De Kruisweg

De Kruisweg uit de geschriften van A. K. Emmerick
Pilatus alles voor de uitspraak van het vonnis in gereedheid te brengen. Hij liet zich zijn ambtsgewaad brengen en aandoen; een soort kroon werd hem opgezet, waarin een edelsteen of iets anders blonk; een andere mantel werd om zijn schouders gehangen en vóór hem uit een staf gedragen. Hij was omringd door soldaten, voorafgegaan door gerechtsdienaren en gevolgd door griffiers met schrijfrollen en onderliggers bij het schrijven. Een bazuinblazer die op zijn trompet blies, ging voorop. Met dit geleide trok Pilatus uit zijn paleis naar het forum. Nadat Pilatus op zijn rechterstoel plaats had genomen, zei hij nogmaals met luide stem tot de vijanden van Jezus: “Daar is nu uw koning!” Doch zij antwoordden: “Weg met Hem! Aan het kruis met Hem!” Pilatus sprak verder: “Moet ik dan uw koning kruisigen?”
En de hogepriesters riepen: “Wij hebben geen koning buiten de keizer!” Pilatus sprak nu geen woord meer ten gunste van Jezus of tot Hem, maar begon met de uitspraak van de veroordeling. De beide moordenaars waren vroeger reeds tot de kruisdood veroordeeld, maar op verzoek van de hogepriesters was hun executie uitgesteld, omdat zij hoopten Jezus nog meer smaad aan te doen, door Hem met 2 verachte booswichten te laten kruisigen. De H. Maagd baande zich met meerdere vrouwen die haar omgaven, een doorgang tussen de menigte om aanwezig te zijn bij het doodvonnis van haar Zoon en God. Jezus stond vóór Pilatus terecht aan de voet van de rechterstoel. Hij was door gerechtsdienaren omgeven, terwijl zijn vijanden toornige, verachtende en zelfvoldane blikken op Hem wierpen.
Met bazuingeschal werd stilte geboden en nu sprak Pilatus met laffe en geveinsde verontwaardiging het doodvonnis tegen de Heiland uit. Na een redevoering besloot hij: “Daarom veroordeel ik Jezus van Nazareth, koning van de Joden, om aan het kruis genageld te worden.” En hierop gaf hij de beulen het bevel het kruis te halen. Onder deze laatste woorden brak hij een lange stok, en wierp die vóór Jezus’ voeten neer. (Het breken van een stok is een teken gebleven dat het vonnis definitief en onherroepelijk is.) Bij deze woorden zonk de bedroefde Moeder van Jezus bewusteloos op de grond neer als ging ze sterven. Haar heilige gezellinnen met Joannes brachten haar weg.
Zodra zij bijgekomen was, wilde zij de lijdensweg van haar Jezus bewandelen. Gezeten op zijn rechterstoel stelde Pilatus nu het vonnis ook nog op schrift en hij schreef daarna ook nog het opschrift of de titel voor het kruis in 3 regels op een plankje. De hogepriesters twistten met hem ook nog over het opschrift van het kruis: er mocht niet staan: “Koning van de Joden”, maar: “Hij gaf zich uit voor een koning van de Joden”. Dit maakte Pilatus erg ongeduldig. Vol minachting voor hen en toornig snauwde hij: “Wat ik geschreven heb, blijft geschreven“. Ook verlangden zij dat het kruis van Christus niet hoger boven het hoofd zou uitsteken dan dat van de beide moordenaars. Nochtans moest het hoger worden, omdat het door mislukkingen in het vervaardigen, bij het hoofd te kort geworden was om er de door Pilatus geschreven titel op te plaatsen.
Pilatus hield voet hij stuk en beval dat men het kruis zou verhogen door een verlengstuk aan de kruisstam vast te hechten; aan dit verhoogstuk moest het titelbordje bevestigd worden. Het kruis zag er zo uit: 2 armen als 2 takken uit de stam van een boom, schuin opwaarts liepen in de vorm van de hoofdletter Y. De beide armen waren dunner dan de stam en elk van beide werd er afzonderlijk ingeschoven en deze inschuiving werd aan elke zijde verstevigd met een wig of spie, die er onderaan ingeslagen werd. Bovenaan kwam een verlengstuk op die stam voor de kruistitel. Op de plaats van de voeten werd een blokje bevestigd om erop te staan. Terwijl Pilatus het onrechtvaardig vonnis uitsprak, gaf Klaudia Prokla, zijn vrouw, hem het onderpand terugzond zich van Hem gescheiden verklaarde.
Ik zag ook hoe zij reeds die zelfde avond uit het paleis wegvluchtte naar de vrienden van Jezus en een schuilplaats kreeg in een overwelfde kelder van het huis van Lazarus te Jeruzalem. Nu werd Jezus andermaal door de schandelijke boeven geheel ontkleed. Zij rukten de rode, wollen spotmantel van zijn doorwond lichaam, zodat daardoor menige wond opnieuw geopend werd. Hijzelf omgordde zich nu bevend met zijn lendendoek en daarna wierpen zij Hem zijn wollen schouderkleed om de hals. Maar omdat zijn hoofd met de brede doornenkroon niet door de halsopening kon van zijn naadloos, bruin kleed, die zijn Moeder voor Hem gemaakt had, rukten zij de kroon van zijn hoofd, waarvan alle wonden met onbeschrijfelijke pijn opnieuw begonnen te bloeden. Daarna deden zij Hem nog zijn wijd wit wollen bovenkleed (tuniek) aandoen.
Zij wonden nog om zijn middel zijn brede gordel en hingen Hem ten laatste zijn mantel om. Dan eindelijk bonden zij Hem nog de gordelboei om, die voorzien was van ijzeren punten en van 4 touwen, waaraan zij Hem voortleidden. Zij gingen hierbij verschrikkelijk ruw te werk en hielden niet op Hem te stoten en te slaan. De beide moordenaars stonden met geboeide handen aan weerskanten van Jezus en hadden, evenals Hij toen Hij voor het gerecht stond, een ketting om de hals. Allen maakten zich gereed voor die allertreurigste en gruwelijkste optocht. Het goddeloze vonnis werd om 10 uur in de voormiddag uitgesproken.
Jezus draagt zijn kruis naar Golgota
De beulen brachten Jezus midden op het forum. Verscheidene slaven kwamen door de westelijke forumpoort met de kruisbalken van Jezus en lieten de last vóór zijn voeten kletsend op de grond neervallen. Als het kruis daar op de grond vóór Jezus neerlag, wierp Hij zich daarnaast op de knieën, omhelsde het met de armen en kuste het driemaal, terwijl Hij zacht en stil tot zijn hemelse Vader een dankgebed richtte voor de Verlossing van het mensdom, die nu voltrokken ging worden. De beulen rukten Jezus in rechtop knielende houding en Hij moest met de grootste inspanning en met karige hulp, die Hem onder mishandeling geboden werd, de zware kruisbalk op zijn rechterschouder nemen en met zijn rechterarm omvatten.
Ik zag onzichtbare engelen Hem daarbij helpen, anders zou Hij dat gewicht onmogelijk op zijn schouders gekregen hebben. Nu lag Hij daar geknield, gebogen onder zijn last. Daarna rukten zij met geweld Jezus rechtop en nu woog op zijn schouders de hele last van het zware kruis. Hierop kwam de stoet in beweging. Men had 2 koorden aan het achtereinde van het kruishout gebonden en 2 gerechtsdienaren hieven het daarmee van de grond op, zodat het hing en niet over de grond sleepte. Vier andere beulen, op een groter afstand rond Jezus, hielden de koorden vast van zijn gordelboei, die weer om zijn middel gelegd was.
Zijn mantel was samengepakt en zo om zijn bovenlijf gebonden. De bazuin van Pilatus gaf nu het teken voor het vertrek van de stoet, omdat hij aan het hoofd van een afdeling soldaten wilde oprukken om mogelijke onlusten in de stad te voorkomen. Hij was in wapenrusting en reed te paard en was omgeven door officieren en een troep ruiters; hierop volgde een afdeling van ongeveer 300 man te voet.
Eerst kwam de kruisigingsstoet:

zwart: een bazuinblazer, die op alle straathoeken op zijn bazuin blies en het vonnis afkondigde.
grijs: een troep boeven en ander gespuis met de dranken, touwen, spijkers en wiggen en ook korven, waarin zich allerhande werktuigen bevonden. Sterkere kerels droegen staken, ladders en de middenstammen van de kruisen der 2 moordenaars.
donderblauw: Farizeeën te paard
oranje: een jongen met op zijn borst de kruistitel die Pilatus had geschreven en op een stok, die hij op de schouders hield, de doornenkroon. Later werd Jezus deze weer opgezet.
donkerrood: Romeinse soldaten met lansen
blauw: 2 beulen vóór Jezus, 4 beulen erachter. Ze trokken en zo was zijn gang geheel onvast en telkens opnieuw verhinderden de rukkende touwen Hem zijn kleed voor zijn schreden op te nemen.
paars: Onze Heer en Verlosser, gebogen en wankelend onder de zware last van het kruishout. Hij kon op zijn naakte, gekneusde voeten slechts met de grootste moeite, langzaam en doorzakkend vooruitkomen. Met zijn rechterarm omvatte Hij de zware kruislast op zijn rechterschouder, terwijl Hij met zijn linkerhand zijn lang kleed, dat zijn onzekere schreden belemmerde. Zijn handen waren gewond en gezwollen. Zijn gelaat was bebloed, vol builen en gezwollen plekken; zijn hoofdhaar en zijn baard waren verward en samengeplakt van het bloed. De last van zijn kruis en zijn boeien drukten zijn zware, witwollen kleding tegen zijn gewond lichaam en de wol plakte vast op vele plaatsen, waar de wonden opnieuw opengereten waren. Niettegenstaande al dat ziels- en lichaamslijden beminde Hij zijn vijanden. Hij bad, zijn blik smeekte, vergaf en getuigde van zijn lijden.
groen: De beide moordenaars
blauw: Elk met 2 beulen die bij de koorden aan hun gordelboei werden geleid. Zij droegen de gebogen, van de stam gescheiden dwarsbalken van hun kruis op hun nek. Hun opengespannen armen waren op de beide uiteinden vastgebonden. De goede moordenaar was zeer stil; de andere onbeschaamd, brutaal en verwoed: hij lasterde en vloekte. De stoet van Pilatus:

zwart: een trompetblazer te paard.
grijs: Pilatus te paard in krijgsuitrusting tussen zijn officieren
rood: een groep ruiters
donderblauw: 300 man infanterie.
Het grootste deel van die ontelbare volksmenigte had zich reeds terstond na Jezus’ veroordeling verspreid; de meeste Joden waren naar hun woning teruggekeerd of hadden zich naar de tempel begeven. Toch bleef daar nog een zeer talrijke menigte mensen over, een mengsel van vreemdelingen, slaven, ambachtslieden, straatjongens, vrouwen en allerlei gepeupel, die langs zijstraten en omwegen vooruitliepen naar hoeken en open plaatsen om daar de stoet nogmaals voorbij te zien trekken. Jezus kreeg het erg te verduren. Uit vensters en openingen in de muren hoonde Hem menig slecht mens, terwijl slaven die daar hun werk verrichtten, slijk en keukenafval naar Hem wierpen. Schurken begoten Hem met spoelwater en gier en zelfs kinderen, opgestookt, verzamelden stenen in de schoot van hun rokjes en uit de huizen door de stoet dringend, schudden zij ze Hem voor de voeten op de weg met woorden van versmading en verwensing.
1e val van Jezus onder het kruis.
De stoet kwam door een nauwe straat. En daar waren overstapstenen. Wanneer het geregend heeft, stonden de straten van Jeruzalem dikwijls vol water en modder staat, en vele straten waren op plaatsen ongelijk, en was er een grote overstapsteen om de straat droogvoets te kunnen oversteken. Toen Jezus met de zware last van zijn kruis daar aankwam, begaf Hem de kracht om verder te gaan en toch trokken en duwden zij Hem onbarmhartig, zodat Jezus over de uitspringende steen in zijn volle lengte plat ter aarde viel en de kruisvracht van zijn schouders naast Hem neer gleed. Zijn drijvers vloekten, rukten, sloegen en schopten Hem. Er ontstond een opstopping in de stoet en een gedrang rond Jezus.
Tevergeefs strekte Hij de hand uit of iemand Hem wou helpen: “Ach! het is weldra voorbij”, zuchtte Hij, en bad, doch de Farizeeën schreeuwden: “Op! drijft Hem op, anders sterft Hij nog in onze handen!” Met bovennatuurlijke hulp hief Jezus het hoofd weer op en de helse beulen, in plaats van zijn lijden te verlichten, zetten Hem hier de doornenkroon weer op. Na Hem onder mishandeling van de grond te hebben opgericht, legden zij het kruis opnieuw op zijn schouder en nu was Hij genoodzaakt zijn gefolterd, met doornen gekroond hoofd met vermeerdering van pijn naar de ene zijde gebogen te houden om de kruisboom onder de brede kroon op de andere zijde te kunnen dragen. Zo liep Hij nu strompelend met vermeerderde pijn verder.
Jezus ontmoet zijn Moeder – 2e val.
Men hoorde het geraas en geschreeuw van de naderende stoet over de huizen heen, het bazuingeschal en de stem van de omroeper, die op de hoeken bekend maakte dat iemand naar de kruisdood geleid werd. De bedroefde Moeder van God zag bleek, had roodgeschreide ogen, sidderde en beefde en was gehuld in een blauwachtig grauwe mantel. De Moeder van Jezus deelde naar de geest in al het lijden van haar Zoon. Maria bad en zei tot Joannes: “Wat zal ik doen? Moet ik getuige zijn van dat schouwspel of wil ik mij verwijderen? Zal ik de schok overleven?” Joannes antwoordde haar: “Indien u nu hier niet blijft, zult u er later misschien veel spijt over hebben.”
De stoet kwam steeds nader. Hier liep geen volk de stoet vooruit; ter zijde echter en erachter liepen enige groepen straatvolk. Bij het zien naderen van die vele beulsknechten met de talrijke, wrede marteltuigen in triomfantelijke, uitdagende houding, begon de Moeder van Jezus te beven, te kermen en zich de handen te wringen. Een van de boeven vroeg aan de mensen die aan de kant meeliepen met de stoet: “Welk een vrouw is dat, die daar zulk een spektakel maakt?” En een van de meelopers antwoordde: “Het is zijn Moeder, de Moeder van die Galileeër!” Dit vernemend overlaadden die schurken de jammerende Moeder van Jezus met beschimpingen. Zij wezen haar elkaar aan met de vinger en een van die ellendelingen pakte de kruisnagelen in zijn vuist en hield ze met spottend hoongelach vóór haar aangezicht.
Maria echter, door medelijden overweldigd, zag niets dan Jezus, en leunde, geheel van smart verbrijzeld tegen een poort om niet te bezwijken. Zij was lijkbleek en haar lippen waren blauw. De beulen trokken haar liefste Zoon aan koorden vooruit. Zijn gezicht was bleek, bebloed en mismaakt; zijn baard kleefde spits in elkaar van het bloed. Hij wierp met zijn ingevallen, bloedbedropen ogen van onder de brede, wrede doornenkroon een blik vol medelijden en smarten op zijn Moeder, maar struikelde en viel de tweede keer onder zijn kruis op handen en knieën. De minnende Moeder zag in de hevigheid van haar liefde en smart niets en niemand meer, maar alleen haar innig geliefde, haar ellendig mishandelde Zoon. Haar handen wringend van smart legde zij, vooruit stormend, tussen de beulen tot bij haar Jezus en dan zonk zij bij Hem neer op haar knie, Hem omhelzend.
Ik hoorde de woorden ‘Mijn Zoon’ en ‘Moeder’. Maar nu ontstond een verward gedrang. Joannes en de vrouwen wilden Maria terugleiden; de gerechtsdienaren beschimpten en belasterden haar en een van hen zei: “Vrouw, wat wilt u hier? Had u Hem beter opgevoed, dan was Hij nu niet in onze handen!” Meerdere soldaten dreven Maria achteruit, maar geen van de beulen raakte haar aan. Joannes en de H. Vrouwen leidden haar weg en gekomen bij de poort, zonk Maria op haar knieën, en steunde met haar handen, tegen de muur. Op de steen waar haar knieën hem aangeraakt hadden, bleven er ondiepe indrukken. Hetzelfde deed zich voor waar haar handen tegen geleund hadden. De beulen hadden Onze Heer ondertussen weer overeind gerukt en het kruis anders op zijn schouder gelegd.
Simon van Cyrene – 3e val van Jezus
De stoet kwam door een boogpoort van een oude binnenmuur van de stad. Hier moest Jezus nogmaals over een grote steen stappen. Hij struikelde, zonk neer en het kruis viel naast Hem op de grond. Hij lag daar geheel machteloos plat ter aarde en bezat de kracht niet meer om op te staan. Nu kwamen daar enige voornaam geklede personen voorbij, die naar de tempel gingen; door medelijden met Jezus bewogen zeiden zij: “Ach! de sukkelaar sterft!” Weer ontstond er geharrewar; zij slaagden er niet in Jezus op de been te brengen en de Farizeeën zeiden tot de soldaten: “Wij krijgen Hem niet levend op de strafplaats. Zoek iemand die Hem het kruis helpt dragen."
Juist daalde daar een heiden af; Simon van Cyrene, die van zijn 3 zonen vergezeld was. Hij was een tuinier en kwam van zijn werk uit de tuinen nabij de westelijke stadsmuur. Jaarlijks kwam hij met vrouw en kinderen kort vóór het paasfeest naar Jeruzalem om, evenals soortgelijke tuinarbeiders, hier en daar bij de burgers de heggen te snoeien. Hij kon zich door het gedrang niet uit de voeten maken, en omdat de soldaten aan zijn kleding zagen dat hij een heiden en een eenvoudig dagloner was, grepen zij hem vast, trokken hem erbij en dwongen hem de Galileeër het kruis te helpen dragen. Eerst bood hij weerstand, protesteerde met afkeer tegen hun dwang, maar kon er zich toch niet aan onttrekken.
Zijn kinderen weenden en huilden, maar enige vrouwen, die de man kenden, namen ze met zich mee. Simon ondervond aanvankelijk een grote afkeer en tegenzin. De arme Jezus zag er zo schrikwekkend ontdaan en ellendig uit. Zijn klederen waren reeds weer geheel met slijk bedekt. Hij weende en zag Simon met een erbarmende, indrukwekkende blik aan. Simon moest Jezus van de grond helpen opstaan. Hierop bonden de beulen de ene kruisarm meer naar achteren en hechtten die met een touw op Simons schouders vast. Simon volgde Jezus dicht op de voet en nu drukte de kruislast minder zwaar op Hem alleen.
Zij trokken ook de doornenkroon weer anders en zo geraakte de treurige stoet weer in gang. Simon was een sterke man van veertig jaren; hij ging blootsvoets en droeg om het bovenlijf een kort schouderkleed, korte rok met lappen (zoals Egyptenaren). Het duurde niet lang of Simon kwam diep onder de indruk en werd heilzaam ontroerd.
Veronika met de zweetdoek
De stoet sloeg nu een lange straat in. Vele lieden, op hun best gekleed, trokken uit alle richtingen tempelwaarts. Bij het zien van Jezus gingen velen uit een farizese vrees voor ontreiniging uit de weg; anderen daarentegen betuigden enig medelijden. Na verder te zijn gegaan kwam een grote vrouw van aanzien met een meisje uit een prachtig huis. Met een doek over haar schouders en gesluierd kwam ze op de stoet af. Deze vrouw was Serafia, de echtgenote van Sirach, een lid van de tempelraad. Naar aanleiding van haar daad kreeg zij later de naam Veronika (van ‘vera ikoon’, d.i. ‘Ware afbeelding’). Thuis had zij een kostbare, gekruide wijn bereid met het heilig verlangen de Heer op zijn kruisweg daarmee te verkwikken. Het meisje was ongeveer 9 jaar en had haar pleegkind aangenomen.
Het meisje hield onder een doek een kan of kruikje wijn verborgen en stond naast Serafia. Zij die voorop gingen probeerden tevergeefs haar terug te drijven; maar zij was buiten zichzelf van liefde en medelijden en drong met het kind dat zich aan haar kleed vasthield, door het gepeupel en dwars tussen de soldaten en gerechtsdienaren en kwam midden op de weg bij Jezus. Nu viel zij op haar knieën en hief haar doek open gespreid naar Hem omhoog, terwijl zij deze smeekbede tot Hem richtte: “Laat toe dat ik het gelaat van mijn Heer en Meester afdroog!” Jezus nam de doek vast en drukte het met de open vlakke hand tegen zijn bebloed gezicht. Vervolgens drukte Hij de doek tussen beide handen samen en reikte hem haar tenslotte met een dankwoord terug. Veronika kuste de doek en schoof hem onder haar mantel op haar hart en stond nu op.
Nu hief het meisje bedeesd het kruikje met wijn naar de Zaligmaker omhoog, doch de soldaten en gerechtsdienaren verboden haar onder honen en schimpen die verkwikking aan de Zaligmaker over te reiken. Nauwelijks was Veronika in haar kamer teruggekeerd en had zij de zweetdoek vóór zich op de tafel uitgespreid of zij viel in bezwijming ten gronde; het kleine meisje knielde, met nog steeds het wijnkruikje in de hand, wenend naast haar neer. In deze toestand trof haar een huisvriend aan, die bij haar binnentrad. Hij vond haar bewusteloos bij de zweetdoek liggen, waarin het bebloede gezicht van Jezus verschrikkelijk en tevens wonderbaar duidelijk was ingedrukt.
4e en 5e val onder het kruis
De stoet was op een aanzienlijke afstand van de stadspoort. Vlak vóór de poort was er op de oneffen en stuk gereden weg een grote modderpoel. Simon van Cyrene zocht meer op zijde te gaan om gemakkelijker te zijn (en de waterplas te vermijden), maar hierdoor veranderde de richting van de kruisbalk op Jezus’ schouder en de arme Zaligmaker, die nu voor de 4e keer onder de kruislast bezweek, viel hard neer in de modderpoel en slechts met moeite kon Simon het kruis nog tegenhouden. Met een duidelijke, maar gebroken stem, zei Jezus: “Helaas! helaas! Jeruzalem! Hoe heb Ik u bemind als een hen die haar kuikentjes onder haar vleugels verzamelt en u stoot Mij zo wreedaardig buiten uw poorten.” De Heer was dodelijk bedroefd.
Maar de Farizeeën keerden zich naar Hem en schimpten: “Die rustverstoorder is nog niet getemd; Hij verkoopt nog nieuwe onzin!” Onder trekken en slaan sleurden zij Hem uit de poel. Simon van Cyrene werd over deze wrede behandeling van Jezus door de beulen zo verontwaardigd dat hij uitriep: “Als het niet gauw met uw wreedheden uit is, dan gooi ik het kruis op de grond, al zou ikzelf door u gedood moeten worden!” Niet ver buiten de poort van Efraïm, stond een talrijke groep van wenende en weeklagende vrouwen; het waren jonge dochters en arme vrouwen uit Jeruzalem, met kinderen en ook nog vrouwen uit Bethlehem, Hebron en andere omliggende plaatsen.
Jezus zakte als onmachtig neer. Achter de gebogen Heer liet Simon het kruis op de grond zinken, en ondersteunde Hem. De Heer leunde aan tegen zijn barmhartige helper. De vrouwen en dochters begonnen bij het zien van zijn lijden en ellende luid te huilen, te jammeren en te klagen en staken naar Joodse gewoonte linnen doeken naar Jezus uit om daarmee zijn gezicht af te drogen. De Heer wendde zich tot hen en sprak: “Dochters van Jeruzalem – waarmee Hij ook bedoelde alle bewoners uit de dochtersteden van Jeruzalem – ween niet over Mij, maar veeleer over uzelf en over uw kinderen, want zie, er zal een tijd komen, dat men zal zeggen: zalig de onvruchtbaren en de lichamen, die niet gebaard, en de borsten die geen kinderen gevoed hebben.
Dan zal men de bergen aanspreken en toeroepen “Bergen, valt toch op ons en u heuvelen, bedek ons toch! Want, als men dit doet aan het groene hout, hoe zal men dan handelen met het onvruchtbare en dorre hout!?” Hij zei verder dat hun wenen beloond zou worden en dat zij voortaan andere wegen moesten bewandelen. Dit gebeurde in een rustpoos, want het vooraan lopende gespuis dat de foltertuigen droeg, besteeg nu reeds de Kalvarieheuvel en achteraan kwamen nog ongeveer honderd man Romeins voetvolk uit het gevolg van Pilatus.
Jezus op Golgota – 6e en 7e val
De stoet zette zich daarna weer in beweging. Met zijn zware kruislast werd Jezus door de beulen onder slaan en rukken vooruit gedreven op het lastige ruwe pad, hetwelk tussen de stadsmuur en de Kalvarieheuvel noordwaarts opstijgt. Daar deed de arme Jezus een zwaar verwondende 6e val onder het kruis. Men mishandelde Hem ruwer en wreder dan ooit, totdat Hij eindelijk boven op de rotsige executieplaats aankwam en daar met zijn kruis voor de 7e maal viel. Simon van Cyrene voelde een diep medelijden. Vol verontwaardiging en droefheid wilde hij de arme Jezus helpen opstaan, maar met schimp en een schop joegen de beulen hem weer naar beneden. Hij heeft zich kort daarop bij de leerlingen van Jezus aangesloten. Ook alle overbodige boeven en handlangers, die tot hier waren meegelopen en hier nu niets meer te doen hadden, werden teruggezonden.
De bereden Farizeeën waren aan de westkant van de Kalvarieheuvel naar boven gereden. Hier op de heuvel kon men juist over de stadsmuur heen zien. De Farizeeën te paard bleven staan aan de westkant vóór de aarden-wal-kring. Een honderdtal Romeinse soldaten, afkomstig van het Zwitserse grensgebied, maakten deel uit van de wacht. Een grote menigte, overwegend gemeenvolk, vreemdelingen, knechten, slaven, heidenen en vele vrouwen, allemaal lieden, die voor verontreiniging niet op hun hoede hoefden te zijn, stonden gedeeltelijk rondom de aarden wal en deels op de omliggende heuvels. Hun getal groeide ieder ogenblik aan met mensen, die, naar de stad gaande, in het voorbijgaan benieuwd kwamen toezien.
Voorbereiding voor de kruisiging
Het was ongeveer 11.45u, toen Jezus, binnen de ringwal gesleurd werd, op de strafplaats aankwam. Ze snoerden de kruisbalken los en uit elkaar en legden ze voorlopig in kruisvorm tezamen. Hoe ellendig stond de arme Jezus daar op de folterplaats, zo diep bedroefd, bloedig verscheurd, bleek, vol wonden als een schrikwekkend beeld. Zij wierpen Hem op de grond neer onder nieuwe beledigingen, zoals deze: “Koning der Joden, wij moeten de maat eens nemen van uw troon!” Maar Jezus legde zich bereidwillig op het kruis neer. Daarna strekten zij Hem op het kruis uit en tekenden zijn lengte aan op de plaats van zijn handen en voeten, terwijl de Farizeeën hun spotlust botvierden. Vervolgens rukten zij Hem weer recht en brachten Hem geboeid iets verder de Kalvarieberg af, naar een in de rots gehouwen holte, die op een kelder of regenput geleek.
Zij hieven de deur omhoog en duwden Hem vervolgens onbarmhartig naar beneden. Engelen verleenden Hem steun, opdat Hij zijn knieën niet zou breken. Hij klaagde en kermde hartverscheurend. Zij sloten de deur boven Hem en lieten wachters bij Hem achter. Nu begonnen de gerechtsdienaren met de voorbereiding voor de kruisiging. Na van de verschillende kruisen de maat van het ondereinde van de stam genomen te hebben, groeven en metselden zij de kuilen, waarin men ze oprichten zou.














