dozen nemen. Zelfs in de grote cinemacomplexen kan je dit doen. Je ziet niet alles gaat verloren, maar men past zich aan de moderne tijd”.

“De niknakjes waren de koekjes die wij vroeger thuis als kinderen het meest aten. Ik denk ook dat ze de goedkoopste koekjes waren. Deze niknakjes waren de letters van het alfabet. We kochten die koekjes per halve kilo. We bewaarden ze in een (koekjestrommel. Sommige soorten hadden suiker erop. Niknakjes en andere koekjes kwamen er vooral rond de tijd van Sinterklaas. Ik zie me nog zitten met ons vijven rond de keukentafel met een stapeltje niknakjes. We voelden ons toen als de koning te rijk.
Een Petit Beurre aten we ook af en toe. Ik vond dit lekkerder dan de niknakjes.
Vlak na de oorlog aten we als versnapering vooral karamels die we in het winkeltje naast de school kochten als we zakgeld hadden.
Af en toe bakte moeder pannenkoeken. In de winter soms kleine wafels. Dat deed ze op de Leuvense stoof. In de vastenperiode kwamen er geen versnaperingen op tafel.
Koekjes eten was een beetje feest vieren.” 

Het gezinsleven en het leven met de familieleden was bijzonder belangrijk. Familiebezoek en –feesten waren momenten waar men naar uitkeek. Deze banden werkten soms ook belemmerend, maar in de regel denken ouderen positief terug op die tijd.

Geleidelijk ontstond een kindercultuur: eigen strips, boeken, radio uitzendingen. Het kind was niet zozeer een volwassene in het klein, maar had een eigen leefwereld. De handel en de industrie speelde daarop in. 

Vertellen - tekenverhalen - Vlaamse Filmpjes

"Eerst hoorde ik de sprookjes vertellen door mijn vader of een van mijn grootouders. Ik zat op hun schoot en met mijn vinger in mijn mond. Toen ik in de kleuterschool zat, keek ik met hen naar een plakboek met dezelfde verhaaltjes. Ze vertelden opnieuw met de prentjes erbij. Die prentjes zaten in chocoladerepen en werden uitgewisseld door de kinderen. Of met Artispuntjes.
En nog later gingen we naar de kinderbibliotheek met de verhalen in boeken en grote prenten. Later kwamen we dezelfde verhalen tegen in de stripverhalen, in het poppenspel en in de kindertoneelvoorstellingen. En op school mochten we erover toneeltje spelen, liedjes zingen, tekeningen maken. Als ik acht was en ouder hoorde ik liever verhalen over Robin Hood, Indianen maar het liefst de verhaaltjes met Stoute Wim. Deze verhaaltjes waren voor een deel echt gebeurd en voor een deel bij gefantaseerd, door moeder en door onszelf.

"Ik vertel er eentje: Rik ons buurjongetje van acht droeg een gebitje omdat een kwart van zijn tanden niet groeien. Hij speelde met zijn vriendjes en Stoute Wim naast de spoorweg. Op een bepaald moment begonnen de kinderen ruzie te maken. Als het gevecht een tijdje voorbij was, zei Rik dat hij zijn gebitje verloren had. Men zocht het, maar men vond het niet. Toen zagen ze dat ze dat Wim weg was. Ze keken naar elkaar: Wim zal het gebitje gevonden hebben en hij is ermee weg. Maar waar naartoe? Luc haalde een geplet muntje uit zijn broekzak. En iedereen wist waar ze Wim moesten zoeken: naar de spoorweg, want gisteren had Wim muntjes gelegd op de rails. Toen de trein erover reed waren ze allemaal plat. Ze hoorden een trein komen…. Ze zagen Wim weglopen. Daar moest het zijn. Daar lag op de rails het gebitje van Rik: fijn gemalen.” 

Tekenverhalen 

“ De eerste tekenverhalen die ik na de oorlog las waren de dagelijkse tekenverhaaltjes in de krant. Allerlei strips vliegen me door de geest: van Suske en Wiske, Nero en wat later Jommeke. Ik keek er elke dag naar uit. Toen de albums in de winkel lagen, ging ik ernaar toe om ze in te kijken. Als ik te lang bladerde, vloog ik buiten. Hier en daar waren er bibliotheken waar er stripverhalen waren. Op school: geen stripverhalen. Men was er zelfs tegen. Het verhinderde ons goed te lezen.
We lazen de Vlaamse Filmpjes van de uitgeverij van de abdij van Averbode. En later lazen we spannende boeken over helden als Robin Hood, Gulliver, Winnitou, Jan zonder Vrees. In de klas waren er uitleenboekjes met bruine kaft, per boek moesten we enkele centiemen betalen. In sommige parochies waren er ook kleine bibliotheken.

Enkele keren heb ik in bed boekjes gelezen, met een zaklamp. Een vriendinnetje had mij gefluisterd dat dit zo spannend en tof was. En dat was het ook. Toen vader me ontdekte met een zaklamp, gaf hij me een paar tikken en de goesting was voorbij.”

 

Appels en peren

“ De oorlog was gedaan en we dachten dat het nu allemaal beter zou gaan. Het viel wat anders uit. We hadden geen honger, maar alles moet goed afgemeten worden. Een extraatje van snoep, koekjes of uitstapjes kon er niet van af. Als jongetje van twaalf had ik het thuis niet breed. Mijn vader zat geregeld zonder werk en we waren met drie kinderen thuis. Ik was de oudste van drie jongens. Ik deed links en rechts kleine werkjes bij de fietsenhersteller en bij de bakker om wat extra geld in het laatje te brengen. Mijn moeder deed de was en de strijk van een viertal gezinnen in de buurt. In de keuken hing er geregeld een damp van strijk en was. Ik herinner me dat ik er een spelletje van maakte in het meebrengen van fruit. In de periode van de appelen en de peren verkocht Esperance tweedehands fruit. Ze haalde die op met haar duwwagen op het einde van de verkoop op de groentemarkt. In de vooravond liep ze ermee rond en ze riep: ‘Rijp en zoet’. Ons huis lag op het einde van haar toer. Als ze voorbij kwam hield ik op met het spelen op straat en begon ik een niew soort spel. Ik liep ik naar haar toe en duwde de stootkar verder mee. Ik had dat een keer gedaan omdat ze moeilijk vooruit geraakte en ze gaf me wat fruit mee. Ze zei me dat ik elke keer mocht meegaan om te duwen en te sorteren. In haar opslagplaats moest ik met haar het fruit sorteren. De appels en peren die overrijp waren mochten weg. Tussen het fruit dat nog niet weg moest, mocht ik een zwarte tas vullen met appelen en peren vullen, zonder te betalen. Ik moest haar helpen met de afval weg te doen in vuilnisbakken. Dat was geen lachertje met al de wespen en vliegen die op de rotte appels en peren zaten. Die keren dat ik dat deed was voor mij een spannend spel: Hoeveel fruit zal ik kunnen meebrengen?

 

“ Tijdens de oorlog en zelfs de eerste jaren na de oorlog aten we praktisch alleen fruit van hier. Bij de bevrijding zag ik wel op zekere dag een vijftal vrachtwagens de stad binnenrijden vol met sinaasappelen. We liepen ze achterna, omdat we hoopten dat men ze zou uitdelen. Spijtig genoeg reden ze in een kazerne binnen waar Amerikanen in gelegerd waren. De sinaasappelen kwamen van het buitenland en waren gelost in de haven van Antwerpen.
Het duurde niet lang meer of met Sinterklaas kregen wij als kinderen van de goede man elk een sinaasappel. We zongen dan samen met ons moeder ‘Daar zijn de appeltjes van Oranje weer. Sinaasappelen zoek ze zelf maar uit. Grote kleine 'k heb z' in elke maat, bijt er 's in, 't sap langs je kin, zo roept die man op straat…’

Van bananen was er geen sprake tijdens de oorlog. Ik heb ze voor het eerst na de oorlog gezien, en tot de jaren zestig bleven ze schaars.
Vooral de appelen en de peren waren in trek. Daarnaast: pruimen, kersen en aardbeien. We gingen ook fruit plukken voor confituur, we betaalden per gewicht. De beste confituur was van braambessen en die konden we gratis plukken.

Als we voorbij bomen kwamen met rijpe vruchten, plukten we soms als de boer het niet zag. Een vriendje van mij heeft zo eens een heel uur in een appelboom gezeten en at alle appels op die hij kon grijpen. Hij had er zoveel van gegeten, dat hij er ziek van werd. Hij lag nadien op de grond met krampen. Toen hij dit thuis vertelde, zei zijn moeder: Je moet dit maar niet doen. Dit is stelen. Dit is een straf van God .”

Feestelijke dranken

Feestelijke dranken voor groten, chocolade voor kinderen.
 “Met de nieuwsjaardagen schonk men borrels en jenevers. Voor de vrouwen was er muskaatwijn. Bij ons thuis schonk men Elixir d’ Anvers, een zoete likeur of jenever met dan telkens de discussie wie betere jenevers had: de Hollanders of de Belgen. We maakten ook zelf sterke dranken. In de eerste plaats advocaat. We kochten brandewijn en we mengden dit met eierdooier, suiker en geraspte notenmuskaat. Ik heb horen vertellen dat men op het platteland alcohol stookte en dan sterke drank maakte. Een aperitiefje kon ook van af, een porto of een sherry. De hele maand januari telde om goede gezondheid toe te wensen, maar niet iedereen kreeg een borrel of een aperitief. Dat zou te duur uitvallen.”

 “Aanvankelijk kwam er een melkvrouw aan huis. Eerst kwam ze met een hondenkar, daarna met een stootkar. Zo vlug mogelijk werd de melk gekookt, zeker in de zomer omdat ze niet zou keren (zuur worden). Bij het koken kwam er een vel op. De enen vonden dit een lekkernij op de boterham, de anderen walgden ervan. Met de melk maakten we ook cacao. Met de poeder van Kwatta maakte we ’s morgens eerst een klein papje en dat goten we er beetje bij beetje hete melk op, zodat er geen klonters waren. Met de chocolademelk – wij spraken van cacaomelk - mochten wij geen toespijs nemen. Enkel de boterham met erop een mengeling van boter en margarine. Want zuivere boter was te duur, ook in de eerste jaren na de oorlog. Best gezellig met ons vijven aan tafel met een kom hete chocolademelk en boterhammen. Soms maakten we chocolademelk van grote brokken ruwe chocolade. Maar chocolade aten we liefst zo op, bij de boterham of als versnapering. Ons moeder verdeelde een volle reep die ze brak van een blok Côte d’Or in verschillende porties. Wij vochten voor het olifantje omdat we dachten dat er daar meer chocolade aan was. Die olifant van Côte d’Or is altijd een aantrekkelijk lekker beest geweest, maar best leuk waren ook die letterlijk kleinere stukken chocolade van Meurisse: Perette, Boy Scout en Nuctine. Later aten we chocopasta en hagelslag.”

Winter Sterzingen - sneeuwman

 “Op Driekoningen 6 januari was er het qterzingen. Kleine kinderen gingen verkleed in groepjes in de straten. Ze belden aan, ze zongen een liedje en lieten de ster draaien. En dan gaven de mensen wat snoep of zakgeld. Ik herinner mij dat we met de jeugdbeweging elk jaar een sterrenstoet hadden. We liepen rond verkleed als herders, engelen, Driekoningen met hun gevolg. Dit was een hele gebeurtenis. Ik herinner me dat we zelfs een jaar echte kamelen mee hadden. We zongen oude Kerstliederen en we hadden bussen (collectebussen) om geld op te halen voor de missies. We gingen ook in de kliniek de zieken bezoeken in de grote zalen. We kwamen in een vaste volgorde: eerst de stadsomroeper die zei dat het nacht was en dat alle lichten dienden gedoofd. De ziekenzaal was dan enkel verlicht door onze lantaren. De herders met schapenvellen op hun rug gingen vooraan zitten. Dan kwam de engel die hen de boodschap bracht dat ze het Goddelijke kind zouden vinden in een stal samen met Maria en Jozef en de os en de ezel. We zongen in de gang en we lieten een ster draaien aan een borstelstok. Precies zoals in het toneelstuk van Felix Timmermans: “En waar de sterre bleef stille staan”. Heel wat zieken kregen de tranen in hun ogen als ze ons zagen en wij soms ook. Nadien was er een feestje in een grote parochiezaal voor wel honderd jongens. De zaal rook naar vaseline die we gebruikten om ons af te schminken. De zaal was versierd met kerstbomen en we kregen warme chocolademelk en boterkoeken. Dat was een echt feest. De tafels en de keukens werden gedaan door de oud leden vaak met hun lief of hun verloofde, dikwijls van een zus van een andere jongen of een meisje van de bevriende jeugdbeweging.” “
Als kinderen verlangden we naar sneeuw, veel sneeuw en ijs. Onze moeder vond dit maar niets, natte kleren, koude voeten, verkoudheden. Als er voldoende sneeuw lag waren we niet te houden. We wilden: een sneeuwman maken. En als vader op het laatst wat meehielp kon de pret niet op, zeker als er een sneeuwballengevecht bij was. Soms denk ik dat we elk jaar een sneeuwman maakten, maar dat zal wel niet waar zijn, want sommige winters viel er te weinig sneeuw om iets mee te doen. Thuis zaten we dan in de keuken na te genieten rond de kachel. Die stond rood gloeiend. De rest van het huis was niet verwarmd. Wij gingen naar bed waarin moeder een of andere bedwarmer had gelegd. Een kruik warm water, een zakje zand dat verwarmd werd in de oven, een warm strijkijzer met een oude handdoek er rond of kersenpitten, afgekookt, gedroogd en in een laken gestopt. Pas later gebruikten we de gummi bouillottes met heet water. We legden soms onze mantels op het bed en als het heel koud was mochten we onze kousen aanhouden. Naar de zolder gingen we niet. Onder de dakpannen was het ijzig koud. In de kleine kelder was het nog te doen. Al dekten we de voorraad aardappelen goed af tegen het bevriezen.. Naar het toilet gaan op de koer was geen lachertje.”