Fietsen - voetballen - knikkers
Fietsen
“Op het einde van de oorlog vorderden de Duitsers alle fietsen op. Ze waren op terugtocht en alle vervoermiddelen waren goed ook paard en kar en fietsen. Van de fiere soldaten schoot er niet veel over. Thuis hadden we twee fietsen om naar het werk te gaan. Mijn vader stopte ze weg onder de matrassen van onze bedden. Nu moest mijn vader en de oudste broer enkele weken te voet. Niet plezierig. Na de oorlog konden ze terug van stal. Het waren van die vreselijk zware fietsen. Elk jaar kwam er een fiets bij. Mijn oudste zus kreeg van haar eerste loon een tweedehandse damesfiets met houten velgen. Dan mijn oudste broer. Telkens schoof men een fiets naar een jonger kind. Na de oorlog kwamen de jongens die wat verder woonden met de fiets naar school. Ze ‘huurden’ een vaste haak in een fietsenkot, dit kwam op de schoolrekening. Sommige leerlingen moesten wel een klein uurtje rijden. Ze fietsten van Damme, Sijsele, Moerkerke elke schooldag naar Brugge. Ze reden in groepjes omdat dit gezelliger en veiliger was. Elk jaar organiseerde de school een fietstocht naar de kust: 12 km naar Blankenberge. We konden zwemmen en strandvoetbal spelen. Op school werd er veel aan sport gedaan. In de turnles: springen over de bok, evenwichtsoefeningen, klimraam, op de speelplaats en op de sportterreinen: voetbal, atletiek, basket. Vele jongens en meisjes waren ook lid van een sport- en turnvereniging in hun gemeente of wijk: bij de katholieke of bij de socialistische.”
Voetballen
“ In de oorlog hadden we vaak geen gummibal om mee te spelen. We maakten er een van papier of van vodden met een touwtje er rond. Op straat zochten we naar iets om mee te voetballen: een kastanje, een losse steen. Na de oorlog hadden we wel ballen. We konden volop spelen op straat, op school en op de speelpleinen van het patronaat. Dan mochten we spelen met een echte lederen bal bij de jeugdclubs en echte voetbaltruitjes. Het meest onvoorspelbare voetbal gebeurde op de speelplaats. Elk leerjaar had zijn goals:geschilderde strepen op de muren. De bal kon niet buiten gaan, want de hele speelplaats was het terrein. Zo gebeurde het vaak dat twee ploegen door elkaar speelden. We wisten dat die spelers van een andere terrein waren en we lieten ze hun gang gaan, als het maar niet te lang duurde.
’s Zondags gingen we kijken naar het voetbal. Maar wat me het sterkst is bijgebleven zijn de radioreportages van de wedstrijden van het Belgische voetbal, de Rode Duivels, tegen de Nederlanders: Hup, holland hup). Was me dat spanning.
We speelden ook voetbal met knikkers. We trokken met een zakmes lijntjes in het zand om een voetbalveld af te bakenen. Met alle lijnen die nodig waren, tot en met de cirkels. Elk op om beurt mochten we een kleine knikker - die de bal was - verder knikkeren. Eenmaal in de helft van de tegenstander mochten we vrij op het doel schieten. De doelverdedigers diende met een grote knikker de bal tegen te houden. Na een tijdje waren dit beu en speelden een ander knikkerspel: in zo weinig mogelijk beurten je knikker in tien putjes brengen.”

