Friet - Soep - Pap - Groenten - Fruit - Vis
“Zaterdag was frietdag. Na de oorlog had elke dag bij ons dikwijls zijn eigen menu: vrijdag vanillepap en vis, maandag: spek met gebakken aardappelen, dinsdag: worteltjes en erwtjes met worst, woensdag: karnemelkpap en een eitje, donderdag: soepvlees (bouilli) en zaterdag friet. De zondag was feest: varkensgebraad en later een kip, een rundtong. Rundvlees kwam bijna nooit op tafel Friet maken was een hele gebeurtenis. Eerst gebeurde alles met de hand: schillen, snijden, drogen. We bakten de frieten twee keer in ossenwit in een zwarte ketel buiten op het koertje voor de stank. We schudden de friet goed op zodat het vet eraf droop. Ondertussen klopte de oudste zus of broer mayonaise met een vork in een diepe kom. Als het mislukte dienden we het toch op te eten als saus. Gelukkig dat we langzaam daarin specialist werden. Op de frieten strooide men veel zout, een flinke lepel mosterd of pickles en het feest kon niet op als we tafelbier mochten drinken. Maar de frieten in een dubbele puntzak die we kochten aan het station en op het plein smaakten nog lekkerder. De reuk alleen al doet me nu al watertanden..”
“’s Middags was er altijd soep of pap. Soep werd gemaakt met soepbeenderen, maar meer nog met blokjes of vloeibare OXO of Liebig. Soep liefst met vetogen. De soepbeenderen schraapten we af en de mergpijpen zogen we leeg. Er stond altijd peper maar vooral zout op tafel. Aan zout was er zeker geen gebrek. Soep werd gedikt met aardappelen of met vermicelli in allerlei vormpjes: het liefst hadden we lettertjes en cijfertjes. De feestsoep was tomaten roomsoep met zelfgemaakte balletjes van varkensgehakt. In de winter stond erwtensoep op tafel al of niet met hardgebakken broodkorstjes.
Vrijdag: pap en in de vasten ook op woensdag. Vooral de karnemelk pap met wat rijst of met gedroogde blauw pruimen was een vaste waarde. Vanillepap met grote macaroni, al of niet met bruine suiker was voor speciale gelegenheden.
Groenten onder de oorlog was was thuis altijd hetzelfde: veel uien, bonen, wortelen. En nooit ontbraken de aardappelen in alle bereidingen. Slechts veel later kwam er meer variatie. Soms waren we echt tevreden dat we groenten konden krijgen. De boeren en de mensen die op den buiten woonden konden zich meestal zelf voorzien van groenten De mensen zonder groentetuin zoals wij gingen naar naar de boeren. Sommige boeren en handelaars profiteerden van de oorlog. Waarvan er tekorten waren verkochten ze voor geld.
Vaders gingen op zoek naar graan, dat achteraf werd gemalen in de koffiemolen, en naar melk en vlees. Voor wie in de stad woonde was dat geen eenvoudige onderneming. Wie bij het begin van de oorlog niet bederfbare voedingswaren gehamsterd had, kon zich daar later behoorlijk mee redden. Er werd geruild. Een zeer gegeerd product was. ongebrande koffie, die was zijn gewicht in goud waard. ”
“Vis aten we de vrijdag. Dat was zo verplicht van de kerk. We aten vooral de goedkopere soorten: pladijs, makreel, scharretjes, rog, zeepaling. Moeder bakte met margarine, ze kookte de vis of ze legde de vis op in het zuur.
Over de wonderbare haringvangst in 1943 en 1944 heb ik veel horen vertellen van mijn ouders. De Noordzee stak vol met haring. Men voerde deze haringen met vrachtwagens het land binnen naar de viswinkels. Voor vele mensen was dit een geschenk uit de hemel. Zonder deze haring had men echt veel honger geleden.
Na de oorlog stonden haringen en sprot geregeld op tafel. Zowel pekelharing als gerookte haring. Iets duurder en lekkerder waren de sprotjes. Ieder kreeg een portie sprot op een dubbelgevouwen krantenpapier en een scherp mesje. Kop eraf, vel stropen, ingewanden eruit. Dit op je bord met een hete aardappel in de pel.”

