
In de bodem van de aarde voelde een vorm van leven, dat het was.
Hoe, dat wist men niet, maar het begon te bewegen, te kronkelen en ging een richting op.
Het kwam op enig moment zelfs boven de Aarde. Voelde het warme zonlicht en riep uit: “Ik ben”! Onwetend van het ware Zijn.
Er groeide een rozenplant.
Zij groeide en groeide en vond het nodig om zich te verdedigen met scherpe stekels tegen een vijand, die nooit kwam. Toen ontstond er een knop en nog één en nog één.
Aan elke uitlopende tak kwam een knop. Toen dacht de roos nu ben ik volmaakt, want ik ben groot en sterk en sta krachtig in de grond en kan mij met mijn stekels verdedigen tegen elke vijand.
Totdat de zonnewende kwam en de dagen korter werden. De roos vroeg zich af: ”Was dat nou de bedoeling. Is de reden van mijn bestaan:” Weer weg te kwijnen naar de duisternis”.
De roos dacht en dacht en zei: ”Ik wil iets nalaten”, “Al was het maar als voorbeeld”.
Zij begon in al haar onwetende zuiverheid de mooiste bloemen te schenken aan het Licht, Onwetend van het feit hoeveel goed zij deed. Want zij verspreidde de heerlijkste geuren.
Zij was blank van vorm met een gouden hart. Zij trok daardoor de aandacht van de bijen, die haar bezochten. Zij gaven haar een ander gevoel met hun dikke wollige achterlijven.
Een gevoel, als van wedergeboorte, door haar nieuwe functie.
Haar hart gaf stuifmeel af aan de dragers van aanstaand leven.
Zoals zij ook het stuifmeel van de bijen kreeg om vrucht te dragen en zelfs dat laatste wist zij pas toen zij het ervoer. Dat zij zaden zou laten vallen en zo nieuw leven schonk, dat heeft zij tot op de dag van vandaag niet begrepen.
(Witte rozen worden in vele loges uitgereikt aan de Vrijmetselaars tijdens het Zomer St. Jan.
Het feest waar zij de zomerzonnewende herdenken als de zon haar hoogste stand heeft bereikt.)





