Roofvogel
Inleiding
Hoewel de roofvogels vaag in één orde (Falconiformes) worden ingedeeld. De list of recent ‘Holarctic bird species’(1977) in 3 ordes: Cathartiformes (gieren van de Nieuwe Wereld), Falconiformes (valken en caracara’s) en Accipitriformes (overige soorten). De 3 ordes omvatten ca. 290soorten, verspreid over alle werelddelen met uitzondering van Antarctica. Dat het aantal niet precies kan worden opgegeven, komt omdat men het in een aantal gevallen niet eens is of een populatie de status moet hebben van soort of slechts die van ondersoort.
De verdeling van de soorten over de wereld is niet evenredig. De leefomstandigheden in de verschillende klimaatzones zijn daarvoor te uiteenlopend. De tropen herbergen de meeste, met een min of meer gelijk verdeling tussen de savannen en de regenwouden. Hier worden, zowel broedend als overwinterend, respectievelijk circa 130 en 125 soorten, en in totaal circa 210 regelmatig broedende soorten aangetroffen. Dit getal komt overeen met circa 72% van het totaal aantal soorten. Hiertegenover staat de arctische toendra met slechts vier werkelijk aangepaste soorten en daarnaast vier andere regelmatig broedende soorten die niet bijzonder aangepast zijn aan het leven in deze koude gebieden. Dit is slechts 1.5% of nauwelijks 3% van het totaal aantal soorten als we de laatstgenoemde vier soorten meerekenen. Dit is een duidelijke weerspiegeling van het verschil in de aantallen prooidieren die deze twee gebieden te bieden hebben.
Kijken we naar de verdeling van soorten over verschillende continenten, dan blijkt er verbazingwekkende uniformiteit voor de drie grootste; Amerika, Eurazië en Afrika. In de twee eerstgenoemde broeden circa 100soorten, in Afrika bijna 90. het is lagere aantal is waarschijnlijk slechts bestaat uit tropische en subtropische klimaatzones. Het iets kleinere Australische gebied herberg minder soorten –in totaal bijna 50.
Een aantal soorten broedt in meer dan een van de genoemde geografische gebieden. De meeste roofvogels zijn uitstekende vliegers, die zonder problemen grote afstanden kunnen overbruggen. Bovendien bestaan er tussen enkele continenten landbruggen, waardoor het voor de vogels mogelijk is van het ene naar het andere te trekken.
Gezien deze omstandigheden is het wellicht nog het meest opvallend dat slechts circa 40 van de 290 soorten op meer dan één continent voorkomen en dat slechts zeer weinige –in totaal 4- erin geslaagd zijn er 3 in te nemen. Slecht 2 soorten, visarend en slechtvalk, zijn kosmopolitisch en broeden in alle vier de geografische gebieden.
De overlap in aantal soorten is het grootst tussen Afrika en Eurazië met circa 20 soorten en tussen Eurazië en Australië met ruim 10 soorten. Opmerkelijk is dat 8 soorten in zowel de Oude als de Nieuwe Wereld broeden. Naast de twee al genoemde kosmopolieten gaat het om voor ons zeer bekende soorten als havik, ruigpootbuizerd, steenarend, zeearend (groenland), blauw kiekendief, smelleken en giervalk waarvan de meeste hoog in het noorden broeden, waar de afstand tussen de twee continenten het kleinst is.
In de West –Palearctis broeden in totaal 46 roofvogelsoorten (twee echter onregelmatig), waarvan 34 uit de orde Accipitriformes en 12 uit de Falconiformes. Van de 46 soorten komen er slechts 3 uitsluitend in de West Palearctis voor: rode wouw, Balkansperwer en Eleonora’s valk. De andere hebben een grotere verspreiding.
















Statu: stabiel







Pinguïns hebben een plomp lichaam met een korte staart. De korte, vlerige poten hebben zwemvliezen tussen de tenen en zijn zo ver van achteren geplaatst dat de dieren wel rechtop moeten staan. Bij het oversteken van sneeuw of ijsvelden willen ze wel sleetje rijden op hun buik en werken ze zich met vleugels en poten vooruit. Als ze zwemmen lijkt het wel of ze onder water vliegen met hun platte, flipperachtige vleugels, ze sturen dan met hun poten. Pinguïns bezitten maar liefst drie waterafstotende, aan de top geoliede veren, een licht die door het lichaam wordt opgewarmd. De meeste pinguïns zijn zwart of grijs vanboven en wit van onderen. Op de kop en hals zijn soms nog andere kleuren en versieringen te zien
De meeste pinguïns broeden in kolonies, die uit vele duizenden paren kunnen bestaan. Het nest wordt gemaakt van gras, veren of kiezezlstenen, het vrouwtje legt er 1-2 eieren in. Bij sommige soorten gaat het vrouwtje dadelijk na het leggen naar zee om te eten, terwijl het mannetje het ei staande bebroedt door het tussen een speciale buikplooi en zijn voeten warm te houden, hij kan zo , met zijn ei, zelf wel een beetje lopen. Deze eerste broedperiode kan weken of zelfs maanden duren, al die tijd eet het mannetje niets, maar teert, hij op zijn vetreserves. Daarna keert het vrouwtje terug en neemt het broeden op zich, zodat het mannetje naar zee kan om te eten





Ondanks alle vaderkijke zorgen slapen vooral goanna's er vaak nog in eieren te stelen, maar gemiddeld halen zo'n vier van de vijf kuikens het tot de volwassenheid. De kuikens zijn nestvlieders, ze zijn zo'n 25cm hoog, zijn bruin gestreep en vader leidt ze nog een half jaar rond om ze te beschermen en te leren hoe te overleven. Hij pikt daarbij vaak ook adoptiefkinderen op. De kuikens groeien snel, tot een kilo per week en na ruim een jaar zijn ze volwassen. In het wild leven emoes zo'n jaar of tien, maar in gevangenschap kunnen ze meer dan het dubbele daarvan bereiken. De Ratites of struisvogelachtigen waar emoes toe behoren zijn al erg oud. Emoes toe behoren zijn al erg oud. Emoes waren er waarschijnlijk al toen er nog dinosauriërs rondliepen, zo'n 80miljoen jaar geleden. Zij zijn goedaangepast aan het hete continent waar ze op leven. Hun veren zijn licht gekleur, behalve de punten. Deze absorberen het zonlicht, maar ze zijn door het lichtere deel van de huid geïsoleerd. Het verenpak laat maar zo'n 2% de zonnewarmte door. Zmoes leven meestal alleen en schijnen niet veel behoefte aan gezelligheid te hebben. Ze komen soms wel in hele troepen tezamen maar dat is meer omdat het vooradige voedsel ze bijeen brengt. De aboriginals hebben sinds langs de ecinimische waarder van de vogel ontdekt, mmar in de Westerse maatschappij in realisatie veel recenter. Ze zijn lang als plaag en concurent voor het vee gezien. In 1932 is hun zelfs de oorloog verklaard. Het besef begint nu door te dringen dat het houden van emoes vaak minder schade doet aan de meer marginale gronden van het land. Bovendien houden de vogels insectenplagen onder de duin. De eieren en het vlees zijn nu gewilde producten er zijn vele emoe fokkerijen in Australië en inmiddels ook op andere continenten.


