Verkiezingen


Verkiezingen

waar is den tijd?

Hello evrybody,
Ja waar is den tijd???
Awel achter ons zeker!!
Hoewel er ook nog nen tijd voor ons ligt,maar dat we daar ni just den exacte tijd van kennen!!
Ja waar is den tijd dat ik nen tutter in mijne mond stak om na te denken!!
Waar is dienen tijd dat mijn moeke mijn boterhammen smeerde,en waar ze mijn schoenen dicht deed!
Waar is den tijd dat ik een paar lappen op mijn kop kreeg om mij op het rechte pad te houden??
Waar is den tijd dat ik dienen eersten dag zo goed geleerd had in t'school!
Waar is dienen tijd dat ik achter mijne bompa in t'café moest,en dat ik telkens een stuk chocolat kreeg!
Waar is diene tijd dat ik als misdienaar bijna heilig verklaard werd??
Ja waar zijn al die tijden naartoe???
Moesten we ze op deze dag nog beleven,dan zouden we ons die vraag niet stellen hé!!!
Maar t'is omdat we dienen tijd laten gaan hebben,en hem bewust achter ons gelaten voor één of ander reden!
Misschien omdat we uit de tijd uitgegroeid zijn en ook niet anders kunnen dan hem los te laten!!
Ja ge kunt toch niet tot uw 25 de borst nemen hé!!
-Euh......hoewel da nu just een slecht voorbeeld is
)))))
Ik bedoel dat ge niet tot uw 25 met nen tutter kunt rondlopen om na te denken hé!
Er zijn momenten die ons verlaten,en dan als nostalgie achterblijven.
Maar als we ons de vraag stellen,is het dat we er nog aan terugdenken!
Vaak hebben we het over die mooie tijd van toen!
Wel ik kan deze mensen maar bijtreden,want ik vond dat ook een fantastische tijd!!
Ik zie mijn kousen nog roken tegen de leuvense stoof!
Ik zie nog dienen boer achter mij zitten omdat ik aan zijn pruimen zat,terwijl we thuis zelf nen boom staan hadden.
Ik zie mijn grootmoeder nog aan haar naaimachien zitten om weer een gat in mijn broek te stoppen.
Toen ik bij tante Marie ging,moest ik altijd iets doen om te lachen,en dan kreeg ik ne cent om mij nen boek van Jommeke te gaan kopen!
Ik zie mij nog zitten op de pikdorser om wa in de weg te lopen van die da serieus aan het werk waren!
Ik zie......ik zie........
Ik zie niks meer,want ik ben verplicht met een traan achter mij te kijken naar zaken die nooit meer terugkomen!!!!!
Groetjes chauffeurke
de kappeletjes van Lierde

Hello evrybody
Toen ik de eerste keer met mijne vélo tegen ne boom was gereden hier in de gemeente, was het mij opgevallen dat er daar een klein kapelletje tegen hing.
Ik lag aan de voet van de boom tussen het oud ijzer van mijne fiets, terwijl een Mariabeeld op mij neerkeek.
Ge staat er als jonge snotter niet bij stil, hoeveel geloof er boven uwe kop hangt.
Maar als ge daar als kleine gast vol met builen en blauw plekken ligt, zijt ge content van gezelschap te hebben om niet direct te beginnen bleiten.
Heiligen beelden, stonden op uitkijk in een mooi geschilderd kapelletje die ze tegen een boom gehangen hadden, maar ook in nissen in één of andere muur van huis of boerderij.
Regelmatig werden ze versierd met een bloem of een palm takje.
Sommige nissen hadden beelden als bewoners, en anderen dan weer een muurschildering.
Maar men had ook de grotere kapellen, waar er stoelen instonden .
Sommigen hadden vooraan een klein altaar en in vroegere tijden werd er “ gebeevoard”.
Als kleine snotter vond ik zo’n kapel iets mysterieus.
We gingen er alleen binnen, als ook pa en ma er binnen gingen.
Soms waren de deuren van de kapel gesloten, en uit nieuwsgierigheid gingen we op onze tippen staan om door het kleine venster naar binnen te gluren.
Het was er stil, en het heiligenbeeld leek je wel aan te kijken.
Telkens we in of rond een kapelletje kwamen, leek het stil te worden.
In sommige kapellen hoorden we zelfs de vlammen op het ritme van het sissend kaarsvet dansen.
Geknield of zittend in gebedshouding genoten we van de rust.
De kapellen lagen er proper en versierd bij.
Het was nog de tijd waar men het geloof onderhield.
Vandaag zijn de poetsengelen verdwenen, en kapelletjes hangen scheef aan hun boom.
Sommige van de grotere modellen zijn nog onderhouden, zoals in Hemelveerdegem, Gemeldorp, St-Martens-Lierde.
Maar anderen staan dan weer op invallen.
De nissen zijn overwoekerd, en het onkruid sluipt tot aan de voet van het heiligenbeeld.
De kaarsen zijn gedoofd, en het is een mirakel dat sommige beelden nog blijven rechtstaan in plaatsen die op instorten staan.
De muurschilderingen pelden af, en het eens zo heilig tafereel lag als schilfers op de grond.
Daar waar de kapel vroeger de gids op onze weg was, moet men nu al eens zoeken.
Maar af en toe kom ik er op mijn weg nog eentje tegen.
Ik moet vandaag niet meer van mijne vélo vallen om er even bij stil te staan.
En hoewel ze vaak in vervallen staat zijn, geniet ik van de tijd die ze overbrugd hebben.
Even stilstaan, en kijken naar de erosie die de tijd heeft nagelaten als aandenken.
De voegen zijn uitgesleten, de verf afgeschilderd en ruiten gebroken.
Maar sommige heiligenbeelden staan er nog maagdelijk bij.
De tijd tikt verder, en het geloof brokkelt verder af.
We mogen niet blijven stilstaan bij het verleden, maar we kunnen het wel in ere houden.
Ik las onlangs, dat Lierde in voorbije eeuwen een arm volk was.
De mensen gingen al bedelen door de straat, en met het geloof zijn hier ook de eerste scholen opgedoken.
Ja, door de weelde en de rijkdom schijnen we het verleden wel te vergeten.
Maar wie weet bouwde één van onze voorouders wel mee aan één of ander kapelletje.
Wie weet, bouwden ze wel aan dat geloof waar ze hun aan vasthielden in moeilijke tijden.
Wie weet gingen ze wel op bedevaart, of stapten ze in processies uit dank.
Het is een verleden uit boeken en horen vertellen.
En vandaag houden de laatste gebinten kranig stand om het Mariabeeld te vrijwaren.
Maar wat zal er morgen staan?
Hopelijk zien we vroeg of laat terug een fietser onder nen boom liggen.
Een fietser die de kapelletjesroute aan het rijden is.
Ja, waarom niet?
Het zou een prachtig parcours zijn, ook voor niet gelovigen.
Op het blinkend ros door het verleden fietsen.
De zweetdruppels als wijwater over het voorhoofd laten druppelen.
Ik weet dat in elke tekst, veel fantasie te vinden is.
Maar als je ooit op wandel gaat door onze gemeente, kijk dan goed in het rond, en je zal verstelt staan hoeveel realiteit er in de vorm van een kapelletje te vinden is.
Groetjes chauffeurke
Groot worden was niet gemakkelijk

Hello evrybody
Ne mens denkt soms dat het maar juist de grote mensen zijn die problemen rond hunne kop hebben, en dat de kleine snotters er juist bij lopen om een beetje in de weg te lopen tijdens hunne groei.
Awel, ik kan u vertellen dat ik vroeger alle dagen wreed in ’t zweet stond van wat ik allemaal moest doen.
Mijn grootvader werkte in de schrijnwerkerij, en deze lag dan weer op de boerderij van tante Amandine.
“Te Roelses” noemden ze dat.
De schrijnwerkerij lag op zo’n 400m van ons huis, en telkens er iets moest gedragen of gezegd worden, was het aan mij om bode te spelen.
Amai mijn voeten!
-Chauffeurke draag ne keer den bompa zijn trippen die hij bij zijnen boterham vergeten is.
-Ja maraine (Dat was de naam die ik aan mijn meter gaf)
-Chauffeurke ga ne keer achter ne nagel.
-Ja maraine
-Chauffeurke ga ne keer achter botermelk te Nuzes.
Chauffeurke dit en chauffeurke dat, ’t was precies of ik hier aan het trainen was voor den Deftingse marathon ppffffffff.
Die botermelk was zo lekker, dat ik onderweg al de helft van dat zinken kanneken had uitgedronken.
Toen ze dat deksel naar omhoog tilden, zagen ze dat er al de helft uit was, en kon ik direct terug.
Ondertussen waren ze thuis aan het koken en aan het kuisen, en was het voor ons ten strengste verboden van binnen te spelen.
Ja, de playstation was nog niet uitgevonden, en er waren nog niet zoveel posten op tv hé.
Dus moesten we buiten spelen, zonder ons vuil te maken!
Awel dat moet ge ne keer proberen zie.
Het was daarom dat ze ons meestal in korte broek lieten rondlopen, zo konden we die broekspijpen al niet vuil maken hé.
Maar het was vooral, omdat we maar één keer in de week in bad gingen.
Dat kwam mij in feite goed uit, want ik had in dienen tijd nog niet leren zwemmen, en ik had wreed schrik van water.
Het was meestal de vrijdag dat we in bad gingen.
Ja, dan was het werk van de week gedaan, en stond het weekend voor de deur hé.
Elk op toer kropen we dan in een zinken kuip, in volgorde van de hiërarchie van de familie.
Ne ketel warm water in de zinken badkuip, en het wassen kon beginnen. Jawadde, omdat ik de jongste van de familie was,kon ik als laatste in dat bad kruipen.
En omdat de rest van de familie het zware en vuile werk deed, die kunt ge u al inbeelden in wat voor water ik daar nen duik moest nemen.
Hoe meer er tijdens de week gewerkt was in de familie, hoe vuiler ik uit dat bad kwam.
Om nog maar te zwijgen van de reglementen die er daar allemaal aan te pas kwamen om juist mijne neus te wassen.
-Chauffeurke haast u wat, dat het water niet koud is.
Ja, dat zeiden ze omdat ze met dat water ook nog ons pleintje moesten schuren.
Ja ja, er ging niks verloren.
-Chauffeurke vergeet uw oren niet te wassen, en uw voeten en uwe rug en onder uw armen en……..en……..
Amai mijn voete, ik wist zelfs niet dat er zoveel stukken aan mijn lijf hingen die konden gewassen worden.
Op vrijdag werd ook de visdag nog in ere gehouden.
Meestal geen vlees op tafel, maar een ei met tutjespap.
Of een stuk vis, waar ik achter ne graat zocht om hem niet te moeten opeten.
De zondag gingen we naar de mis, en na de mis gingen we naar huis, terwijl mijnen bompa nog even in het café binnen moest om over zaken te klappen.
Maar het waren vaak ingewikkelde zaken, want rond de middag stuurde mijn maraine mij naar het café om hem te gaan halen voor het eten.
Dat vond ik altijd plezant, want ik mocht dan van die groene limonade drinken.
In feite kreeg ik van mijnen bompa alles.
Als er al eens een ander familielid aanwezig was, dan was het meestal:
-Chauffeurke ge moet niet staan bedelen, dat is niet schoon.
En dat terwijl ik nog niks gevraagd had.
Maar bij mijnen bompa kreeg ik alles wat ik wou.
Hij kwam dan dikwijls het café buiten met zijn donker kostuum dat een beetje spande rond zijnen buik.
En ik kwam buiten met nen dikke buik van die groen limonade, en van de zes droge saucissen die ik in mijn kas geslagen had.
Om nog maar te zwijgen van al die stukken chocolat die ik meegekregen had van de mannen die thuis niet wilden laten zien hoeveel tournees er daar gegeven waren.
Ja, het was een periode waar de kinderen nog buiten speelden.
Er waren ook minder auto’s, en de fiets was het vervoermiddel in die tijd.
Daarom dat er zoveel goeie coureurs in de streek waren.
Hoewel deze dan waarschijnlijk niet zo katholiek zullen geweest zijn dan ik.
Ja, als ik met de fiets vertrok en mijn tante Amandine was juist op bezoek, dan gaf zij mij den uitleg hoe ik moest rijden
En vooral, dat ik ne weesgegroet moest lezen als ik voorbij een kapelletje reed.
Ja, vroeger kreeg je niet voor niets hé.
Potverdekke, ik was nog maar 400m ver als er daar al een kapelletje was.
En 500m verder kon ik terug afstappen voor ne weesgegroet.
Jawadde, toen ik met mijne vélo terug thuis was begon ik te twijfelen of ik nu coureur of pastoor zou worden.
Ja, om de zoveel meter stond er wel ergens een kapelletje verscholen hé.
In feite waren we in die tijd ook dikwijls aan het zagen, hoewel het dan wel om andere dingen ging.
Maar nu ik achter mij kijk zou ik willen beginnen zagen achter de tijd van toen.
Mijn grootouders waren mijn helden, en deze zijn verdwenen.
Maar blijkbaar hebben ze ook de tijd van vroeger meegenomen, want deze mis ik nu ook.
Groetjes chauffeurke
Terug naar school
Hello evrybody,
Tussen kaf en koren
Hello evrybody,
Deftinge

Lierde
Ode aan priester André

Een priester komt, een mens gaat.
Het was in den tijd dat ik als jonge snotter niet veel te zeggen had.
We gingen naar de kerk omdat het moest, en omdat het paste in onze katholieke opvoeding.
Alles was schoon georganiseerd, de vrouwen links, en de mannen rechts in de kerk.
Als kleine snotter had ge niet veel te kiezen waar ge ging zitten.
De persoon die het langst je hand vasthield bij het binnenlopen van de kerk, daar ging je naast zitten.
Het was vooral stilzitten en zwijgen.
Niet teveel hoesten of niezen, je moest zo onopvallend mogelijk blijven zitten dat je onopgemerkt de mis kon bijwonen.
Het was maar bij de uitgang dat iedereen ging groeten om toch te tonen dat we aanwezig waren in het huis van God.
Het was in die tijd een eer van een kerkelijke titel te dragen.
Misschien had je wel een priester in de familie, en was het aangewezen om vooraan in de kerk te zitten.
Of je had een tante nonneke of ne nonkel pater in de Kongo.
Of misschien woonde een deel van je familie wel in een klooster of een abdij.
Bij ons waren er niet teveel met kerkelijke titels, en dus werd er direct naar mij gekeken om als jongste van de familie toch nog mijn bijdrage te leveren.
Ik ging naar de St-Denijsschool in Vorst, en daar wisten ze aan mijn moeder te zeggen dat ze misdienaars tekort hadden in de St-Denijskerk en in de St-Antoniuskerk.
Ja, dat konden we niet refuseren hé.
Drie jaar vond ik een heilig onderdak als misdienaar in die twee kerken.
Ik was gekleed van de firma, en mocht achter het altaar zitten in een lang wit kleed.
Dat was de periode dat ik in het Brusselse woonde.
Maar in Deftinge hadden ze mij daar ook eens liggen omdat ik er zo heilig uitzag.
Er was ooit een inhuldiging van een pastoor, en toen ging er nog een processie uit.
Ik kreeg twee vleugels op mijne rug geplakt, om er nog heiliger uit te zien dan dat ik al was.
Het verwelkomen van een priester was een hele ceremonie, het was in feite één groot feest.
Maar de jaren gingen voorbij, en in Brussel werd er minder en minder naar de kerk gegaan.
Toen ik vijf jaar geleden terug naar Deftinge kwam, was het ook niet in mij opgekomen van naar de kerk te gaan.
Ik ging er wel voor trouwfeesten en begrafenissen, maar dat was ook al.
En toch hebben kerken en kapellen mij steeds aangetrokken.
Ook op de kerkhoven was ik een regelmatige bezoeker.
Het was een plaats waar men tot rust kon komen.
De stilte vond afwisseling tussen de warmte van het hout en de kilte van marmer.
Maar, daar waar vroeger de deur van het huis God’s steeds open stond, sta ik nu vaak voor een gesloten deur als er geen misviering is.
De pastoor droeg zijn titel, en als gewone man in de straat ging je hem begroeten met een waardige knik van het hoofd, en vaak niet meer dan de woorden “dag meneer pastoor”.
Enige tijd geleden stond ik met vrienden te praten, toen een man met een brilletje ons kwam begroeten.
In jeans en sweater leek hij de mensen te kennen.
Iedereen leek ook hem te kennen aan de begroeting te zien.
Ja, curieus als ik was vroeg ik aan één van de vrienden wie hij was.
-Dat is de pastoor chauffeurke.
-Oei….serieus?
Ik wist niet goed wat zeggen, want in den tijd gingen we tot bij de pastoor met een zending, en dat was dan de enige keer dat hij ook aan huis kwam om de zegen te geven en nen druppel te drinken.
Plots keek hij in mijn richting:
-En wie ben jij?
-Euh….ik ben chauffeurke.
-Ben je van Deftinge?
-Ja meneer pastoor.
-Ik ben priester.
-Euh….is er dan een verschil tussen pastoor en priester?
-Ja, de pastoor is de geestelijke aan het hoofd van een parochie, en een priester is de geestelijke die van de bisschop een priesterwijding heeft ontvangen.
-Awel ik heb weer iets bijgeleerd.
-Elke dag is er om te leren chauffeurke.
-Euh….ja dat zal wel zekerst.
Ik stond hier wat onwennig, en wou toch vertellen dat ik misdienaar geweest was om diene mens op zijn gemak te stellen.
-Euh….ik ben drie jaar misdienaar geweest meneer euh…de priester.
-Zeg maar André chauffeurke.
-Euh….zeker priester André.
-André, uw kruiske op uw vest hangt ondersteboven.
-Andréas is ook ondersteboven gekruisigd geweest hé.
Ondertussen had hij het loshangend kruisje weer recht gezet.
Amai dat was nu ne keer ne toffe mens zie.
In feite sprak hij de woorden van iedereen.
Hij wist ons door de simpele dingen zoveel te begrijpen en bij te brengen.
Het was niet preken, maar verstaanbare woorden brengen waar ieder van ons zich in herkende.
Toen hij afscheid nam, had ik gezegd dat ik wel ne keer naar de mis zou komen.
Hij knikte met een glimlach, en vertrok.
Op een dag liep ik hem terug tegen het lijf met mijn zoon.
We wilden niet storen, maar hij bleek tijd te nemen om zijn schapen te leren kennen.
We hebben gepraat, zoals we zelfs nog nooit in de familie gepraat hebben.
Over ons en over hem, over Lierde en Hamme.
Over actuele zaken en over het verleden.
Maar ook over het geloof van vroeger en nu.
Ik had op korte tijd een priester leren kennen die vriend geworden was.
Hij was niet alleen in Lierde om het woord van God te verkondigen, hij was er ook als mens.
En dat mens zijn, dat is zo voornaam de dag van tegenwoordig.
Het was niet in de mis zitten en gaan biechten achter het gordijntje al fluisteren.
Nee, ik kon vrijuit praten over mijn zonden, zonder er speciaal te moeten uitvinden zoals in de tijd waar we moesten gaan biechten, en waar ik just niks uitgestoken had op diene moment.
En hadden ze mij vroeger gevraagd wat de priester gezegd had in de kerk, dan kon ik u wel zeggen wat de persoon op de stoel voor mij had gedaan tijdens de mis, maar de tekst van de priester zelf zou verwatert zijn.
Nu ik de priester als mens heb leren kennen, hebben zijn woorden plots waarde gekregen.
Ja, hij had als mens de titel van priester gekregen, maar ik had de priester als mens ontdekt.
Ik keek er naar uit om een gesprek aan te gaan met hem, want het was leerrijk.
Ieder had zijn menig, en dat werd gerespecteerd .
Maar het was op die dag, dat ik tijdens één van onze gesprekken kreeg te horen dat hij Lierde zou verlaten.
-Ja chauffeurke, ik ga weg.
-Hoe weg….gaat ge op vakantie?
-Nee chauffeurke, ik ga terug naar mijn geboorteplaats.
-Euh….jamaar, is dat dan voor altijd, en gaat ge hier nog de mis doen en….en…..
-Er zijn verschuivingen, en ik krijg de kans om terug naar Hamme te gaan.
En ik heb die kans aangenomen.
-Jamaar, ge zijt hier nog maar van 27 oktober 2002.
Ik had goesting om te vloeken, maar de krop in mijn keel hield mij tegen.
Als volwassen mensen zit ge daar met uwe mond vol tanden, en bijna de tranen in uw ogen.
Met zijn hand op mijn schouder probeerde hij mij een troostend woord te brengen, door te zeggen dat er wel een opvolger zou komen.
Het zou iemand uit Nederland zijn, en Hollander op de koop toe.
Potverdekke, komt dat tegen!
Er was naar het schijnt al een artikel verschenen in “De Beiaard” over de nieuwe priester.
Ik haaste mij naar de krantenwinkel, en las het artikel over onze nieuwe priester.
“Maarten Pijnacker nieuwe pastoor voor Lierde”
Geboren tussen de tulpen, en sportief aangelegd.
Maar vooral de laatste zinnen van het artikel bleven me bij.
“Ik vind het heel belangrijk dat de mensen de kans krijgen mij te ontmoeten.
Ik zal naar hen toegaan en zeker niet wachten tot ze bij mij komen.”
Awel daar houden we u aan.
André is een priester zoals een priester moet zijn.
De herder voor zijn schapen.
Maar vooral de mens onder de mensen.
André,ik wil je danken voor wat je gedaan hebt, en dit in naam van alle Lierdenaren die je gaan missen.
Tot weldra André, welkom priester Maarten.
Groetjes chauffeurke
Ps
André, er zal altijd ergens een bord tutjespap voor je klaarstaan.
Natuurlijk Lierde
Hello evrybody,
Tussen Deftinge en de Brusselse rand
Hello evrybody,
Ontwaken in Deftinge
Hello evrybody,
gedroomd over de krakelingen

Hello evrybody
Het is vandaag krakelingen in Geraardsbergen.
Awel het feest is nog niet bezig of ik heb er al van gedroomd.
Ne mens kan toch wat tegen komen in zijn dromen hé.
Ik moest als druïde meelopen in diene stoet.
Toen we daar boven op de muur van Geraardsbergen stonden, werd in diene kelk een viske gesmeten om uit te drinken.
Al meer dan 900 jaar is dat hier de gewoonte.
Ik stond daar tussen de genodigden met ne sikkel in mijn hand, en wat laurierblaren achter mijn oren.
Gekleed in zo een wit kleed dat ik aan het zuidstation gekocht had.
In mijnen droom was ik nen echte druïde.
Toen het aan mijnen toer was om zo een viske te drinken, schept diene visboer daar toch wel gans vanonder met zijne pollepel zekerst!!
Da was ne vis die daar al bijna 200 jaar inzat peis ik.
Hij was zo groot als ne forel.
Diene vis lag daar half uit diene kelk met visogen naar mij te kijken.
Er liep een levertraan uit zijn ogen, en hij probeerde nog al het gebeuren van zich af te schubben.
Persoonlijk zag ik er echt geen graten in om dat beest in te slikken, maar mijn keelgat was er niet voor voorzien om ne vis van 200j naar binnen te spelen.
We stonden daar te treuzelen, en ik dacht nog dat mijnen droom visserspraat was omdat dat ook altijd overdreven is.
Maar diene vis krimpte geen vin!
Ondertussen hadden ze”tonnekken brand” al aangestoken en laaiden de vredesvuren al hoog op.
Ik begon er in mijnen droom zodanig van te zweten dat diene vis uit mijn handen schoof.
Jawadde, recht de vijver van den oudenberg in.
Dienen opperdruide had dat toch wel gezien zekerst!!
Als straf moest ik dan de komende dagen op de markt de plaats innemen van manneken pis.
Ppffffffff jawadde, ik ben wakker geworden zo nat als ik ‘k weet ni wa.
Ne mens kan toch nogal van die onnozele dromen hebben hé.
Euh…..maar als iemand naar de krakelingen moest gaan, kijk dan eens of ge geen manneken pis op de markt van Geraardsbergen ziet die op mij trekt.
En of er druïden in de stoet lopen.
En of ge in de vijver op den oudenberg geene vis ziet zwemmen.
Ja, ’t is dat ik altijd zit te twijfelen aan mijn dromen!!
Groetjes chauffeurke
Kermis
Hello evrybody,
De zending

Hello evrybody,
Vroeger werden beesten gevet en geslacht voor eigen gebruik.
Het was nog den tijd waar men niet speciaal bij den beenhouwer moest lopen, maar waar men zelf een dier had gekweekt om het te slachten.
Dat slachten gebeurde meestal op de plaats waar het dier gekweekt was.
Dat kon op een boerderij zijn, maar ook thuis.
Het kon gaan van een kieken of een konijn, maar ook koeien en varkens werden vetgemest om op het bord te belanden.
Bij mijn Tante Amandine was het een boerderij.
Een grote vierkantshoeve waar enerzijds de woning was, en aan de andere kant een schrijnwerkerij en de schuren.
In het midden van de koer was ne mestpoel of mesthoop.
De kiekens liepen er op rond, en alles wat verging werd er opgesmeten.
Van patateschillen tot een karkas van een dood kieken.
Het zou later dienen om het veld te bemesten.
Hoewel velen de neus ophalen bij een vers bemest veld, moet ik zeggen dat ik deze geur niet als stank beschouw, maar terug een beetje nostalgie opsnuif.
Een kieken of een konijn slachten hield niet veel in.
Doden, pluimen of villen en het was gebeurd.
Maar voor een varken kwam er heel wat bij kijken.
Er was ook veel meer volk op de been dan voor een kieken dat de nek werd omgewrongen.
Het varken werd in een houten kist geduwd, waar de kop uitstak.
De slachter ging op de kist staan, en met een zware hamer werd het varken naar de eeuwige cottelettevelden gebracht.
Het was een precisiewerk om het varken juist op de kop te treffen, want dat was niet altijd van de eerste keer het geval.
Als het varken dood was, werd het op stro gelegd en het stro werd in brand gestoken.
Men deed ook het varken bloeden, en dat waren de eerste stappen die telkens werden herhaald.
Het was een speciale sfeer en ook een speciale geur.
Ja, vandaag is dat niet meer denkbaar.
Men gaat nu naar het slachthuis, en zonder het te weten hoe het varken sterft ligt het enige tijd later op ons bord.
Och..... ik hoor het al zeggen, wat was het een gruwelijke tijd vroeger.
Ja, dat was de tijd van toen hé!
Hoewel ik mij soms vragen stel bij al ons modernisme.
Vandaag gaat alles via slachthuis en beenhouwer en niemand weet nog van waar het vlees komt.
We spelen dioxine kiekens binnen, en we fretten ons dik aan hormoonvarkens.
Maar allé, ze zijn dan toch proper gestorven en geslacht hé
).
Ik moet zeggen dat de beenhouwer vroeger ook zijn werk kende hoor.
Het varken werd opgehangen en gescheiden.
Er werden pensen en gekapt (gehakt) gemaakt.
Potten werden gevuld, en in de kelder stonden stenen potten met smout.
Het vlees werd gezouten, en verdeeld.
Vroeger waren er ook geen diepvriezers en de mensen moesten ergens heen met hun vlees hé.
Awel daar komen we bij de titel van het verhaal.
"De zending"
Het was een stuk vlees die vroeger bij de notabelen van het dorp werden gedragen, maar ik heb maar juist geweten dat ik het bij de pastoor moest dragen.
Ge ging dan op stap met een stuk vlees die in een schoon papierke was ingepakt, en bij de pastorij moest ge dan op zoek naar de pastoor.
Het was dan vooral als jonge snotter uwen tekst niet vergeten die ze u thuis hadden ingepeperd.
Zeggen dat het één van de beste stukken van het varken was voor mijnheer pastoor.
Vooral niet vergeten te zeggen van wie het kwam.
Dus bij ons kwam het van "te roelses".
Ja mijn grootvader noemde Roels hé.
De pastoor kwam als dank dan ne keer het huis zegenen, terwijl hij een halve fles jenever naar binnen speelde.
En de zondag in de kerk dopte hij zijne kwispel (wijwaterborstel) nog eens diep in zijnen emmer om dan in de richting van de gulle gever te zwaaien.
We zaten daar dan gelukkig dat iedereen gezien had, dat de pastoor bij ons wat meer water gebruikt had.
Het wijwater droop van mijn bomma hare permanant en ik zat 's anderdaags met een valling van al dat wijwater die van mijne rug gelopen was.
Ja, in dienen tijd waren er ook niet veel mager pastoors hé
)
Als hij van elke slachter een zending kreeg, was zijn jaar goed.
Maar niet alleen bij de pastoor werden er zendingen gedaan.
Ook bij de geburen.
Ja, deze gaven dan wel iets in de plaats hé.
Zo bracht ik een kieken te "koertes" om met een konijn terug te keren.
Ook de groenten deelden in de ruilhandel.
Ja, het was een mooie tijd.
Zo simpel als het vroeger was, zo moeilijk is het soms om ons in ons modernisme een nostalgisch beeld te vormen van vroeger.
Ik ruik niet alleen de nostalgie, maar ook de heimwee van vroeger.
Groetjes chauffeurke
De crémekar
Hello evrybody,
Deftinge en manneke maan
Hello evrybody,
Feest in 't veld
Feest in 't veld
Waar zijn paard en kar?
Hello evrybody,
De wasdraad
Waar is den tijd dat men de wasdraden zag hangen van boom tot boom.