hilde keteleer
hoe het moeten in kruimels van de tafel valt
die we overmoedig dekten met het mogen
kijken naar de weerglans op elkaars gelaat
ruiken aan de vingers, een paringsdans
proeven van het zout en het brood
betasten en toetasten en toetoasten
op de jaren die nog resten na de eerste
hoe de hoogstandjes van neusvleugels
met kleine briljanten scherpe randen krijgen
en het zwijgen minder medeplichtig
en luisteren keuvelender wordt
het adembenemend landschap heuvelend
het noemenswaardige lichtbewapend
en wij elkaar gewoon maar aardig.






