johan van cauwenberge
even beeft de nacht.
wilde hazen zijn wij
die door de ochtend scheuren,
het opgeschrikte wild
door het geblaf der honden.
een mistig vlies tussen de bomen
trilt.
elk schiet zijn eigen weg
naar een ander leger;
wat heeft ons geraakt?
wie is er gewond?
wanneer jij bent verdwenen
hangt jouw geur nog in mijn vacht,
mijn zinnen in jouw vel gesneden,
de struikelwoorden genesteld
in de holte van jouw arm;
weg, en toch nooit weg,
naar een wereld waar nog niemand kwam



