Appels en peren
“ De oorlog was gedaan en we dachten dat het nu allemaal beter zou gaan. Het viel wat anders uit. We hadden geen honger, maar alles moet goed afgemeten worden. Een extraatje van snoep, koekjes of uitstapjes kon er niet van af. Als jongetje van twaalf had ik het thuis niet breed. Mijn vader zat geregeld zonder werk en we waren met drie kinderen thuis. Ik was de oudste van drie jongens. Ik deed links en rechts kleine werkjes bij de fietsenhersteller en bij de bakker om wat extra geld in het laatje te brengen. Mijn moeder deed de was en de strijk van een viertal gezinnen in de buurt. In de keuken hing er geregeld een damp van strijk en was. Ik herinner me dat ik er een spelletje van maakte in het meebrengen van fruit. In de periode van de appelen en de peren verkocht Esperance tweedehands fruit. Ze haalde die op met haar duwwagen op het einde van de verkoop op de groentemarkt. In de vooravond liep ze ermee rond en ze riep: ‘Rijp en zoet’. Ons huis lag op het einde van haar toer. Als ze voorbij kwam hield ik op met het spelen op straat en begon ik een niew soort spel. Ik liep ik naar haar toe en duwde de stootkar verder mee. Ik had dat een keer gedaan omdat ze moeilijk vooruit geraakte en ze gaf me wat fruit mee. Ze zei me dat ik elke keer mocht meegaan om te duwen en te sorteren. In haar opslagplaats moest ik met haar het fruit sorteren. De appels en peren die overrijp waren mochten weg. Tussen het fruit dat nog niet weg moest, mocht ik een zwarte tas vullen met appelen en peren vullen, zonder te betalen. Ik moest haar helpen met de afval weg te doen in vuilnisbakken. Dat was geen lachertje met al de wespen en vliegen die op de rotte appels en peren zaten. Die keren dat ik dat deed was voor mij een spannend spel: Hoeveel fruit zal ik kunnen meebrengen?
“ Tijdens de oorlog en zelfs de eerste jaren na de oorlog aten we praktisch alleen fruit van hier. Bij de bevrijding zag ik wel op zekere dag een vijftal vrachtwagens de stad binnenrijden vol met sinaasappelen. We liepen ze achterna, omdat we hoopten dat men ze zou uitdelen. Spijtig genoeg reden ze in een kazerne binnen waar Amerikanen in gelegerd waren. De sinaasappelen kwamen van het buitenland en waren gelost in de haven van Antwerpen.
Het duurde niet lang meer of met Sinterklaas kregen wij als kinderen van de goede man elk een sinaasappel. We zongen dan samen met ons moeder ‘Daar zijn de appeltjes van Oranje weer. Sinaasappelen zoek ze zelf maar uit. Grote kleine 'k heb z' in elke maat, bijt er 's in, 't sap langs je kin, zo roept die man op straat…’
Van bananen was er geen sprake tijdens de oorlog. Ik heb ze voor het eerst na de oorlog gezien, en tot de jaren zestig bleven ze schaars.
Vooral de appelen en de peren waren in trek. Daarnaast: pruimen, kersen en aardbeien. We gingen ook fruit plukken voor confituur, we betaalden per gewicht. De beste confituur was van braambessen en die konden we gratis plukken.
Als we voorbij bomen kwamen met rijpe vruchten, plukten we soms als de boer het niet zag. Een vriendje van mij heeft zo eens een heel uur in een appelboom gezeten en at alle appels op die hij kon grijpen. Hij had er zoveel van gegeten, dat hij er ziek van werd. Hij lag nadien op de grond met krampen. Toen hij dit thuis vertelde, zei zijn moeder: Je moet dit maar niet doen. Dit is stelen. Dit is een straf van God .”

