pol sturtewagen
alles wat in de ruimte is,
ís de ruimte – en niet.
dus noem mij:
schermutseling, versierde galg.
noem mij grap in de oorlog,
en witte magnolia.
noem mij lichaam, scheiding,
of molecule in de muur.
ik ben het – en niet.
wijs dan met de vinger ergens :
naar de wandelende tak, de verborgen agenda.
naar de zee die haar krullen imiteert,
het geurspoor, de galop, de lach.
en hoor hoe de stilte
de vervoeging van grenzen reciteert:
eerste persoon meervoud:
ik ben nergens niet.

