
ik wil met jou delen
de groene grot van de treurwilg
waarin het licht gefilterd werd
tot levende schemer
de knoest van de oude eik
waarop ik placht te rusten
mijn rug tegen zijn sterke stam
terwijl ik met de kabouters sprak
de zilverwitte schors van de berken
lang geleden in een tuin
die rank en slank hun kruinen strekten
de hand die naar de hemel reikt
de robuuste, brede zilverspar
zo donker in de winter
stralend licht uitbottend
in iedere nieuwe lente
de machtig hoge populieren
van het zwembad aan de Leie
voor het eerst bewust van tak en blad
een vorm op het water
en de vrucht dragende kersenboom
waarin ik verscholen zat
hoog boven de grond
alleen met mijzelf en de lucht