Mijmeringen
Dansende vlammen in het haardvuur
Het is winter, buiten vriest het dat het kraakt.
Ik ben alleen thuis, zit rond de roodgloeiende kachel met het boek “de ellendelingen” van Victor Hugo, één van mijn lievelingsauteurs trouwens, en voel me langzaam wegdromen.
Ik voel dat er iets is dat er gisteren niet was. De inrichting van de woning lijkt me nochtans onveranderd, zelfde tapijt aan de wand, zelfde meubilair en toch… tot me de open haard in de hoek opvalt. Die was er gisteren nog niet en alhoewel ik weet dat mijn vader een “manusje van alles” wordt genoemd komt me dit toch vreemd voor.
Ik neem plaats voor de open haard en zijn gezellige warmte. Werp nog enkele houtblokken op het vuur en geniet van het knetterend geluid en het opstijgende vuur.
Iedere gooi van een nieuw houtblok op het vuur creëert een symfonie van klanken. De ritmisch op- en neergaande bewegingen van de vlammetjes gaan langzaam over in kleurige figuren die de muziek omzetten in dans.
Ik ben, weet niet hoe, verzeild geraakt op een folklorefestival waarbij de verschillende, kleurig uitgedoste volksdansgroepen het beste van zichzelf geven. Wat is de realiteit toch veel mooier dan alles wat ik in mijn boeken heb gelezen.
Ik wil meer van dit en gooi een groter houtblok op het vuur dat met een knetterend geluid uit elkaar spat. Ik voel me weggeslingerd en kom in een heel andere, verwoeste omgeving terecht.
Explosies van alle kanten en ik probeer me dan ook zo vlug mogelijk in veiligheid te brengen. Ik loop het dichtstbijzijnde gebouw, een kerk, binnen en zie dat deze als veldhospitaal werd ingericht. Ik huiver bij het zien van die vele, gruwelijk verminkte mensen en vooral die vreemde geur.
Hoe ben ik hier toch verzeild geraakt en hoe kon ik zo dom zijn; daarbij hebben mijn ouders me nog zo op het hart gedrukt het huis niet te verlaten wanneer er geschoten werd.
Ik heb veel gelezen over de oorlog maar de realiteit is toch wel heel anders en vooral gruwelijker.
Ik word op de schouder getikt door mijn moeder die juist is thuis gekomen en die me vraagt of ik geslapen heb, wat ik natuurlijk ontken.
Heimelijk kijk ik naar de hoek waar de open haard zich bevond maar daar is niets meer te zien.
Ik herinner me dingen die ik nergens heb gehoord of gelezen; die vreemde geur in het hospitaal laat me niet los.
Ik ga dan ook naar bed in het besef dat ik iets beleefd heb dat ik met niemand zal kunnen delen maar dat me voor altijd in mijn diepste binnenste zal bijblijven.
Nu, zoveel jaren later, kan en wil ik nog steeds niet aanvaarden dat dit enkel een droom was en blijf ik er rotsvast van overtuigd dat ik daar echt aanwezig was.

