jitchok imber
kom, mijn lief, wij gaan op zoek in
langvergane wouden, in weiden waar
het gras ontsproot - daar,
bij opdoemende luchtkastelen
komen onze spiegelbeelden
ons voor eeuwig tegen,
drukken hun lippen op bedorven winden
zwervend van een stilstaand heden
naar een niet-toekomende tijd
vlij je met mij samen
bij moerassen, uitgedroogde -
bij een beekje, lang ontwaterd,
tussen bosschages, omgekapte,
tussen dag die was, en nacht die niet zal komen
in dichtheid van verdorde doornen
duiken wij weg in het woest en ledig
roep nog niet:'verloren!'
het verliezen is pas bezig.



