Kinderspelen - braderie
“Kinderen speelden vooral op straat, in bossen, langs de waterlopen en op school. De meest bekende waren verstoppertje, tikkertje, knikkeren en hinkelen. En natuurlijk de balspelen en de avontuurlijke spelen: gendarme en dief, Cowboy en Indiaan en oorlogje spelen. Als kinderen speelden we graag vlak na de oorlog in en rond de bunkers. Dat mocht wel niet van de politie en van onze ouders, maar we deden dit toch maar. Dat was pas avontuur. Op de wallen naast het kanaal stonden er heel bunkers. De kinderen die de oorlog niet goed hadden gekend waren zelf een beetje jaloers dat wij herinneringen hadden aan de oorlog: overvliegende vliegtuigen. Spelen bij de bunkers was spannend, avontuurlijk. Oorlogje spelen met stokken als geweren of dief en gendarme speelden we graag. In sommige bunkers kon je zelfs binnen. Het was er koud en kil en vochtig. De vleermuizen hingen er soms aan de zoldering. Overal zagen we noodverlichting die kapot was. En gekalkte teksten op de muren en waarschuwingsborden in het Duits.
We vochten met rivaliserende jongensbenden kleine oorlogen uit. We namen er gevangen en werden gevangen gezet. Als we dit beu waren gingen we met de knikkers (marbels) spelen of bikkelen, of met de schietlap (katapult) spelen. En als het weer en de wind goed was een vlieger oplaten met een lange staart met gekleurde papiertjes. Maar misschien is dit alles in mijn herinnering zonniger en spannender dat het in werkelijkheid was. Al doet het deugd zulke herinneringen eens op te halen en te kunnen vertellen.”
Voor de kinderen was de jaarlijkse kermis en de braderie echte feestdagen.De braderie van onze straat was de laatste week van augustus. Bij ons was er een braderie met kraampjes op het trottoir. De helft van de huizen waren winkels en iedere winkel deed mee: van de slager tot de schoenwinkel. In elke winkel kreeg je lotjes. En er was muziek op straat met grote luidsprekers. Voor een kleinigheid kon men een plaatje opdragen aan iemand. Een van de klassieke mededelingen was: ‘Van Georges aan een lieve onbekende.’ Dat was geheimtaal, om niet in uw kaarten te laten kijken.
Er was versiering met wimpeltjes en met lampjes. De winkeliers legden samen voor een zangwedstrijd, bokswedstrijd in open lucht en een vuurwerk.Wij vonden dit een van de beste braderijen van de stad.
Geen braderie zonder ballonnenwedstrijd. In de loop van de week kreeg je in enkele winkels gratis ballonnen die je zelf diende op te blazen. Maar er was een middag van de prijsballonnen: als je moeder voor zoveel had gekocht, kon je deelnemen aan die wedstrijd. Je schreef je naam en adres op een kaartje. Een ballon werd met een gasfles opgeblazen, kaartje eraan en in de lucht. Spannend. Ik heb nooit een prijs behaald. “
Carnavalstoet.
“ In onze gemeente was er elk jaar een carnavalstoet. De mensen van omliggende dorpen kwamen erop af. Wij kregen speciaal zakgeld om bij ons tante Valentine mombakkes (maskers) te kopen. Onze tante was met de jaren wat ‘raar’’ geworden. In haar hoofd was ze niet altijd goed snik. Ze zat in de winkel naar buiten te kijken als een soort etalagepop. Als we binnen stapten kletterden bronzen staven tegen elkaar.
Ze herkende ons soms en soms niet. We vroegen of we mochten kijken naar de maskers. Natuurlijk. Ze duwde dan op een muziekdoosje en wij hoorden hard en schril lachen. Precies van een heks of van een spook. In het begin waren we daar bang van. En tante Valentine genoot daarvan. Later toonden we ons bang om tante Valentine te plezieren. Moeder zei dat we met haar medelijden moesten hebben. Ze was niet meer zo goed in haar hoofd en ze was dikwijls alleen. Haar man had tijd zat maar hij zat liever bij zijn duiven, zijn kaartersvrienden en de supporters van wielerwedstrijden. Elk jaar ging hij naar naar de Zesdaagse van Antwerpen.
Enkele jaren later gingen we naar haar begrafenis. Eigenlijk zouden we droevig moeten zijn, maar we dachten aan haar maskers en aan haar Ha,ha,ha.”

