Winter Sterzingen - sneeuwman
“Op Driekoningen 6 januari was er het qterzingen. Kleine kinderen gingen verkleed in groepjes in de straten. Ze belden aan, ze zongen een liedje en lieten de ster draaien. En dan gaven de mensen wat snoep of zakgeld. Ik herinner mij dat we met de jeugdbeweging elk jaar een sterrenstoet hadden. We liepen rond verkleed als herders, engelen, Driekoningen met hun gevolg. Dit was een hele gebeurtenis. Ik herinner me dat we zelfs een jaar echte kamelen mee hadden. We zongen oude Kerstliederen en we hadden bussen (collectebussen) om geld op te halen voor de missies. We gingen ook in de kliniek de zieken bezoeken in de grote zalen. We kwamen in een vaste volgorde: eerst de stadsomroeper die zei dat het nacht was en dat alle lichten dienden gedoofd. De ziekenzaal was dan enkel verlicht door onze lantaren. De herders met schapenvellen op hun rug gingen vooraan zitten. Dan kwam de engel die hen de boodschap bracht dat ze het Goddelijke kind zouden vinden in een stal samen met Maria en Jozef en de os en de ezel. We zongen in de gang en we lieten een ster draaien aan een borstelstok. Precies zoals in het toneelstuk van Felix Timmermans: “En waar de sterre bleef stille staan”. Heel wat zieken kregen de tranen in hun ogen als ze ons zagen en wij soms ook. Nadien was er een feestje in een grote parochiezaal voor wel honderd jongens. De zaal rook naar vaseline die we gebruikten om ons af te schminken. De zaal was versierd met kerstbomen en we kregen warme chocolademelk en boterkoeken. Dat was een echt feest. De tafels en de keukens werden gedaan door de oud leden vaak met hun lief of hun verloofde, dikwijls van een zus van een andere jongen of een meisje van de bevriende jeugdbeweging.” “
Als kinderen verlangden we naar sneeuw, veel sneeuw en ijs. Onze moeder vond dit maar niets, natte kleren, koude voeten, verkoudheden. Als er voldoende sneeuw lag waren we niet te houden. We wilden: een sneeuwman maken. En als vader op het laatst wat meehielp kon de pret niet op, zeker als er een sneeuwballengevecht bij was. Soms denk ik dat we elk jaar een sneeuwman maakten, maar dat zal wel niet waar zijn, want sommige winters viel er te weinig sneeuw om iets mee te doen. Thuis zaten we dan in de keuken na te genieten rond de kachel. Die stond rood gloeiend. De rest van het huis was niet verwarmd. Wij gingen naar bed waarin moeder een of andere bedwarmer had gelegd. Een kruik warm water, een zakje zand dat verwarmd werd in de oven, een warm strijkijzer met een oude handdoek er rond of kersenpitten, afgekookt, gedroogd en in een laken gestopt. Pas later gebruikten we de gummi bouillottes met heet water. We legden soms onze mantels op het bed en als het heel koud was mochten we onze kousen aanhouden. Naar de zolder gingen we niet. Onder de dakpannen was het ijzig koud. In de kleine kelder was het nog te doen. Al dekten we de voorraad aardappelen goed af tegen het bevriezen.. Naar het toilet gaan op de koer was geen lachertje.”

