“ Ik leerde gemakkelijk op de lagere school. Het was oorlog, maar in klas merkte je daar niet veel van. Mijn droom was onderwijzeres worden. Als ik dit thuis vertelde, kreeg ik de opmerking dat ik het te hoog in mijn bol had. Na lang aandringen en door toedoen van mijn onderwijzeres, die op zekere dag apart sprak met mijn vader en mijn moeder, mocht ik toch gaan voor onderwijzeres. Daarvoor diende ik vlak na de oorlog naar een internaat te gaan. Op zekere dag kregen we hard gekookte eieren. Ik deed het ei open en een geweldige stank kwam uit de schaal. Het was om te kotsen. De andere leerlingen van mijn tafel roken dat ook en trokken hun neus op. Hun eitjes waren wel goed. Ik riep de zuster van dienst en zei dat het ei rot was, dat het stonk en dat de andere leerlingen dit ook vonden. Ze maakte zich geweldig kwaad. Ze duwde mij met mijn neus op het ei. Ik was verplicht het op te eten. Toen ze haar rug gedraaid was, heb ik het in mijn zak gestopt en bij het buitengaan in de vuilbak gegooid. De twee laatste jaren waren veel minder streng. Ik was zelfs graag op het internaat. De meeste van mijn vriendinnen gingen naar de huishoudschool. De vrouwelijke vaardigheden stonden bovenaan. Het was een streng regime. We moesten een lelijk uniform dragen, beleefd en ijverig zijn. Gedurende de handwerkles moesten we luisteren naar stichtelijke verhalen. Zij vertelden me dat dit zeker geen aangename periode..”
“ Ik kan me van mijn kleutertijd algemene beelden herinneren. In de eerste plaats de nonnetjes met hun grote kappen. Ze woonden in de school. Elke morgen dag gingen ze in groep, twee aan twee, en in volle stilte naar de kerk. Ook heb ik nog herinneringen aan de dansjes rond een boom: “En de boom en de boom en de goddelijke boom, en de boom die staat in de aarde…” Natuurlijk ook activiteiten als kralen rijgen en haken op een plankje met nageltjes erop en spelen met blokken. Thuis hadden we houten blokken in allerlei grootte. Mijn peter die een schrijnwerker was, had deze voor ons gemaakt. Wij hebben er uren mee gespeeld en ook met de knopen die moeder had afgeknipt van de kleren die ze als vodden verder gebruikte. Al die knopen stak ze in een grote blikken doos.
Wat me van de kleuterschool ook is bijgebleven is de levertraan. Ik smaak dit nog en de reuk al doet me bijna braken. Ik heb maar één keer slaag gekregen van mijn moeder. Dat was de schuld van die vreselijke levertraan. Elke dag moest er thuis een lepel van dat spul gedronken worden. Ik vond dat zo erg dat ik het op een bepaald moment het op een lopen zette, rond en om de keukentafel. Toen moeder me te pakken kreeg, met die dreigende lepel in haar ene hand, kreeg ik van haar andere hand een klap die ik nooit meer vergeten ben.
Echt veel herinneringen heb ik verder niet van de kleuterschool – wij spraken van papschool - ze zijn alleszins bijgekleurd door wat ik later zag toen mijn kinderen en mijn kleinkinderen op de kleuterschool zaten. Nu zijn er speciale voormiddagen voor grootouder op de kleuterschool: allerlei nummertjes door de kleuters en koffie met koekje voor de grootouders. Dat bestond vroeger niet.”
“Schoollopen in oorlogstijd was een merkwaardige belevenis. Het grootste gedeelte van mijn humanioratijd was oorlogstijd. Ik liep school in een strenge meisjesschool, waar naargelang de seizoenen, een winter‑ of zomeruniform moest gedragen worden. Bij dat winteruniform hoorde een blauwe baret, die veel gelijkenis vertoonde met een matrozenmuts, wat op straat nogal wat opmerkingen van Duitse soldaten voor gevolg had. Geen Duits verstaan was de beste tactiek. Gelukkig verdween die baret na enkele jaren.
Oorlog betekende vooral zorgen voor de volwassenen, voor de ouders: de toenemende onveiligheid, tekort aan voeding, de zorg om kleding… Soms werd op school melk bedeeld of wortelen. We kregen ook harde katoen, waarmee we moesten leren kousen breien. De lessen gingen gewoon hun gang. Wat in onze jonge ogen toen wel leuk was: soms werd er luchtalarm geblazen en wat later was er dan geronk van vliegtuigen te horen. De klassen werden dan geëvacueerd en er werd geprobeerd verder les te geven in diverse kelderruimtes onder de school. Wij vonden dat, in onze jeugdige overmoed, een plezierige onderbreking in het schoolse leventje. Na een tijdje werd er dan weer veilig geblazen en kon iedereen gerustgesteld weer naar de klas. De lach en de traan lagen toen dicht bij elkaar.
Toen ik in de Poësis zat, kwam er een eind aan debezetting, maar dan volgden de “ Vliegende Bommen” over Antwerpen enomgeving. Na vier jaar oorlog begonnen we meer het gevaar en de ellende van datbommengeweld te voelen. V1's en V2's vielen ook in de onmiddellijke omgeving.Resultaat: scholen gesloten. We moesten voor enkele maanden naar veiliger scholen gaan en dat bracht afwisseling en avontuur. Oorlog was vreselijk, maar toch niet louter ellende.”.
In België en in Nederland waren de confessionele scholen bijzonder belangrijk. De school was een verlengstuk van thuis, men koos daarom ook voor een school van de eigen geloofsovertuiging. Naar school gaan was belangrijk ook als stap naar sociale promotie. Er was een rivaliteit tussen de schoolnetten en binnen de netten tussen de scholen met meer of minder standing. De school was naast het gezin en de straat de plaats waar jongens en meisjes met elkaar omgingen. De school was toen en nu de afspiegeling van de samenleving. De school was bijzonder belangrijk in het doorgeven van waarden, zoals dit van gehoorzaamheid, soberheid, werkzaamheid. Eerst werken en dan spelen. Eerste plicht mondje dicht. Symbolen van schoolsparen, prijsuitdelingen (competitie) werden verstrengeld in het dagelijkse leven. De school bood een ruimere blik op de wereld.