Werken
's Morgens zag ik vlak na de oorlog - vanuit het keukenraam omstreeks zeven uur rijen arbeiders naar de textielfabriek trekken. Ze deden dat stilzwijgend met een sigaret in hun mond en een pet op hun hoofd. Tussenin zag ik jongens lopen die pas van school waren. Ze waren ongeveer veertien jaar. De sirene klonk: over een kwartier zou de fabriekspoort dichtgaan. Mijn moeder zag me uit het raam kijken en zei me dat werken in de textielfabriek (het Katoentje) hard labeur was. Vele uren werken in vuile omstandigheden voor weinig geld. Maar liever dat, dan geen werk. Mijn moeder vertelde me soms over de socialisten, de stakingen.. Arbeiders en zeker zij die socialisten waren, bleven hun hele leven bij de partij bij de bijhorende ziekenkas, fanfare, gymnastiekvereniging. Van de geboorte tot het overlijden, bij het werken of om werk te vinden of te stempelen kon je er als arbeider bij terecht.. Om aan werk te geraken was het goed dat je een volksvertegenwoordiger opzocht in het lokaal; van de partij en de vakbond: Het Achturenhuis. Hij probeerde je dan binnen te brengen bij de Spoorwegen, de Post of als arbeider in de gemeentediensten. Je moest wel een wederdienst bewijzen: voor de partij stemmen, opstappen in de 1 mei stoeten en gaan plakken bij de verkiezingen."
Stedelijke administratie
“ Mijn oom Marcel was afdelingshoofd op de stedelijke administratie. Dank zij zijn diploma van het college, kon hij na examens carrière maken. Toen werkten er nog geen mensen in de kantoren van de stad met een universitair diploma. Hij was een pietje precies. Zoals een schoolmeester verdeelde hij elk jaar de potloden, de stempels, de formulieren. Hij controleerde of het verbruik niet te hoog lag. Hij deed ook toezicht op de kledij. Ze dienden een zwarte das te dragen en een hemd, of tenminste een plastic hemdenboord. Ze mochten van de lange zwarte armen aantrekken.
Vele mensen hadden het niet hoog op met mensen die werkten aan de stad of aan de gemeente. Men klaagde dat ze niet hard genoeg werkten en dat ze de mensen van her naar der stuurden. Voor een papier diende je soms naar verschillende loketten te gaan en terug te komen. En de arbeiders namen hun tijd om een paar tegels effen te leggen. Ik denk dat we vooral denken aan de zaken die niet goed zo liepen.
Eenmaal op rust zag het gemeentepersoneel elkaar geregeld terug in het clubhuis van de gepensioneerden. Ze legden een kaartje en dronken een pintje tegen een goedkope prijs. Ook de andere bonden van gepensioneerden mochten op bepaalde dagen komen. Bij ons waren er dit vier: christelijke, socialistische, liberale bonden en dit van de middenstanders. ”
Werk hebben was een noodzaak. De sociale voorzieningen waarop men kon terugvallen bij werkloosheid of langdurige ziekte waren niet goed uitgebouwd. Wel liep België zeker niet in de achterste rijen. Zo had Achilles Van Acker in de oorlogsregering van België te Londen met anderen de grondslagen gelegd van een vooruitstrevend sociaal zekerheidssysteem. Werknemers zochten steun bij de ziekenfondsen, vakbonden en bij politieke partijen, zowel voor hun werk maar ook voor cultuur en ontspanning via de aanleunende socio - culturele verenigingen zoals fanfare, toneel, gymnastiek, jeugdbeweging.

