ring
| |||||||
ring
| |||||||
germain droogenbroodt
de hemel hangt vol blauw
en weerloos wit
broos en waterbleek
als opgespaard verlangen
weemoedzacht
valt af en toe wat regen
het waterschuwe vogelvolk
houdt dan de stemmen stil
en kijkt verwonderd
naar mijn roekeloos gemoed
dat met zijn zeilen van papier
het anker heeft gelicht.
jana beranováje zegt dat ik keihard ben maar
mijn schoot is zacht. kneed en
smeed me, zo hou ik stand. zie je
die brug daar, lief? op handen uit
één stuk draag ik je naar de overkant.
wil je een huis, stevig en licht, dan
til ik je omhoog tot aan de hemelpoort.
hoor je de blinkende trompetten?
soms zwicht ik, terrasgewijs gestrekt,
voor de cascade die kirrend alle
lagen van mijn buik bespeelt.
wat ik nog meer kan? vraag je.
voor je 't weet strijk ik neer
op een geschikte plek
en sta je oog in oog
met mijn pinguinoog
- nee, geen droom.
een droomvogel. beton.
hendrik marsmanin de weiden grazen
de vreedzame dieren;
de reigers zeilen
over blinkende meren,
de roerdompen staan
bij een donkere plas;
en in de uiterwaarden
galoppeeren de paarden
met golvende staarten
over golvend gras.
anonvan dichten comt mi cleine bate
die liede raden mi dat ict late
yazuyosi ikeda
er ligt in deze tuin een weggegooide steen.
als je hem met je hand aanraakt voelt hij koud aan.
maar als de ondergaande zon erop schijnt,
doordrenkt en kleurt hem het rode licht.
jean-pierre rawieik weet niet welke weg je neemt;
de sterren gaan hun baan ten einde
en straks is mij het dichtsbijzijnde,
het langst gewetene weer vreemd.
maar wat bestond aan zon en maan
en wisseling van de getijden,
het was alleen opdat wij beiden
elkander niet zouden ontgaan.
wij worden nu nog slechts door tijd
en ruimte van elkaar gescheiden,
maar sta mij aan het eind terzijde
als ik de einder overschrijd.
wij hebben alles nog te goed
wat ons het leven heeft ontnomen:
uit welke verten ook, wij komen
elkaar ten leste tegemoet.
kees stipje opende de openslaande deuren:
het leek of met de rozen rond het gras
het paradijs teruggewonnen was,
alleen met nog meer kleuren en meer geuren.
wie dit gekend heeft moet maar niet meer zeuren.
de dagen van de rozen zijn zo ras
vervlogen dat ik ze na jaren pas
weer dromen kan in geuren en in kleuren.
door rozegeur word ik met open ogen
nog mooier dan door maneschijn bedrogen,
en snuif ik diep en doe mijn ogen dicht
dan gaat mijn neus, ontsnapt uit mijn gezicht,
de hortus op en wandelt door de tijd
een weg terug die over rozen leidt.
rutger koplanden toen de zomer dan toch weer was teruggekeerd
en wij dus weer zaten te drinken bij de rivier.
zijn oude armen bewogen nog, naar daar, die wereld
dat langzame, eeuwige leven van vee in de verte.
ieder mens zou een dier moeten zijn, moeten sterven
in de herfst, en in de lente weer worden geboren.
of, ieder mens zou een rivier moeten zijn, komen
zonder verlangen te blijven, gaan zonder heimwee.
zo zaten we dus weer te drinken daar, tegen de tijd,
oude verhalen, oude jenever, maar de zon ging wel onder.
en hij sliep in. omdat de wereld insliep. zwart
zat hij bij de rivier, zwart gat in het uitzicht.
ingmar heytzeik weet niet
waarvandaan het komt
dit schreeuwen
van papieren daken
de vreemde drang
om steeds te zeggen
wat ik denk
of denk te zijn
maar als jij het bent
herken je de strofen
schud stiekem
het papier de hand
als jij het bent
is het slechts drukinkt
dat ons scheidt
noch scheiden kan
lyn palmer
i walked a while with sorrow
hans andreusik hoor het licht het zonlicht pizzicato
de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht
ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo
ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht
ik lig languit lig in mijn huid te zingen
lig zacht te zingen antwoord op het licht
lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen
te zingen van het licht dat om en op mij ligt
ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder
te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil
ik weet alleen het licht van wonder boven wonder
ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.
fernando pessoa
willem hussemal dat hout
bij de haard
voor één vuur
warmte vergt
jaren groei
chris j. van geelik heb het vanmiddag gevoeld
hoe het zou kunnen zijn
de rotsen versteend
het water gewassen
een zon die maar schijnt
robert ankerdroefenis van grassen
na gestilde regen
als het land met schemer volloopt
tussen sloot en kant luistert
de reiger
j. kernerkönnt'ich dich in liedern preisen
säng ich dir das längste lied
ja ich würd'in allen weisen
dich zu singen nimmer müd
doch was immer mich betrübte
ist, dass ich nur immer stumm
tragen kann dich, herzgeliebte
in dieses busens heiligtum
dieser schmerz hat mich bezwungen
dass ich sang dies kleine lied
doch von bitter'm leid durchdrungen
dass noch keins auf dich geriet.
martin brilwat we willen:
momenten
van helderheid
of beter nog: van grote
klaarheid
schaars zijn die momenten
en ook nog goed verborgen
zoeken heeft dus
nauwelijks zin, maar
vinden wel
de kunst is zo te leven
dat het je overkomt
die klaarheid, af en toe
w.j. van der molenhet regent buiten
met de intense stilte
die ook in mij is
gerrit wassingde vlier gaat bloeien
het meisje maakt van haar bloesje
een knoopje los