Sterven en begraven worden
“Sterven en begraven worden was in ons dorp een gebeurtenis die iedereen mee beleefde. De stervende kreeg het laatste sacrament toegediend. De klokken luidden dan. De mensen kwamen op straat om zich af te vragen wie er dodelijk ziek was. De pastoor in witte albe passeerde met een misdienaar die voorop liep met een bel en met het wijwater. De pastoor hield in zijn handen de heilige zalf geborgen. Bij een begrafenis was heel de buurt betrokken. De buren droegen de overledene naar de kerk. Slechts als het te ver afgelegen was, werd de kist met kar en paard gevoerd tot een stukje voor de kerk en dan namen de dragers de kist over. Als de overledene lid van de fanfare was ging de fanfare voorop en speelde treurmuziek. In de kerk zou ze dat na de consecratie herhalen. Ook de vlag ging mee, deze werd tijdens de consecratie door de drager scheefgehouden. Heel de buurt woonde de begrafenis bij. De overledene bleef thuis opgebaard en elke avond werd er een rozenhoedje bij gelezen. De naaste buren kwamen mee bidden. Gedurende de tijd dat het lijk nog boven aarde lag, bleven de ramen gesloten en stond aan de voordeur een kruis. Als mannen voorbij kwamen, namen ze de pet af. De vrouwen maakten een kruisteken. Het condoleren – de hand geven aan de kerk of op het kerkhof – is veel later gekomen. De begrafenis was letterlijk iemand in het graf neerlaten. Bijna alle mensen in de kerk gingen mee naar het kerkhof, en als de kist in het graf was, passeerde men en men gooide een klontje aarde in het graf. Bij een kind was dat een bloemetje. Later werd de begroeting een kruisje met wijwater en werd de kist niet meer neergelaten in aanwezigheid van de mensen. Na de begrafenis werden de buren en de vrienden uitgenodigd op de koffie: wit brood en later pistolets met kaas en gevolgd door een stuk taart of een koffiekoek. Die koffietafel werd thuis gegeven of in het dorpscafé. Voor de mannen kreeg een begrafenis een verlengstuk in een café. Later werden de koffietafels in de parochiezaal gegeven. De naaste familie droeg zes weken rouw. Voor de vrouwen waren dit zwarte kleren en voor de mannen minstens een zwarte knop op de kraag van hun vest en een zwarte das. Gedurende die weken ging de familie niet uit en niet naar feesten bijwoonden. De begrafenis werd gevolgd een reeks missen.”
Zingeving De meeste levensverhalen die we verzamelden verwijzen naar een rooms-katholieke gezinsachtergrond. Voor sommigen waren die herinneringen positief en gemoedelijk, voor anderen eerder negatief en grimmig of neutraal. Dikwijls waren het gemengde gevoelens: positief omwille van de geborgenheid, de hoop, de deugddoende rituelen rond de levensscharnieren van geboorte tot overlijden. Negatief omwille van bepaalde praktijken: van gewetensmisvorming tot kleine en grote pesterijen, vrouwonvriendelijkheid. Vooral de sociale en de morele druk en samenhangende controle die er was in de parochie en op katholieke scholen en internaten, lag bij sommigen als een steen op de maag.

