Zulzeke dorp


Schilderijtje in olieverf - 1956 met zicht op Zulzeke dorp van uit Nukerke aan de Donderput
Zulzeke dorp

Schilderijtje in olieverf - 1956 met zicht op Zulzeke dorp van uit Nukerke aan de Donderput
52. A la maison communale de Nukerke

“Maison de commune de Nukerke”, het gemeentehuis is ondergebracht in een herberg.
Vanaf halfweg de 18de eeuw veranderde Nukerke grondig van uitzicht. Zo verrezen toen tal van vierkanthoeven en kreeg de gemeente een eeuw later een gemeentehuis. In Nukerke was dat de oude pastorie. Zoals in menig dorp bleef soms tot in de 20ste eeuw het gemeentehuis een dorpscafé waar een kamer was voorbehouden voor de administratieve zaken. (We denken aan Zulzeke waar tot aan de fusie de gemeentelijke diensten waren ondergebracht in de herberg). Na de bouw van een gemeentehuis ging in menig dorp de herberg verder onder de naam van “In ’t oud gemeentehuis” Dorp 31.
Hier een zicht op de oude dorpskom van Nukerke, gezien van op de “plaatse". Dit dorpszicht is sinds de eindjaren 70 onherroepelijk verdwenen; de oude woningen moesten plaats maken voor parkeerplaatsen. De woning op de tekening is de herberg, “bij rijkboezen”, in het “Oud Gemeentehuis”, in oorsprong “La maison de commune de Nukerke”. In het bijhorend kruidenierswinkeltje, konden we, in onze jeugdjaren, voor 5 fr een pakje Belga kopen.
Lange tijd werd deze oude herberg open gehouden door Ivo De Keyzer (1856-1939). Toen er nog geen parochiezaaltje was werd er in het achtergebouwtje toneel gespeeld. Zo speelde de toneelgroep “de veldbloem” op een kermiszondag van 18 september 1904 in het kleine zaaltje, een vroegere schuur.
Jaren later werd deze herberg eigendom van de familie Ryckbosch en dit tot aan de sloop. De laatste bewoners waren Victor Ryckbosch en vrouw Zulma Ceuterick met dochter Bertha als herbergierster.
Naast dat achtergebouw, langs de Kerkweg, stond de herberg “Sint-Elooi”, in de volksmond “bij lootse kuipers”. Rond de jaren 1950 hielden Joseph en Rachel T’Kindt-Verbruggen de herberg open, nadien was het de beurt aan Remi en Elvire Toniau-Verhellen eveneens tot aan de afbraak begin de jaren 1970.
De woning links op de hoek was voor die tijd een tamelijk mooi burgerhuis van Paul Blommaert, gemeentesecretaris van Nukerke juist vóór de periode van Paul Hoffmann. Achteraan de woning moet er destijds een bedrijfje zijn geweest, mogelijks een weverijtje. Zie de grote toegangspoort langs de toenmalige Boelaerdstraat. Na het overlijden van haar man bleef de weduwe Blommaert er wonen samen met haar zus, weduwe Cnudde. Halfweg de jaren 70 werd de woning aangekocht door de gemeente om het als gemeentehuis in te richten. Het secretariaat was er ondergebracht met E. Santens als secretaris en het bureeltje van de veldwachter met Eugeen Van Dyck. Verder was er een dienst van Kind en Gezin én de bibliotheek. Bij de fusie van de gemeenten werd dit gebouw omzeggens nutteloos en dra zou het moeten plaats ruimen voor koning auto. Een groot deel van de oude dorpskern was toen in het niets vergaan.
Tussen deze woning en de herberg “In de wachtzaal” (bij Michel Arco) stond nog een huisje waar in de jaren veertig “Wieten Grielie” (Merchiers) woonde. Iets verderop naar het “lindeke” toe, nu huisnummer 2, woonde “Zwarte Grielie” (Verbruggen), “ne grielemôeker” - hij maakte en herstelde het gareel van een paard , koe of os.
In politieke zaken hadden de vrouwen omzeggens toen nog niets in de pap te brokken want ze kregen pas stemrecht op 24 april 1921 en dit enkel voor de gemeenteraadverkiezingen. Voor de mannen werd het algemeen enkelvoudig stemrecht ingevoerd. Dus één man één stem.
Daar werd toneel gespeeld.
Rond de jaren 1900 was er nog geen parochiezaal daar het gebouwtje nog bezet was door 2 kleuterklassen van het klooster. Maar geen nood; in de taverne “A la maison communale de Nukerke” was er een zaaltje waar er kon vergaderd en toneel gespeeld worden. Dat zaaltje was eigenlijk een vroegere schuur waarvan de toegang gebeurde via een houten poort, kant Boelaertstraat (zie tekening “Vroeger dorpszicht). De toneelgroep, De Veldbloem, bracht op kermiszondag 18 september 1904 een toneelstuk en gezang.
Enkele leden:
Theophiel Gilleman was toen hoofdonderwijzer van de gemeenteschool langs de Capellestraat.
Frederick Verdonckt was champetter in Nukerke.
Frans De Bo woonde op de hoek Dorpsplein/Lindeke
Emiel Dekeyzer was de herbergier van de taverne “A la maison communale de Nukerke”.
Octaaf Dekeyzer was de broer van Ivo Dekeyzer.
Omer Vandendaele was herbergier van “In den Engel”.
Octaaf Hoffmann was koster in de kerk te Nukerke.
51. Windmolen Ter Geynst
Potloodtekening 20/30 naar een foto daterend van september 1931
Houten korenwindmolen “Ter Geynst”
Julien Vandeputte
Oorspronkelijk Claus Louis, landbouwer te Nukerke
1877 schenking aan Claus Theodore landbouwer te Nukerke
Claus-Vander Gheynst Louis landbouwer in Nukerke is de vruchtgebruiker
1889 einde vruchtgebruik aan Claus Théodore landbouwer in Etikhove
1897 naar de kinderen
1914 vente aan De Vos-Hors Emile landbouwer Nukerke
1934 gift aan De Vos René en konsoorten landbouwer te Nukerke
De Vos - Hors Emile-Robert, mulder,Nukerke
1940 De Vos en konsoorten landbouwer te Nukerke
De Vos-Hors Emiel-Robert , de weduwe en kinderen mulder te Nukerke
1949 totale afbraak. Volgens een andere bron zou deze molen eigenlijk reeds in 1942-1943 afgebroken zijn
Uit “De molens in het arrondissement Oudenaarde” door Julien Vandeputte
Linde aan de Lesborre

Hollandse linde aan de Lesborre. In de verte de windmolen Ten Hengst.
Destijds een romantisch plekje voor jonge verliefde koppels.
Artikel uit de Landschapskrant van september 2015 over solitaire bomen.
“Her en der in het landchap zie je solitaire bomen staan. Het zijn volwassen bomen die de ruimte hebben gekregen om zich te ontwikkelen.Ze staan vaak niet zonder reden op die specifieke plaats. Al vele eeuwen lang vervullen ze allerlei functies. Vaak worden ze aangeplant om de aandacht te trekken; bijvoorbeeld door hun omvang, vorm en kleur. Mooie voorbeelden hiervan kan je bewonderen in historische kasteelparken. Vrijheidsbomen, vredesbomen, herdenkingsbomen herinneren ons aan een historische gebeurtenis, terwijl gerechtsbomen en welkomstbomen ons wijzen op een bijzonderen plaats. Soms kan een boom ook een historische eenheid vormen met een religieus bouwwerk. Denk maar aan de typische “kapelletjeslinde”, een vereringsboom voor een heidense vruchtbaarheidsgodin. En wist je dat bomen ook een kadastrale of administratieve grens kunnen markeren. Het zijn de zogenaamde grensbomen, hoekbomen, bakenbomen… Vaak krijgen deze bomen gaandeweg een bijkomende functie, zoals een ontmoetingsplaats, een oriëntatiepunt in het landschap. Soms zijn ze een stille getuige van een bepaalde snoeivorm die nu nog zelden wordt toegepast. Wil je weten of er bij jou in de buurt ook een bijzondeere boom staat ? Surf dan naar https://inventaris.onroerenderfgoed.be/ile/boom/zoeken”
43. Hoeve Schoorens

Deze boerderij langs De Spijker te Nukerke is een “Semi-gesloten hoeve gelegen aan de straatbocht met markante linde en kastanje aan de straatkant. De vorige kleine hoeve werd in 1841 uitgebreid en de gebouwen werden vergroot. De vergrotingswerken gingen gepaard met de inrichting van een stokerij. De boerenwoning zelf werd ook in die tijd verhoogd met een halve bouwlaag. Palend aan de boerderij was er een knechtenwoonst. De stokerij is sinds halfweg de 19de eeuw omgevormd tot bakhuis en nadien omgevormd tot cichorei-ast. Rond de eeuwwisseling werden de landbouwactiviteiten langzaam afgebouwd. (gegevens uit de “Inventaris van het cultuurbezit in België)
50. Sint-Antonius-abt

Antonius van Padua, Antonius-abt - Toontje voor de Nukerkenaren.
Potloodtekening 30/40 van Toontje, een beeldje boven het zijaltaar van de Nukerkse parochiekerk.
Antonius is de patroonheilige van vele beroepen zoals wevers, slagers, suikerbakkers, mandenvlechters, begrafenisondernemers, zakkendragers, varkenshoeders. Hij is dé hulpverleners bij pest en allerlei ziekten bij de dieren.
Antonius was zo verbonden met het volk dat er zelfs weerspreuken zijn ontstaan toepasselijk op de periode rond zijn verering. Zoals
“Maakt Sint-Antonius de brug, Sint-Sebastien slaat ze stuk. (20 januari)
“Sint-Antonius klaar en helder, vult ’t vat en de kelder”
De schilderij boven het altaar stelt “De verzoeking van Antonius” voor.
Sint-Antonius abt wordt hier afgebeeld met het varkentje aan de rechtervoet. Hij vertrappelt met de rechtervoet een figuur die het kwade of de duivel voorstelt.
Iconografie
Het is een massief eikenhouten gepolychromeerd beeld. Antonius-abt wordt steeds afgebeeld als kluizenaar met de tau of kruisstaf (Antoniuskruis), met een bel, al of niet aan de staf bevestigd, met een varkentje (dit wijst op de diabolerieën waarmee de duivel Antonius lastig viel. Soms vertrapt hij de satan. Antonius houdt in de linkerhand een bijbel, soms draagt hij een rozenkrans. Andere kentekenen zijn laaiende vlammen of een fakkel, het Sint-Antoniusvuur. Afbeeldingen van Antonius vindt men op schilderijen van Van Eyck, Van der Goes …(W.P.)
Volkskunde
De meeste parochies hebben wel een of andere patroonheilige die er vereerd en aanroepen wordt/werd. Voor de plaatselijke kerk was zo’n heiligenverering heel belangrijk; het bracht gelovige bijeen en bracht geld in het bakje.
Antonius speelt in het volkse leven een belangrijke rol, vooral bij de landelijke bevolking. Hij is dan ook de patroon van het vee, van de boeren, slagers en borstelmakers.
Antonius werd vereerd in Nukerke maar na enig zoeken stelt men vast dat er in Vlaanderen vele parochies zijn waar hij een plaatsje kreeg. De Nukerkenaren en de gelovigen uit de omgeving vereerden Toontje veeleer als beschermer tegen veeziekten en als hulp bij verloren voorwerpen ( o.a. een verloren gelopen dier...).
Antonius heeft ook een begrip in de volksweerkunde. Zijn feestdag 17 januari valt in putje winter, een periode van ijs en dooi. Ook enkele volksspreuken verwijzen naar Antonius. We leerden van onze ouders dat “met Toontje het 's avonds tot vijfenhalf klaar is.” Dat gaf de mensen moed. Het verlangen naar de lente was groot.
Noveen
Deze begon op de feestdag. De zondag daaropvolgend was feest in de parochiekerk met o.a. een plechtige hoogmis en rondgang rond de kerk. Andere materiële elementen die in de Nukerkse kerk wijst op de Sint-Antoniusverering zijn de vijf ingelijste en door glas beschermde gepolychromeerde bas-reliëfs én het boogvormig bas-reliëf boven de toegangsdeur van de hoofdingang. Tijdens de jaarlijkse ruitersommegang werd de relikwie van Sint-Antonius meegedragen en werd ook het bedevaartvlagje (vaantje) bovengehaald.
Wie was die Antonius?
Hij zou geboren zijn in Kome, in Midden Egypte in 251 of 252 en overleed in de Egyptische woestijn in 356 op een leeftijd van zegge en schijve 104 jaar. Tijdens zijn kluizenaarsleven was hij gekend als Antonius de Kluizenaar of Antonius de Grote. Op 21 jarige leeftijd trok hij zich terug in de woestijn. Volgens de legende voerde hij voortdurend een zware strijd tegen demonen. Heel wat leerlingen volgden hem. Hij stichtte geen gemeenschap maar toch bleef hij kluizenaar tot aan zijn dood. (W.P.)
(zie ook inventaris onroerend erfgoed.be)
Een anekdote
Tegen de buitenkerkmuur zijn verschillende staties ter ere van St-Antonius (met het varken) aangebracht.
Rond het feest van de H. Antonius abt op 17 januari heeft er sinds jaren een noveen plaats in deze kerk. Dan werd de kerk versierd met de bloemen die madame Blommaert schonk. Toen, in de jaren vijftig, kwam er nog veel volk af om Toontje om zijn gunsten te smeken. Was je iets verloren? Wend je dan tot Toontje. Veel kans dat je het terug vond! Gedurende die dagen van de noveen hield ik een standje open achteraan in de kerk. Ik verkocht er kaarsen en medaillons. De gelovigen konden bij mij missen bestellen en betalen en ik mocht hen zegenen met de relikwie van de H.Antonius. Ik moest natuurlijk een zegening uitspreken maar aangezien ik nooit Latijn heb geleerd ging dat wat moeilijk. De zegende priester brabbelden destijds ook een onverstaanbare Latijnse tekst. Dus, deed ook ik alzo. Tot op zekere dag een oud vrouwtje me vroeg:” Maar wat zeegde gij otijd ?” Ik antwoordde:” Niet vies van zijn, ’t is afgekuist…!” Maar dat zei ik zo snel dat niemand het verstond en… ’t leek van ver op kerklatijn. Dat vrouwtje hé, dat heb ik nooit meer weer gezien. ’t Kan ook zijn dat ze het jaar nadien was verleden of …
Eertijds waren de zijmuren achteraan in de kerk beschilderd met Nukerkse taferelen. Spijtig werden die ten tijde van pastoor Naessens overschilderd. Voortaan prijkt daar een modernere tekening. Al of niet mooi?
P.D.
Processie
Tweemaal per jaar ging er een processie uit nl. op Sacramentsdag en op O.L.V.-Hemelvaart. Op Sacramentsdag ging de grote processie uit. Vanaf de kerk ging het naar het wezenhuis, en hospice, waar de oudjes buiten zaten. Verder ging we de Boelaerdstraat op tot bij Gentil; aan de hoek van de Pontstraat. In de kapel daar werd voor het eerst halt gehouden. Dan ging het richting Den Appel. Onderweg was er nog een halte aan de kapel op de hoek van de Holandstraat.. Vanaf daar ging de lange sliert de Steenweg naar beneden naar de kerk toe. Op O.L.V.-Hemelvaart ging de kleine processie uit. Toen ging het richting Geitenhoek waar een altaar werd opgezet om het H. Sacrament op te stellen. Vandaar ging het via de Steenweg terug naar de kerk. Ter gelegenheid van de processie werden de woningen versierd met bloemen en een vlag. Soms werd er een tafeltje neergezet en op een sneeuwwit kleedje stond een beeld. Het was ten tijde van pastoor Tirez dat er discussie was. De processie was reeds enkele keren uitgesteld wegens het slechte weer. De pastoor kwam met een oplossingvoor de dag; regen of niet de processie gaat uit. En wat gebeurde er? De lange stoet werd uitgeregend en de gelovigen werden gezegend met een stevige plensbui. Iedereen liep naar huis maar niet de dragers van het beeld van St-Anthonius. Die lieten zich verleiden en schuilden met onze patroon en al in een café. Na enkele natjes werd het buiten droog en konden de dragers onze patroonheilige veilig thuisbrengen. Men had z’n lesje geleerd en er kwam een nieuwe afspraak; als op de dag van de processie de klokken drie keer luiden dan gaat de processie uit. Indien 1 klok luidt dan niet.
Er was een vaste volgorde voor de deelnemers. Voorop stapte de champetter , dan de misdienaars met kaarsen en kruis, de vlagdragers met de vlag van De Boerinnenbond, de BJB, de Scouts, de Chiro, 15 weeskinderen met elk een klein vlagje (de 15 vlagjes symboliseerden de 15 mysteries van de rozenkrans), de dragers met de beelden, de fanfare van Nukerke, de koster en het zangkoor, de bloemenmeisjes die weelderig kleurrijke kroonblaadjes en papiersnippers rondstrooiden, de pastoor met het Sacrament onder het baldakijn met een zestal lantaarndragers erom heen en tenslotte de gelovigen.
De drie dagen vóór O.-L.-H.-Hemelvaart worden kruisdagen genoemd. Drie dagen vóór de hoogdag maakten de pastoor met relikwie, de misdienaars met het kruisbeeld en vele boeren en boerinnen maar ook kinderen en andere gelovigen een rondgang door de velden om de gunst af te smeken voor een goede oogst van de vruchten der aarde. Gedurende de hele weg werd de litanie van alle heiligen gezongen.”Sancte Antoni… ora pro nobis…” P.D.
Linde langs de Pontstraat.

Deze Hollandse linde langs de Pontstraat werd half april 2013 geveld. De jaarringen vertelden ons dat deze boom meer dan een eeuw geleden werd aangeplant. Zou hij aangeplant zijn in 1900 ter gelegenheid van de eeuwwisseling ? Tot 2011 geleden stond hier een boerderijtje met een kleine smidse tegen de westgevel (ik heb die nooit in werking gezien). Tot midden de jaren 50 bewoond was dit boerderijtje bewoond door Ysebaert, in de volksmond "shieke Nijs".
49. Lemen schuur op den Dries

Lemen schuur op Den Dries
Daar op Den Dries werd in het ouderlijk huis Aloïs Willems geboren als zoon van Desiré en Melanie Verhellen. De oude woning werd in 1953 grondig gemoderniseerd toen strooidak en lemen muren verdwenen. Een houten balk, verborgen in het plafond draagt het jaartal 1668. In oorsprong behoorde dit landhuis en het koeplekje er naast toe aan de boerderij van Staf Vande Putte die een grote vierkantshoeve aan de overzijde van de Holandstraat exploiteerde. De Vande Puttes waren toen een rijke, invloedrijke én devote familie. Zo schonk de dochter Anna Theresia Vandeputte geboren te Nukerke op 30 september 1795 aan de parochiekerk van Nukerke een heel mooi en kleurrijk glasraam, O.-L.-Vr. van Lourdes voorstellend. Dit glasraam is geplaatst in de noordenmuur van de kerk.Er werd verteld dat dochter Anna Theresia thuis op de platine (ijzeren deksel met handvat waarmee de stoofkom werd afgedekt) en op de stoofbuis sigarenpuikjes legde om alzo de woonkamer aangenaam te laten geuren.
Octaaf Verhellen, broer van Melanie was toe "carton" (van het Franse carter dat voerman betekent ?) op de boerderij van Vande Putte. In de jaren 20 bleven op de boerderij nog 2 jonkmans en één jonge dochter over. Die mensen waren zó devoot dat ze dagelijks in de kerk te Nukerke de mis bijwoonden. In het huishouden werden ze geholpen door de buurvrouw van rechtover, nl Hortanse de vrouw van Richard Vanderbeke. Als beloning voor haar hulp schonken de Vande Puttes de woning aan Hortanse. De boerderij zelf werd in 1926 gekocht door Richard Devenijns en vrouw Zulma Devos, afkomstig uit Leupegem. In de jaren 70 volgde zoon Marc zijn vader op. En de volgende 2 generaties staan reeds klaar voor de opvolging.
De hoeve staat beschreven als een “Grote en opvallende hoeve met fraaie verheven inplanting aan rechte straathoek en tussen kruispunten met Dieriksstraat en Bakkerbos. Lang boerenhuis van zeven travels en anderhalve bouwlaag met brede korfboogvormige toegangspoort onder zadeldak bedekt met kunstleien ter vervanging van stro sinds ca. 1920. Aan de straatzijde, op de uitgewerkte booganker boven de toegangspoort, staat 1840, het jaartal toen de vorige hoeve met losse bestandmiddelen tot huidige hoeve werd verbouwd. De woning heeft een overwelfde driedelige huiskelder en naar verluidt zouden de funderingen zo maar eventjes 1,2m breed zijn. Het erf zelf met mestput is gekasseid sinds 1940. De mestput is ondertussen verplaatst naar de buitenzijde van het hof. De lemen schuur onder kunstleien schilddak aan de noordzijde is vermoedelijk uit de 18de eeuw. De achter- en zijgevels zijn bestaan uit houtbouw op bakstenen voet en deels nog de oorspronkelijke lemen vullingen.
De lemen schuur werd eind 2017 afgebroken.
De oude lindeboom die naast de kapel stond werd bij de heraanleg van de Holandstraat geveld. Een jonge lindeboom werd nadien op de zelfde plaats aangeplant.
43. Het Nieuwennest

Aan de “Steenen molen en Nieuw Nest”
Op de Vandermaelenkaart uit 1851 staan deze beide gebouwen reeds aangeduid.
De herberg “Het Nieuwennest” situeerde zich in de woning van de boerderij waar we Omer Delanghe hebben weten wonen, op de hoek van de Weitstraat en de Hoevekouter. In 1920 kochten Francis Van Maelsaeke en zijn vrouw Marie Depaepe de boerderij en de woning met herberg. Ze huurden de woning van Leo Devos. Het staminné werd open gehouden door zijn zoon Ivo Van Maelsaeke (zoon van Francis) gehuwd met Marie Depaepe. Marie stierf in het kraambed bij de geboorte van haar 8ste kind. In hun jonge jaren was er soms veel ambiance! Daar zorgde Ivo voor die accordeon speelde. De herberg sloot haar deuren nog voor W.O.-I. Na de oorlog werd Ivo Van Maelsaeke er de nieuwe eigenaar van. Ondertussen erfde Zoë Devos, dochter van Leo, ’t Nieuwennest.
De laatste molenaar was Raphaël Maes die woonde in het molenaarshuis aan de overkant van de Weitstraat. Dat molenaarshuis is in de jaren 30 afgebroken wegens onbewoonbaarheid daar de vloer, die rustte op gewelven, het begeven had. De toegang tot het huis ging via een trap. De molen die in de vallei ligt draaide soms ellendig traag en de molenaar moest meermaals wachten op meer wind om het graan te malen. In die tijd draaide, iets verderop, de watermolen (graanmolen) van Octaaf Van Malleghem nog, gelegen langs de Maarkebeek in Etikhove. Er was toen keuze te over om het graan te laten malen.
De watermolen Te Meulebroecke was eigendom van Leo Devos, later Odiel Devos en nadien Robert Antrop. In de jaren ’70 werd het gebouw, dat al dienst deed als schuur, afgebroken.
Nukerke had een 100-jarige

De eeuwelinge van Nukerke was mevrouw Marie-Justine Seghers, geboren te Leupegem den 1 juli 1839
Over de negenkoten en andere anekdoten.

Over de "negenkoten" en andere Nukerkse anekdoten
De negenkoten
Op de afdruk van de oorspronkelijk kaart van Vlaanderen uit 1538 die in het "Germanisches Nationalmuseum" te Neurenberg berust liggen de gemeenten Ronse, Berchem, Nieukerke en Melden, Quaremont gelegen in het Land van Aelst, verkeerdelijk ten westen van de Schelde. Op de eerste gedetailleerde kaart ziet men duidelijk de schaarse bewoning van het toenmalige Nukercke. In vroegere jaren stonden hier reeds enkele woningen langs de weg naar Oudenaarde. De woningen lagen aan de rand van een groot bos dat zich uitstrekte vanaf de Cortekeer over de Coppenberg tot aan de Steenbeekdries.
In de 19de eeuw stonden hier negen woningen ondergebracht in 7 huizen want er waren twee tweewoonsten bij. De laatste eigenaars waren T'Sjoen die twee huisjes bezat waarvan één tweewoonst en Octaaf Geenens die eigenaar was van zes huisjes. Octaaf had die woningen enkele jaren na de eeuwwisseling gekocht van enen Emiel Vandewaele uit Leupegem. Tegen 1950 waren de woningen volledig onderkomen. Ze waren afgeleefd, enkel het dak was nog in goede staat. Kort na de eerste wereldoorlog werden de strooien daken vervangen door een pannendak. Het verst gelegen huisje had zelfs een bakoven. Het laatste huurgeld bedroeg 150 Fr per maand maar de woning aan de straatkant had een maandhuur van 200Fr. Een na een werden de woningen echter verlaten. Aldus trad de verkrotting snel in en werd het geheel onbewoonbaar verklaard met als gevolg dat er besloten werd de woningen in de zomer van 1958 af te breken. Als tegenwaarde voor de afbraak kregen de eigenaars 20 000 Fr slooppremie.
In sommige huisjes woonde nogal een volkje. Sommigen hadden een klein pensioentje. Anderen leefden van een "trok", zeg maar een uitkering voor invaliditeit of zo. Als ze getrokken hadden kwamen ze afgezakt naar de herberg Den Os. Met hun schaarse centen maakten ze soms grote zwier tot hun geld op was. Om verder te kunnen leven waren ze dan verplicht bij een of andere boer te gaan werken. Of ze trokken mee met de dorsmachine die van boerderij naar boerderij trok. Dan kregen ze hun kost en 5 frank per schof (dat is 3 uren). Alma, de moeder van André Van Ceunebroeck, was een bijzondere figuur. Als 't goed weer was zat ze voortdurend in het bos om hout bijeen te garen. Dan sleepte ze moeizaam een grote, lange vracht staakhout het bos uit. Hoofd en schouders schraagden de zware last. En ze had steeds een grote voorraad aan hout liggen. In een van de woningen woonde Reynaert en zijn vrouw. Die werden tijdens een beschieting in 1944 door een Duitse obus dodelijk getroffen. Hun namen staan gegrift op de gedenksteen voor de gesneuvelden.
Iets hoger en aan de andere kant van de weg lag een koeplekje met het staminee Den os. Café sinds mensenheugenis. De eigenaar vóór Octaaf Geenens was een koppel zonder kinderen dat nogal goed aan de drank zou geweest zijn. Octaaf Geenens werd de nieuwe waard van de herberg Den os toen hij het hoevetje met bijhorend café kocht en er naartoe verhuisde in 1895. Met de kruiwagen verhuisde het jonge paar de schaarse bezittingen van Zulzeke naar Nukerke langs de Kortekeer. Hun zoontje was toen 3 jaar. Die zou later zijn vader opvolgen. Op de dag van de verhuis speelde het knaapje met de geitjes op de berm van de Kortekeer tot hij bij het afglijden zijn bloot achterwerkje verbrandde aan de tengels (brandnetels). Sommige kleine jongetjes liepen toen blijkbaar met een rokje aan.
Den os was dus ook een koeplekje met enkele streepjes land waarop een drietal koetjes werden gehouden. Elke voerman die hier voorbij kwam hield halt om de dieren te laten op adem komen. Sommigen kropen met zware wagens geladen met wol en katoen de Koppenberg op. Je moet weten dat de wagens van Transport De Jaeger uit Ronse reeds van de Gentse haven kwamen. En de weg bleef maar stijgen tot op de Kruissens Niet te verwonderen dat de Brabanders bekaf waren. Vóór de deur stond een beulde (palen met dwarsbalk) waaraan de voerlieden hun paarden konden vastbinden. De waterpomp met bijhorende drinkbak stond er bij. Terwijl de paarden rustten , hun haver kregen en dronken konden de mannen zich laven aan het frisse bier. "Ja, 't is daar altijd een goede zulle geweest."
Hoger op , meer naar het dorp toe, lag den Hul maar in de volksmond "geitenhoek" genoemd, een gezellige plek met een viertal woningen, op amper een paar 100m vogelvlucht van de negenkoten. Je kon het al raden? Elke woning had er een of meer geiten. 't Was daar soms een gemekker. De bewoners concurreerden onder elkaar over de hoeveelheid melk die hun geiten gaven én het was belangrijk te weten wiens geit de meeste melk gaf. Tot er werd gecontroleerd en werd uitgemaakt wie zijn melk doopte door er water bij te voegen.
Oorlog
Op het Heidje woonden Michel Gerseau met zijn vrouw en kind. Toen ze even buiten kwam om met het kind op het plankier wat te wandelen werden moeder en kind dodelijk getroffen door een verdwaalde granaat.
Maurice Vanden Daele, sneuvelde als vrij jonge soldaat. Hij woonde naast "Den Engel".
In 1944 is een Amerikaanse jager op de Bossenaer neergestort in de boomgaard van Daniël Verroken.(een deel van de neus van het vliegtuig moet nog in de grond zitten). Het nieuws van de crash was vlug gekend en nog rapper werd de cocqpit geplunderd en el wat niet te warm of te zwaar was werd meegenomen.
Ander oorlogsnieuws
Tijdens de Tweede Wereldoorlog woonde Jean-Baptist De Schamphelaere te Etikhove in zijn boerderij langs de Gansbeekstraat daar waar de Maarkebeek onder de straat duikt. Baptist werd geboren in 1900 en was afkomstig uit de Varent. Tijdens zijn jonge jaren had hij meermaals deelgenomen aan de bietencampagne in het noorden van Frankrijk. En je weet hoe dat gaat. De jonge man maakte daar kennis met een meisje uit de streek. Ze trouwden en kwamen wonen langs de Gansbeekstraat. De jonge vrouw werkte samen met Jean-Baptist en leerde ook wat Nederlands. De periode tussen de twee oorlogen was een harde tijd en Jean-Baptist oefende zoals zovele meerdere beroepen uit. Zijn hoofdbezigheid was echter fruit kweken. Hij schafte zich een paard aan en reed wekelijks met paard en kar naar de markten in de omgeving om het lekkere fruit aan de man te brengen. Op een dag heeft het gezin “alle chance van de wereld” gehad. Het was in 1945. De streek was reeds maanden bevrijd maar de Duitsers gaven niet op en bestookten Antwerpen met de fameuze V-2 raketten. Er werden zo maar eventjes 2000 raketten op de haven afgestuurd. Niet allen bereikten het beoogde doel. Sommige “vliegende bommen” misten hun doel, weken af of raakten tijdens de vlucht defect. Zo hoorden ze op een mooie dag in Ethikove het gefluit van een aanstormende V-2. Men wist dat eens het motorgeluid ophield de bom binnen de kortste stonden zou vallen. Wat ook geschiedde. Gelukkig stond in de weide aan het erf van De Schamphelaere een rij hoge populieren. Deze bomenrij werkte als vangnet voor de raket die in de toppen terecht kwam en met een geweldige slag ontplofte. Bladeren, twijgen, takken, metalen stukken, vuur, rook, pannen en stenen het vloog al in het rond. Het dak van de woning was volledig ontmanteld maar niemand werd gekwetst. De buurt kwam er gelukkig met de schrik vanaf.
De zoon van Baptist had later naast het woonhuis een smidse.
Deschamphelaere uit Etikhove werd gemobiliseerd voor de oorlog van 14-18. Jarenlang verbleef hij in de loopgrachten achter de IJzer. Tijdens een van de vele korte aanvallen werd de beste vriend van Jean-Baptist ernstig gekwetst en lag daar ergens buiten de loopgrachten te kermen en steeds te roepen: "Tiste, kom mij toch helpen!" Maar Jean-Baptist kon hem niet halen. Hij moest immers wachten tot ze zeker waren dat de Duitsers zich volledig hadden teruggetrokken. De nacht ging voorbij en het werd heel stil. Hét moment om de gekwetste vriend te gaan ophalen? Kruipend op de buik bereikte hij de man. Denkend dat de kust veilig was richtten ze zich op. Te laat. Een machinegeweer ratelde en de beide soldaten werden getroffen door een kogelregen. Ze vielen neer. De gekwetste soldaat was op slag dood en Tiste bleef gewond voor dood liggen. Op zijn beurt bleef hij achter tot hij zou gered worden. En dat werd hij. Hij bleek getroffen te zijn door een gloeiende brandkogel die langs de rug was binnen gekomen en langs de buik het lichaam had verlaten. De plaats waar de kogel de buik had verlaten was dichtgeschroeid. Dat was wellicht zijn redding. Voor zijn genezing werd Jean-Baptiste naar Frankrijk overgebracht waar hij in een lazaret aan een volledige herstelling begon. Wat ook lukte want kort nadien werd Tiste weer goed bevonden om naar het front te trekken. Hij vertelde nadien dat hij een Belgische soldaat had gezien met een houten been. Die man werd door de keuringsdienst goed bevonden om zijn compagnie aan het front te vervoegen. Het schijnt dat hij zijn houten been afnam en naar de medische staf gooide met de vraag: "Wat kan ik met zo'n been gaan vechten!"
Schoolleven
"In de jaren dertig deed zuster Cantara de allerkleinsten verder was er moeder Aquilina, moeder Aphra en nadien moeder Anna. De leken onderwijzeressen waren Marietje Deraedt, in dienst tot aan haar trouw, juffrouw Rachel en juffrouw Angèle, twee jonkheden.
Vanaf hun plechtige communie verlieten veel meisje de school om naar Ronse te gaan schoollopen. Sommige meisjes gingen naar de wezenschool op den Bruul te Ronse.
Meester Jan die toen les gaf in de jongensschool kwam wekelijks de zaterdagvoormiddag naar de meisjesklassen om onze les te komen overhoren. Telkens hij kwam had hij een verrassing in petto. Op het eind van zijn bezoek had hij steeds een verrassing voor ons. Hij hield zijn twee vuisten voor zich.? In een ervan zat een cent. Een leerling die goede antwoorden had gegeven mocht raden in welke hand de cent stak.. Raadde die juist dat mocht het kind de cent aan het negertje geven, aan dat dankbaar knikkende kopje ."
Meester Jan, met zijn pince-nez was een streng man. Hij was bekend voor zijn uitspraak: "Vooruit gij ,ga van voren op den tree de knieën zitten gij lieleken chudas", en dat met een accent uit het West-Vlaamse Kallo.
Over Wieten Grilie
Wieten Grielie woonde langs de Boelaerdstraat
Wieten Grielie bestond omdat er ook een Zwarte Grielie bestond
Wieten Grielie noemde volgens de burgerlijke stand eigenlijk Merchiers. Hij woonde boven aan de Boelaerdstraat 't Was blijkbaar een gezonde brok natuur want hij trouwde drie keren. Een van zijn dochters, Maria, is zelfs kloosterzuster geworden. Toen hij met zijn nieuw Huleke naar pastoor Dutranoy ging om zijn ondertrouw te bespreken zei verbouwereerde pastoor: "Maar wat gaat gij doen? Op uwen leeftijd nog hertrouwen. Gij zoudt gij beter op uwen put peinzen. Binnen kort mag je er beginnen aan scharten! "Waarop Huleke zou gezegd hebben:" Ja, maar aan mijn putteke is er ook nog veel te scharten!"
Na het overlijden van Wieten Grielie hebben zijn kinderen de ouderlijke woning verkocht aan de orde van de Zusters van barmhartigheid.
En Wieten Grielie had geen reden van bestaan als er ook gene Zwarten Grielie was. Deze woonde op het dorp langs 't Lindeke. Eigenlijk noemde hij Victor Verbruggen en hij was getrouwd met ene Elodie Van Hooland. Beiden waren gareelmakers eerste klasse.
Werkgelegenheid
Langs de Pontstraat (huisnummer 52) staat in de boomgaard een typisch gebouwtje in fabrieksvorm met zaagtanddak. Dit gebouwtje werd er na W.O.-I gebouwd in opdracht van een zekere De Weer. Deze zou er een weverijtje in onderbrengen. Gedurende een bepaalde periode waren er drie wevers; Omer en Richard Martens en Gilbert Vandenabeele. De fabrikant had daar zelfs een auto om de afgewerkte "bomen" naar Ronse te voeren. Veel succes heeft de weverij niet gekend want de jaren dertig verzonken in een diepe crisis. Vooral de textielindustrie in Ronse had erg te lijden. Nog vóór W.O.-II werd het textielfabriekje gesloten.
Gaston De Jaegher kocht het woonhuis met fabriekje en zette er een wagenmakerij op.
Gaston De Jaegher maakte jarenlang karren en wagens voor de boeren. Zijn werkhuis lag achter de grote toegangspoort van zijn woning. De houtreserve lag in het vroeger fabrieksgebouwtje in de boomgaard. Hier werden wagens en karren gemaakt tot 1957. Dan is de wagenmaker ziek geworden en gestorven. Met zijn sterven is ook de laatste wagenmaker van de streek verdwenen. Zoon Georges heeft nooit gedacht de stiel van vader te leren. Hij studeerde voor onderwijzer. Hij voorzag dat er geen toekomst zat in de wagenmakerij. Na de oorlog kenden de karrenwielen met rubberen banden snel opgang.
Hospice
De bewoners van het hospice genoten van een zekere vrijheid. Vooral de mannen profiteerden daarvan. Een oud mannetje kwam zo bijna dagelijks op de trappen zitten van de woning op de hoek van de Pontstraat en het Meetjesstraatje. Zijn kleine oogjes gluurden van links naar rechts. Als de kust veilig was haalde hij stiekem een klein flesje uit zijn binnenzak en nam een slokje van een heerlijk vocht. Anderen wandelden langs de straten en kwamen kijken naar de schoolkinderen. Sommigen mannen hadden een abonnement "In de wachtzaal" bij Michel Arco (Michel Aelvoet).
Over cafés langs de steenweg
Was er geen industrie langs de nochtans drukke steenweg Terneuzen-Valenciennes des te meer waren er herbergen en afspanningen. Even opsommen: "Den os", "De lustige boertjes", "Staminee", "In 't bisdom". Deze herberg stond op de hoek van de Steenweg en de Sponde (Elsstraat), en werd open gehouden door Milie of Filie De Bisschop. Deze had een zandgroeve aan de Mellinckstraat naast de spoorweg en een zandgroeve in de Kortekeer waar de sporen van afgraving nog duidelijk zichtbaar zijn, o.a. aan het voetbalveld. Langs de Mellinckstraat werd de groeve later terug gedeeltelijk opgevuld.
Theofiel was slager, beenhouwer, herbergier, metselaar, zandontginner, steenbakker. Hij was specialist in het kandelaren van oude en zieke bomen. De grootste takken werden danig ingekort dat de boom de vorm kreeg van een kandelaar.
Andere cafés zijn: In de Keizer (hoek van de Sponde), In de kroon, Den Engel, Truweeltje, Léon d'or (bij Clara Ceuterick) 't clubhuis van Eendracht Nukerke want lange tijd kleedden de spelers van de voetbalclub Eendracht Nukerke zich in het achterhuis van het café. Verderop naar de Kruissens toe waren er Den appel, 't Zonneke, 't Neerhof, De drie roze broekjes (bij den zwarten Merie, Omer Deriemacker) anders gezegd "Te speelders bij Speeldersen Zwarten", Den beitel, 't Neerhof (bij René Callebaut), Chalet la Croix. , In de Keizer (hoek met de Sponde), Sint-Martinus (Eglantierstraat). Bij stupies (tijdelijk), Den Elst (tijdelijk).
Het was lang de gewoonte dat er ook café werd gehouden "achter den toog". In praktisch elk kruidenierszaakje kon je tegen betaling een jenever achteroverslaan.
Het monument der gesneuvelden en weggevoerden
Het monument ter herdenking van de gesneuvelden , weggevoerden en burgerlijke slachtoffers tijdens de wereldoorlogen 1914-1918 en 1940-1945.
Sint-Rochus

De tekening stelt Sint-Rochus voor. Het volledig zestiende eeuws beeld van eik is anderhalve groot en stelt Rochus voor als een pelgrim op weg naar compostella. Rochus wordt afgebeeld met grote hoed met sintjakobsschelp, wijde mantel, staf en aan de voeten een hond. De hond likte de besmette wonden van de pestlijder. Aldus werd Sint-Rochus de patroon en beschermer van de pestlijders.
Muurkapelletje langs de Ommegangstraat

Muurkapelletje in de hoeve Ommegangstraat nr. 68. (vroeger nr. 20)
De oorspronkelijke muurkapel is tijdens de renovatie van de hoeve in 2020 bewaard gebleven. De hoeve, gelegen op de hoek de Ommegangstraat en Tenabeele in Nukerke, was tot de jaren 1960 bewoond door het gezin van Florent Goeminne. Naast het runnen van zijn landbouwbedrijf had hij tevens een melkronde in de stad Ronse waar hij met paard en kar rondtrok om melk, boter en aardappelen aan de man te brengen. Eens op rust woonde hij aan de overzijde van de straat waar hij een woning liet bouwen. De familie Leopold Van Crombrugge-Vermeir nam de boerderij over en bewoonde die uit tot de jaren 2000.
Zag de Nukerkse parochiekerk er zo uit?

Hier volgt een tekst overgenomen uit “Geschiedenis van Vlaanderen”.
“De kerkgebouwen hebben zich langzamerhand ontwikkeld in onze gewesten; uit de ruwe houten gebouwen, soms met stukwerk van leem tusschen de houten kader opgetrokken, niet zelden op plaatsen, vroeger aan den heidenschen godsdienst toegewijd, zien wij op het einde der XIde eeuw op het platteland eenvoudige kerken oprijzen, rechthoekige gebouwen vlak afgedekt, eenbeukig, die later zijbeuken zullen krijgen; het koor is rechthoekig gesloten, later half-rond gebogen; heel dikwijls verrijst het gebouwtje op een heuvel of op het einde van een wordend dorpje, het kerkeneinde. Nog siert geen toren het geheel; althans geen toren aan het westelijke deel van de kerk: wellicht rees een houten klokkenstoel voor het gebouw. De voor-Romaansche periode - die we dus plaatsen voor de XIde eeuw - heeft aan onze gewesten vrij weinig overgelaten, waarop thans kan worden gesteund: meestal hoeven we ons te richten naar tekeningen uit vroeger eeuwen of uit povere resten die archeologisch onderzoek ons naliet.”
Zo werd ook bij ons gedurende de volgende eeuwen ijzersteen gebruikt bij de bouw van o.a. kerken.
76. Theophiel De Bisschop
Rond 1900 moeten enkele heren (Nukerkse) tussen pot en pint tot het idee gekomen zijn een toneelgroep op te richten. Een van de voortrekkers was ene Theophiel De Bisschop, in de volksmond “den lange Bisschop”, want hij was ongeveer 1,98 meter lang. Zijn vrouw Clothilde reikte omzeggens maar tot aan zijn middel (broeksriem). Theophiel was een heel bedrijvige man. Zo was hij handelaar, herbergier, steenbakker en vooral dorpsfilosoof die geen blad voor de mond nam en liederen en gedichten uit zijn mouw schudde, kortom zaken die zelfs de pastoor Dutordoir irriteerde.
Duidelijk was hij de leider van de groep die zich “De veldbloem” noemde. Deze toneelgroep leefde waarschijnlijk in onmin met de pastoor daar de leden meestal een liberale stempel droegen. Hun toneelzaaltje was de vroegere schuur van de taverne “La maison commnunale de Nukerke” bij Dekeyzer.
Lodewijk De Bisschop en Melanie Vanden Abeele waren de ouders van Theophiel. Zijn taverne “In ’t bisdom” was een heel geliefd oord. De kroegbaas was immers Filie De Bisschop, een echte dorpsfilosoof en bovendien boer, melkboer (hij haalde de melk op bij de boeren en voerde die met 2 paarden en kar naar melkerij van Sint-Maria-Horebeke), kandelaarder, beenhouwer, slager, metser, kroegbaas, dichter, zanger… Die laatste eigenschappen zorgden voor veel ambiance in zijn kroeg met een gezellige sfeer waar volksliedjes spontaan ontstonden. De meeste van die liedjes dreven de spot met (meestal) welstellenden of met vrouwen en mannen die zich wat hoger achtten op de maatschappelijke ladder. Zo heeft Filie De Bisschop een schrift vol liedjes geschreven. Na zijn overlijden in 1921 volgde zoon Tryphon (geboren in 1897 ) in zijn sporen. Hier volgt zo’n liedje. Het gaat deze keer over volksmensen en hun “lapnamen”.
“Stanse faro, Binde Manse, Pierkitsies en Bunies Fie, Bruno Keerke moe nie mier werken, en Pierk Hanson is mee pensoen.”
“Diezelfde Theofiel kreeg het ook aan de stok met “paster Dutordoir”. “Filie was nen donkerblauwen én is eens mee de blauwe opgekomen. Paster Dutordoir wist blijkbaar vooraf dat de katholieken 2 stemmen zouden te kort zouden komen. Daarop liet hij “Pauli margerine”, die op bietencampagne was in Frankrijk, terugroepen. Niettemin kwamen de liberalen aan de macht.”
Nog zo’n anekdote. In de tijd van Dutordoir gingen nog alle mensen naar de kerk. Zoals gebruikelijk zaten de grootste katholieken vooraan en de slechte achteraan. (In Christus’ tijd was dat juist omgekeerd). Filie en zijn blauwe vrienden stonden tijdens een kerkdienst steeds op een rijtje achteraan, leunend tegen de portaaldeur. Immers de klokkentoren en ’t portaal is zo’n beetje gemeentelijke eigendom. Je zou kunnen zeggen dat ze daar een beetje op niemandsland stonden. En dat kon Dutordoir blijkbaar niet slikken. Bovendien, de liedjes die Filie maakte waren voor de pastoor te obsceen en dat was ook niet naar zijn zin. Op een mooie zondag riep hij vanop het kansel:” De Bisschop , da moet hier gedaan zijn met die schunnige liedjes… ’t is hier binnen of buiten, hebde dat begrepen!” Felie,welbespraakt zoals hij was, had nogal vlug zijn antwoord klaar en riep:” Awel ’t is buiten menier de paster!” De kerkgenoten giggelden en Filie draaide zich om en verliet de kerk van Nukerke. Daarna bleef hij zijn zondagsplicht vervullen en reed met de fiets dan maar naar de kerk van Leupegem.
Theofiel De Bisschop heeft tijdens het kandelaren van een boom zich eens lelijk vergist en is wegens de gladheid van de schors van een stam ongelukkig naar beneden gekomen en was zwaar gekwetst. Hij is in 1921 overleden.
De tekening van ‘Lange Bisschop’ naar een pasfoto. Deze werd genomen toen hij 52 jaar oud was.
Hij stierf aan een opengesprongen maagzweer, met 55 jaar.
Tijdens zijn actieve jaren woonde gezin eerst naast zijn steenbakkerij in de Mellinckstraat. Die woning werd verkocht en dus verhuisde het gezin naar de woning verderop nu met huisnummer 1. Clothilde en Theophiel hadden samen 4 kinderen.
Bevolkingspiramide in 1972

De bevolkingspiramide jaar 1972 betreffende 898 vrouwen en 943 mannen of een totaal van 1841 inwoners.
Het leven langs de PontstraatDe jaren dertig
Marietje De Jaegher vertelt.
“Mijn grootvader was afkomstig van Wannegem-Lede waar hij een brouwerij had met bijliggende landerijen. Ik werd geboren te Nukerke op 26 april 1922 en ben zus van broer Georges die geboren was in 1918.
Mijn ouders hebben het huis langs de Pontstraat (nu huisnummer 52) gebouwd in 1923. De grond werd gekocht van de familie De Weer. Het terrein waarop ons huis werd gebouwd vormde één geheel met het oude hospice. (D’er moet nog een oude foto bestaan van dat eerste hospice te Nukerke.) De familie De Weer bezat gans het terrein gelegen op de hoek van de Pontstraat en de Potaarde. Dat oude hospice was eigenlijk een koeplekje. Elke bewoner moest zowat voor zichzelf zorgen. Bavo, getrouwd met Clémence Verplanken, heeft dat hoevetje gekocht nadat de oudjes naar het nieuwe hospice waren verhuisd. Voordien woonde hij in de boerderij langs de Capellestraat (nu Pontstraat nr 7) Daar had hij een houtzagerij en schrijnwerkerij. Rechtover de schrijnwerkerij was er een smidse (afgebroken in september 2010). Het was toen gebruikelijk dat als er ergens een houtbewerker woonde er zich ook een smid kwam vestigen. Je ziet, de ene stielman trok de andere aan want ze hadden elkaar nodig. Na Bavo zijn Octaaf Meerschaert en vrouw Maria Teirlinck gaan wonen in die hoeve. En dat ging zo in die tijd. Tijdens de winter was er niet veel werk op de boerderij. Ze lagen bijna stil en er waren toen geen grote machines. Zo werkten de landlieden ’s winters o.a. in een zagerij. Daar was veel werk! En hard werk want het zagen ging nog met de hand. Sommigen trokken ’s winters mee met de dorsmachine. Bavo heeft dat ook nog gedaan.
En Bavo Deweer werd toen suisse in de kerk te Nukerke ten tijde van de legendarisch pastoor Dutordoir. Naar het schijnt was die pastoor een heel verstandig man. ’t Was natuurlijk ook niet moeilijk verstandig over te komen tussen al die ongeletterde mensen! Maar kom ! Maar kwaad dat die mens zich kon maken tijdens zijn preken van op de hoge kansel. Achteraf zei Bavo, de suisse: ”Menier pastoar g’et ou weer loaten goan hé! G’et ou weer koad gemokt!” Bavo De Weer werd niet gespaard. Zijn zoon Oscar, geboren te Nukerke op 14 oktober 1886, sneuvelde als soldaat van het 1ste Linieregiment in de loopgrachten nabij Diksmuide op 6 juli 1915. Het stoffelijk overschot rust op ’t erepark nabij Diksmuide. Bavo had 4 kinderen: Jules,Oscar, Arthur en Anna, de moeder van Marietje.
Op de hoek van de Potaarde en de Pontstraat, op het terrein van Bavo De Weer, werd in mijn jeugdjaren één van de eerste elektriciteitscabines te Nukerke gebouwd. Ronse had toen al elektriciteit maar wij moesten ons nog behelpen met een “quinqué” , van het Franse quenquet of petroleumlamp.
‘k Heb ook nog geweten dat de houten windmolen Ter Gheynst in honderd stukken tegen de grond lag. Hij heeft daar lang gelegen nadat hij tijdens een hevig onweer tegen de vlakte ging. We noemden hen “Vossen meulen”, naar de boerderij er naast. Een boerderij met een klokje op het dak. Alleen de grote boerderijen hadden zo’n klokje."
Mijn schooltijd
"Zoals de meeste kinderen liep ik school in de “Aangenomen meisjesschool” van het dorp te Nukerke. In de meisjesschool kon je toen schoollopen vanaf de kleuterklas tot de 4de graad lager onderwijs. Kinderen van katholieken gingen toen niet naar de gemeenteschool. Het gebeurde meermaals dat de beste leerlingen vroeger de school verlieten om in Ronse of net over de taalgrens verder te gaan studeren. De zusters stimuleerden de beste leerlingen om verder te studeren. Je moet weten dat toen in Ronse de meeste vakken in het Frans werden onderwezen. Wat voor ons, kinderen van den buiten, niet gemakkelijk was. Wij hadden familie wonen in Oudenaarde waar Frans de voertaal was. Ja, de burgerij in Oudenaarde had toen Frans als huistaal. Daar leerde ook ik mijn Frans bij die Franssprekende nichtjes en hun vriendinnetjes. Na mijn plechtige communie stapte ik dus naar de Sancta Maria te Ronse. Daar bestond toen een 6de klas van het lager onderwijs waar de kinderen van den buiten hun Frans konden bijschaven. Ik ging niet naar die klas omdat ik al voldoende Frans kon en dus werd ik in het zesde middelbaar ingeschreven. Ik kon goed mee volgen. Je moet weten dat in Nukerke verscheidene leerjaren bij mekaar zaten in dezelfde klas. En ik, nogal een vluggerd, pikte vele zaken mee van de hogere leerjaren. Daardoor had ik algauw een flinke voorsprong op mijn medeleerlingen. Zo heb ik eens een leerjaar mogen overspringen.
In dat eerste jaar van mijn middelbaar zaten wel 40 leerlingen in de klas. We werden er alfabetisch geplaatst maar omdat ik wat laat was ingeschreven kreeg ik nummer 39. Ik weet het nog goed “trente-neuf”. Het waren niet allemaal nonnen die er les gaven. Er waren ook al een aantal ongehuwde leraressen aan de school verbonden. Zo hadden wij een juffrouw uit Oostende. Af en toe mochten wij eens Vlaams spreken. Ik was er op pensionaat en in de studiezaal moest ik mijn huistaken alleen maken. Ze waren verbaasd dat ik het zo goed deed. Ik herinner mij nog de les geschiedenis over de Egyptenaren en dat in het Frans. Niet simpel! Er was ook een Walin die les gaf en … die kon geen woord Nederlands. Wat een tijd zeg! Ik heb wel eens goed geschreid als de examens aankwamen. Gelukkig mocht ik het vak geschiedenis en aardrijkskunde in het Nederlands afleggen. Met nieuwjaar had ik 60%. Met Pasen was dat al veel beter en tegen de grote vakantie was ik de derde van de klas. Na enkele jaren humaniora ben ik, op aanraden van mijn moeder, naar de normaalschool overgestapt. Toen ging dat zo. Dat was normaal zeker dat de ouders dat beslisten? Zo de ouders spreken zo doen de kinderen. Ja toen was dat zo, maar … nu niet meer, denk ik!"
Thuis op de Pontstraat
"Vader was wagenmaker van beroep. Hij was zeer bekend om zijn wagens en vooral om de degelijkheid van de houten wielen. Hij was echt een stielman. Zijn stiel had hij geleerd in Kaster. Dat was daar heel bekend voor het maken van wielen. Ze maakten daar vooral wielen voor “voituren” en vader woonde daar zelfs in bij de familie.Hij moet daar graag gezien geweest zijn.
Achter onze woning werd een fabriekje gebouwd op aanraden van een textielbaas uit Ronse. En waarom niet. Al die wevers die naar Ronse gingen werken deden dat te voet. Waarom dus niet dichter bij huis? Die fabriek was eigendom van nonkel Frans. Spijtig genoeg is die enkele jaren na de start van de weverij gestorven. Hij was pas enkele maanden getrouwd en is overleden aan een bloedvergiftiging. Er werd geweven “à façon” met 4 getouwen en één wever per getouw. Er werden vooral stoffen voor manshemden geweven. Toen, in mijn kinderjaren, waren er in Ronse nog veel woningen waar een houten weefgetouwtje stond in de voorplaats. Frans Deweer had ook een camionette om de bomen (geweven stoffen) naar de Liniaire in Leupegem te voeren. Bij zijn terugkeer had hij een andere opdracht mee en de nodige bobijnen. De kleine huiswever, ook die van Nukerke, moesten “hunne boom” per kruiwagen naar Ronse brengen bij hun opdrachtgever. Dat was een of andere textielweverij. Ik mocht als kind wel eens mee met de camionette. Was me dat een belevenis !
En het gebeurde al eens dat de broer van meester Gilleman, Marcel, met een mandje duiven aankwam en vroeg om de beestjes op de vlucht te zetten. Marcel Gilleman woonde toen met zijn zus in het koeplekje, waar later ‘t cabineurke woonde, een paar huizen verder van de school. Nonkel Frans woonde toen in het huis waar later de bakkerij was van Laurent De Weer, schuin tegenover onze wagenmakerij. Dat huis heeft Nonkel Frans nadien gekocht. Ja, dat was de woning waar dokter Berlanger heeft gewoond. Hij heeft dat zelf laten bouwen, een beetje naar de stijl van dat statige huis van de familie Planchon er naast. Ze hebben deze woning laten bouwen als ze gaan rentenieren zijn. De Planchons hadden een bierbrouwerij te Ronse. Na de dood van nonkel Frans kwam het fabriekje in handen van vader. Die was heel content dat hij kon beschikken over dat fabriekje. Het werd een opslagplaats voor het hout. Dat hout dat moest dienen voor het vervaardigen van de wielen moest zeer sterk zijn en droog. Elk jaar trok vader naar de omliggende bossen om het beste hout op te kopen. Het was toen gebruikelijk dat er jaarlijks in de bossen hout werd te koop gesteld, ook brandhout. Hij wist steeds lang vooraf welk hout hij wilde. Miel Den Haerinck, vader van André, deed niets anders dan bomen omhakken. Het klein, kort hout mocht hij houden of hij verkocht het door, kwestie van een stuiver bij te verdienen. ’s Zomers dan werd er niet gehakt en werkten de houthakkers bij de boeren.
Je kon na de werkuren van op de straat niet zien dat het bij ons een wagenmakerij was. Vooraan lag er geen plankje. Vader was ook stipt en hij maande de boeren aan hun bestelling te komen af halen. Begin de jaren 20 was de elektriciteit nog niet voorhanden in Nukerke. Dat was wel gepland en dus kocht vader een elektrische zaag. Toen heeft hij zelf was afgezaagd bij de elektriciteitsmaatschappij om stroom te krijgen.
Wanneer de houten wielen waren gemaakt dan kwam de boer die halen met paard en kar en voerde de wielen naar de smidse van Mielie Claus, de vader van Michel, aan Den Appel. Er waren toen nog smidsen o.a. op de hoek van de Donderije en de Mellinckstraat bij De Zitter. En dan nog de smidse Lietar, langs de Staatsbaan niet ver van Den Engel en dan nog de smidse rechtover Octaaf Maarschaert. Mielie smeedde de ijzeren banden rond het hout. Smid en wagenmaker werkten goed samen in de smisse om de ijzeren ringen rond de wielen te spannen. Mielie Claus had nogal de naam van een ‘nijvegerd” te zijn. Ge weet wel. Dat zijn van die gasten die nooit ophouden. Dat was een man die van alles kon en alle prutswerkjes waren de zijne. Als hij ergens een werkje aan de hand had dan had hij de gewoonte de helft van zijn werktuigen thuis te vergeten en thuis vond hij dikwijls zijn gerief niet terug. En die smisse die zat vol. Op de muren en in alle hoeken en kanten hingen wel 10 horloges die alle 10 werkten en alle 10 op het zelfde moment het uur klopten. Gezellig boeltje was het daar! Ja ’t was de tijd van Marie, de vrouw van Mielie. Rechtover het kruidenierswinkeltje van Marie woonde op de hoek Modest Devos, in de volksmond Deeiste Devos of Voazen Deêstie. De voorbijtrekkende schoolkinderen vonden dat een norse man, maar dat was de schuld van de kinderen zelf die allerlei fratsen uithaalden om de man te plagen."
De school op het dorp waar ik school liep.
"Zuster Augula zorgde voor de kinderen van de tweede kleuterklas. In haar klas stond een piano. Daar bovenop stond een wekker. De zuster had de opdracht te bellen als de lessen gedaan waren. Maar ik mocht altijd met de bel gaan rinkelen. In 1930 was zuster Aquilina overste en deed het 5de, 6de, 7de en 8ste studiejaar. Ze was goed bedreven en bereidde de meisjes goed voor op het Kantonnaal Examen. Meester Jan was toen de oppermeester. Zuster-overste schreef al eens een briefje en ik moest dat berichtje tijdens de schooluren bij meester Jan brengen Hij woonde op de plaatse en was reeds op pensioen. Irma, zijn vrouw, kwam opendoen, en na een beleefde groet werd het berichtje afgegeven. En negen op tien, die dag kwam meester Jan nog naar school. Hij was een heel goede meester en had na zijn oppensioenstelling nog een grote verbondenheid met zijn school. Op een dag komt mijn moeder meester Jan tegen en deze zegt haar dat mijn broer Georges “ nen rappen” was. “Hij moet naar een andere school want hier kan hij niets meer bijleren. Laat hem naar Ronse gaan.” En zo geschiedde. Op tweede Sinksen deed hij zijn plechtige communie en ging dan naar het college van Ronse in de klas van meester Valère Mores. In ’t begin ging hij dagelijks te voet vanaf de Pontstraat. Tijdens de winter had het eens geijzeld. Thuis bleef hij niet. Op zijn kloefen was hij weg. De mensen die gingen werken deden dat ook.
De betere families stuurden hun kinderen vanaf de leeftijd van 12 jaar, na hun plechtige communie, naar een pensionaat in Henegouwen. Toen was er nog geen sprake van een taalgrens. Het was nog in de tijd dat de kleine Vlamingen hun Frans moesten gaan leren in een of ander instituut in Celles, Ellezelles, Ath, Leuze… De meeste meisjes verbleven er slechts één of twee jaar. Ondertussen waren ze 14 jaar en tijd om thuis te blijven.
In de jaren dertig was er tocht enige wedijver tussen de beide scholen. Meester Fedor, toen nog een jonge onderwijzer van de nieuwe gemeenteschool op het Holand kwam af en toe bij ons langs om van mij te horen wat en hoe wij in de vrije school leerden. Hij kwam al eens bij ons thuis zijn boterham opeten. Vooraf ging bij Bekie (winkel van Richard Vanderbeke) een doosje sardienen halen. In de winkel daar vroeg eens een vrouw: ”Ha, zijde gij dienen nieuwe meester die hier in de school gaat komen ? En is ’t waar dat er niet meer gaat gelezen (gebeden) worden? “ Antwoord van de meester: ” Luister hé, wij zijn allemaal christelijk opgevoed!” “ Hoe diep dat het er in zat hé!”(sic)
In de aangenomen jongensschool gaven Maurice Bastien, Benoit Lepez en Marcel Lepez les. Maurits Bastien was afkomstig van Zulzeke. Zijn ouderlijk huis was schuins over de gemeenteschool. Hij was een boerenzoon die nadien in het seminarie is getreden en priester werd. Maurits kreeg zijn “Heilige Priesterwijding” en deed zijn “Eerste Plechtige H. Mis” te Gent op “Beloken-Paaschen” 1943. Hij werd in Zulzeke gevierd op 9 mei 1943. Priester Bastien werd zelfs onderpastoor op Sint-Hermis te Ronse."
Oorlogsjaren
"Als jonge onderwijzeres hielp ik bij Winterhulp en het Rode Kruis. De leden van het comité van Winterhulp waren o.a. Dr Glibert en Jean Decubber (die ook tweede bediende was op het gemeentehuis) en de gemeentesecretaris. Hij was aangesteld voor de bevoorrading.
Iets meer over Winterhulp (secours d’hiver).
Sommige steden gaven in 1940 postzegels uit met een toeslag ten voordele van Winterhulp: Brugge (50c+10c), Brussel ( 1Fr75 + 50c), Namen (75c +15c), Hasselt (1 Fr +25c), Antwerpen (2Fr50 + 2 Fr50),Luik (5 Fr + 5 Fr)… Zie waarde tussen haakjes.
Onze taak was de arme mensen en allen die behoeftig waren te helpen. Vooral de huisgezinnen met kinderen stonden vooraan. Wij zorgden voor de bedeling van de kolen. Zo was er een depot in de boerderij van Maurice Eyckerman. Talrijk waren de mensen die daar met een kruiwagen kolen kwamen halen.En dan in 1944…!Het was op een dinsdag dat mijn broer Georges, Roger Demets, Roger Vandendaele en ik naar Waregem zouden fietsen. ’t Was daar kermis en wij hadden al enkele jaren de gewoonte naar toe te gaan. We reden de Sponde naar beneden en daar liep een soldaat de straat op en af. Was dat een Duitser ? Al gauw kwamen we aan in Berchem en passeerden even bij een tante. “Wat, gaan jullie naar Waregem? Maar dat moogt ge niet riskeren. ’t Is veel te gevaarlijk want ’t is hier ergens iets gaande.” Er hing precies iets onheilspellend in de lucht. Maar wij reden toch verder. Ge weet hoe jonge mensen zijn. Maar na enkele kilometers zijn we toch maar terug gekeerd. Tegen dat we terug in Berchem waren stond er een locomotief met veel wagons en in de richting van Kwaremont was er precies een grote bedrijvigheid. De mensen zeiden ons dat we naar huis moesten. De mensen van Kwaremont betrouwden ook het boeltje niet en bleven binnen en kwamen niet op straat. Er hing iets in de lucht. Dan werd het zondag. We hoorden tegen de middag een heel harde ontploffing. Nadien bleek dat de achterwacht van de bezetter een munitiedepot liet in de lucht vliegen. Blijkbaar was daar een raketbasis in opbouw voor de lancering van de V-bommen. We hoorden nadien dat het nieuwe kasteel ten gronde af lag."
Dit kasteel en het domein er rond behoorde toe aan de familie Behaegel de Bueren. En de raketbasis daar maakte deel uit van een batterij die was opgesteld van Noord-Frankrijk tot Kwaremont.
Het echte verhaal uit de mond van de eigenaar van het kasteel.
Verslag van een interview door de heer P.H. op 4 januari 1996 met Jonckheer André Behaeghel de Bueren, zoon van Gravin de Beuren die tevens eigenares was van “Goet ten Broecke” van 1920 tot 1950, moment waarop ze stierf.
De familie woont in het Chateau de Calmont dat op een domein ligt van enkele honderden ha.
“Mevrouw Gravin de Bueren was de laatste afstammelinge van een oude Hollandse familie. De familie was over gans Europa verspreid o.a. in Westfalen in Duitsland en in Oostenrijk. De familie de Bueren is in Vlaanderen gekomen onder het Oostenrijks Bewind, toen Maria Theresia van Oostenrijk Gent bezette. Een Oostenrijks kolonel, een de Bueren is toen - zoals het een bezetter past, getrouwd met een Van De Woestijne uit Gent en zo zijn de de Bueren in Gent gekomen. In 1923 is door toedoen van Koning Albert I de naam Behaeghel veranderd in Behaeghel – de Bueren; dit was nodig omdat anders zo’n oude en over gans Europa verspreide familienaam zou verdwijnen. Gravin de Bueren was gehuwd met Ridder Gaston Behaeghel. Hun huwelijk werd gezegend met zes kinderen. Ridder Pierrre – als oudste erf je automatisch de titel van je vader - die huwde met dame Morelle de Westgaver uit Gent , Jonckheer Philippe, Jonkheer André, Jonkvrouw Anne-Marie die huwde met graaf Raymond D’Ansembourg, een Hofhertog van Luxemburg en die nu nog verblijft op het kasteel te Melle en tenslotte Jonkvrouw Lorette die huwde met Baron de Bassompierre uit Brussel.
Toen Gravin Berthe de Bueren stierf in 1950, werden de bezittingen verdeeld onder de kinderen. Tijdens de oorlog 40-45 was Jonkheer André Behaeghel-de Bueren sterk bevriend met een Engelsman. Deze Engelsman seinde berichten door naar Londen over de toestand in de omgeving. Op 3 september 1944 seinde hij door dat er een lanceerplatform stond in de buurt van het kasteel Calmont. Men zou daar meteen overgaan tot het bombarderen van dat lanceerplatform. Dit ging toen echter niet door omdat de Engelsen zich reeds in Doornik bevonden en deze zouden het platform gewoon innemen. Er bevonden zich daar toen plusminus 100 V1-bommen. In een fabriekje beneden de Bossenaarstraat werden toen de stukken gemaakt voor het platform. Er bleef één Duitser achter om alles op te blazen, de rest van de Duitsers trok naar Ronse. Die achtergebleven Duitser heeft het platform niet kunnen opblazen daar hij gevangen genomen werd door Achiel Vergeynst. Toen de Duitsers de Engelsen te Ronse tegen kwamen zijn ze gevlucht en zijn ze terug gekeerd naar het kasteel waar ze zagen dat het platform niet ontploft was. Ze hebben het toen laten ontploffen. Men vertelt dat de Engelse kolonne tijdens de opmars naar Oudenaarde op zeker ogenblik een Duitse gemotoriseerde patrouille kruiste die op weg was naar het platform. En ... de Engelse lieten hen ongemoeid! Niet te geloven! De ontploffing veroorzaakte veel schade aan het park en heeft het kasteel Calmont compleet vernield. Gedurende de periode die volgde heeft de familie Behaegel-de Bueren drie maanden op het “Goet ten Broecke” in Zulzeke gewoond. De kant van de borenwoning met de beste kamer werd ter hun beschikking gesteld….
Bevrijding
"Aan Den Appel te Nukerke woonde toen een schoon en gelukkig Vlaams gezinnetje met kinderen. Mijnheer Jan Van Ackere was leraar aan het Atheneum in Ronse. Zijn vrouw, Cecile, was de dochter van de bekende en geëerde familie Van den Abeele die een winkel had met boeken en speelgoed in de Baarstraat te Oudenaarde.
Ik weet nog goed. Het was op de maandag na de bevrijding dat mijn vader in de voornoen groepjes mensen de Pontstraat zag op en af gaan. Sommigen trokken richting Etikhove met een kruiwagen volgeladen met pakjes en dozen, nieuwe spullen, zakken, boeken, speelgoed… Allé, alles wat niet te zwaar en te heet was! De ene had dit mee en de andere dat. Vader vroeg zich af wat dit betekende. Hij naar buiten ! En vroeg op de man af waar al dat nieuw spul wel vandaan kwam. Ha, daar van op de steenweg, aan Den Appel. ’t Is daar een huis en ’t zit vol met mooie dingen. ’t Zat zo. De familie Van den Abeele in Oudenaarde had een grote hoeveelheid mooie dingen, ook boeken en speelgoed bij de dochter in Nukerke ondergebracht. De goederen waren aangekocht met het oog op het komende sinterklaasfeest. Ze vreesden immers voor een totale vernieling van hun woning als de bruggen over de Schelde onder vuur zouden komen te liggen. Immers op 19 mei 1940 vielen bij een Duits bombardement op de scheldebrug 26 slachtoffers, de meeste vluchtelingen uit Lanaken in Limburg. Bij de buurtbewoners zat de schrik er dus in.
Mijn vader neemt dan ook maar de fiets en gaat kijken naar de vernieling. Na een tijdje komt hij thuis. Ge moet dat zien! Schande. Daarop nam ik, nog een jong meisje, mijn fiets om ook eens te gaan kijken. ‘k Was nog maar pas van mijn fiets gestapt of daar komt een man op mij af met boeken onder de arm. Hier, gij zijt gestudeerd. Ge gaat dat kunnen gebruiken. Hij duwde een stapel boeken in mijn handen. En ga maar binnen, ge gaat daar wel uw goesting vinden. Maar nee ! Da’s niet van mij ! Toch wel. En ik de trappen op om de boeken terug te brengen. Die legde ik op een venstertablet. Niet te geloven. Wat eens een mooie hall moet geweest zijn lag in de vernieling. Mijn ogen vielen op enkele mooie pentekeningen aan de wand. Het glas gebroken en de tekeningen doorkerfd. Die tekeningen waren door een familielid getekend. Regelrechte baldadigheid. Het huis, “het torenhof”, bleef er verlaten achter. Enkele dagen voordien was de leraar ondergedoken. Zijn vrouw was met de kinderen door de velden naar de pastorie van Nukerke gevlucht uit schrik voor mogelijke bedreigingen. De leraar heeft een tijdje vastgezeten.
Weken later kregen nogal wat kinderen gestolen zaken. Hopelijk waren die arme zieltjes er gelukkig mee ! Immers, “gestolen goed gedijt niet”!
Zo zijn er hier en daar nog ongeregeldheden gebeurd. Vernielingen, diefstallen, bekladden van woningen, verwijten, valselijk betichten van mensen … Ja, ’t was ’t einde van een lange oorlog. De mensen waren blij gezind en dronken pinten. En van het een komt het ander. Alles komt dan boven, het goede en het slechte!
En dan waren er de “witte bendes”. De “bekies” waren chef van de bende. Ge moest niet veel gedaan hebben om in de brokken te delen. " Bij het naar school gaan als jong kind vonden wij nog stukjes speelgoed die de rovers in hun haast hadden verloren.
Onderwijzeres
"Kort nadat ik mijn diploma heb behaald, dat was tijdens de oorlog, moest ik af en toe een interriem doen in de gemeenteschool te Nukerke. Cécile Gremonprez die les gaf aan o.a. het eerste leerjaar was verondersteld dat ze de kinderen voorbereidde op de eerste communie. Maar die was niet zeer gesteld op die kerkelijke aangelegenheden .Telken jare dus werd ze ziek rond de tijd van de communies zodat ze de voorbereiding niet hoefde te doen.
Zo gebeurde het eens dat de facteur de boodschapper speelde. De overste van het klooster te Etikhove gaf aan Remi de facteur de opdracht om tijdens zijn ronde te Nukerke aan mij te vragen eens naar de school te komen. Ja er was toen geen telefoon en de zusters mochten niet naar buiten. De vraag was: “Zoude gij hier willen komen lesgeven?” Dat stond mij daar niet veel aan, maar van thuis moest ik dat werk aannemen. Maar mijn aanstelling moest toen eerst worden goedgekeurd door kanunnik Quintelier, diocesaan hoofdinspecteur van het bisdom Gent. Maar moeder-overste - een goede – durfde al eens een beslissing nemen zonder haar overheid er kennis van te geven. Je kunt het al raden. Wij beiden moesten naar Gent, bij Quintelier die hoogst waarschijnlijk een andere kandidate had. Ik moest mij op mijn best kleden. Met de trein naar Gent. Aan ’t station daar namen we een taxi tot bij Quintelier. Van de zuster moest ik in de taxi blijven zitten. Plots komt ze buiten gevlogen en zegt dat ik binnen mocht. De kanunnik wist dat mijn broer les gaf in de gemeenteschool van Melden. “Is hij wel aangesloten bij het C.O.V. Zijn jullie christelijke mensen?” “Ja, wij gaan naar de kerk.” “De kerk van Nukerke, aan wie is die toegewijd?” “ Aan O.-L.-Vr Hemelvaart.” Mij ondervrager beweerde dat ik verkeerd was en sloeg een dik kerkelijk boek open. “G’hebt gelijk!”
Paul Hoffmann, de gemeentesecretaris
We hebben al bemerkt dat tot halfweg de 20ste eeuw vele doodsprentjes werden gedrukt in de Drukkerij Hoffmann. "Twee zussen van de gemeentesecretaris, Ida en Aimée, woonden in de straat om naar ’t lindeke te gaan. Die zussen waren ongetrouwd en hielden daar een winkel van kruidenierswaren. Achteraan was er een plaats waar een oude drukmachine stond. Daar werden soms doodsbrieven en doodsprentjes gedrukt vanaf begin 1900. Hun concurrent was de Drukkerij Deriemaeker, van de koster, op het dorpsplein.
Paul Hoffmann had de naam van “pietje precies”. Hij was zeer correct en gesteld op orde en respect. Een beetje als een militair ! Was hij niet als zestienjarige vrijwillig ingelijfd in het Belgisch leger tijdens de Eerste Wereldoorlog!"
Meester Theofiel Gilleman

. Theofile Gilleman, was het eerste schoolhoofd van de gemeenteschool, toen gelegen langs de Capellestraat (nu Pontstraat ) in Nukerke.
Meester Theofile Gilleman was oppermeester van de eerste gemeenteschool langs de Pontstraat te Nukerke. Hij woonde in het schoolhuis naast de eigenlijke school.
Gilleman was een strenge meester en ook al kwam de pastoor nooit op bezoek in de gemeenteschool, toch gaf meester Gilleman godsdienstonderricht.
Een zoon Joseph is gesneuveld in het begin van W.O.-I., nl. op 5 september 1914. Uitzonderlijk voor die tijd was het feit dat meester Gilleman een "spreekmachine" had. (Dat zal een fonograaf geweest zijn, de voorloper van de grammofoon). Hij is driemaal getrouwd geweest; eerst met een zekere Maes, dan met Claus en tenslotte met Gusta Tonneau, de zus van Staf Brugge zijn vrouw. Na het overlijden van de meester is zijn weduwe een tijdje gaan wonen in het huis naast de school (zie nr 14).
Ook toen werd er hier in Nukerke een plaatselijke schoolstrijd tegen een openbare school uitgevochten. De pastoor Dutordoir predikte tegen de liberale school. Na 1930 begon het mank te lopen met de school, het aantal kinderen verminderde, tot er uiteindelijk maar een paar kinderen overbleven. Nadien werd de school definitief gesloten. Meester Gilleman bleef nog enkele jaren in het leeg schoolgebouw wonen. Na zijn dood werd het schoolgebouw als schrijnwerkerij ingericht. Nadien werd het bewoond door Aloïs Norga die het later doorverkocht aan de familie Hector Van Moorleghem, die in het oude schoolgebouw een mechanische maalderij inrichtte.
De school langs de Capellestraat werd door sommige een oord van verderf genoemd. Wie daar school liep zou in “d’helle” terecht komen. Op 't laatst had onderwijzer Gilleman nog 2 leerlingen: Richard De Bisschop en Franske Norga. In die tijd was pastoor Dutordoir pastoor te Nukerke en speelde burgemeester, was baas op ’t kerkhof en chef in ’t hospice. Naar 't schijnt had hij ook andere activiteiten. Maar de pastoor en de onderpastoor bleven preken tegen die liberale school. De pastoor deed al wat hij kon opdat de katholieken bij een volgende verkiezing zouden boven zijn. Maar de liberalen wonnen en Armand Vandeputte uit ten Abele werd burgemeester. Ondertussen zat de school zonder leerlingen en de oppermeester zonder werk. Bij zijn op ruststelling woonde hij in een woning gelegen tussen de school en het hoevetje van R. Van Coppenolle.
Tijdens zijn derde huwelijk met Gusta Tonneau werden na de gesneuvelde zoon Joseph, nog 2 zonen geboren. De oudste, Joseph-Theofiel-Guido, werd geboren op 13 juli 1918. Tijdens zijn beroepleven was deze werkzaam als technisch tekenaar bij New Holland. Joseph heeft tevens een aantal patenten op zijn naam staan onder de naam van Joseph TG Gilleman. Hij woonde destijds in Sint-Denijs-Westrem, was getrouwd en kreeg 6 kinderen en 7 kleinkinderen. De tweede zoon, Marcel, werd geboren op 8 januari 1923. Ook hij was later te werk gesteld bij New Holland. Hij werkte er als human recources medewerker, woonde in Sint-Denijs-Westrem, was getrouwd en kreeg 2 kinderen en 6 kleinkinderen.Hij overleed op 6 april 1986. Gusta is na de dood van Theofile van Nukerke verhuisd naar Sint-Denijs-Westrem nadat ze eerst woonde in het villaatje nr. 14 naast de oude school. Ze is overleden in 1979" (veel gegevens bereikten ons via Sarah Gilleman, een achterkleindochter van Theofile)
De grootste concurrent van oppermeester Gilleman was de toenmalige pastoor Paul Dutordoir, die dorpsherder was van 1907 tot 1931. Hij overleed godvruchtig te Mariakerke (Gent) op 16 februari 1946. Hij predikte tegen de gemeenteschool en ging zwaar te keer tegen de"goddelozen" maar naar verluidt reed hijzelf niet zo'n fraai parcours. Een afbeelding van deze kan je vinden in een vorige rubriek.
Pittige verhalenAlbert Antrop werd geboren op een woensdag van het jaar 1915. Zoals zo velen vertelt ook Albert over zuster Cantara die een hele generatie kinderen heeft opgevoed. Als kleuter trok hij niet zó graag op naar school omdat hij op school moest blijven eten. Let op! Geen lekkere boterhammen van thuis maar kloosterkost. En dan nog tijdens de oorlog. “Alle dagen moet ik ambras hebben gemaakt. Tot besloten werd mij naar Ronse te sturen naar “de wezenschool”. Die aanvaarden alle kinderen jonger dan 6 jaar. Ik was pas 4 jaar en werd op pensionaat gestuurd. Ik bleef er tot mijn 9 jaar en dat was een privilegie. In die tijd liepen de kinderen van de liberalen school in de “wezenschool” terwijl de katholieke kinderen naar de Sancta Maria trokken. En waarom op internaat ? Wel, onze ouders hadden absoluut geen tijd om ons naar en van school te brengen. Toen ging alles te voet en de school was toch ver. De weg liep van de Meulebroecke, het veld in naar de herberg “De koekoek” waar Armand Rousseau nog gewoond heeft. (Vital Laurier heeft dat huisje nadien gekocht en afgebroken). Dan langs de Potaarde, de Pontstraat over en langs het Meetjesstraatje naar het dorp. Dat alles langs onverharde voet- en landwegen.
Dus werd voor het gemak gekozen. Toch voor degene die geld hadden. Ik bleef in “de wezenschool” tot de leeftijd van 9,5 jaar. Daar was ik het knechtje van de nonnekes. Was er een boodschap te dan werd Albert aangesproken. Ik weet nog, er had een hevig onweer gewoed. De straten van het centrum stonden half onderwater en de zusjes Aelvoet waren nog niet afgehaald aan de school. Dus werd Albert aangesproken: “Alberke, zoude gij die twee meisjes willen thuis brengen?” En Albert trok op, de stad door tot aan de passerelle. Vandaar liet ik hen gaan en keek ze nog een tijdje na. En dat voor een kind van 9 jaar.
Het jaar nadien ging ik over naar het college.
14-18
Dat de Duitsers ook Nukerke bezetten kon je merken aan de patrouilles die voorbij kwamen. In Nukerke was een sectie Duitse soldaten gelegerd. Tweemaal daags patrouilleerden 2 Duitse soldaten te paard gedurende ongeveer een uur. Kwestie van alles onder controle te houden.
In 1918 werd onze streek door de Engelse troepen bevrijd. Het heeft 2 dagen geduurd eer ze van Melden tot hier in Nukerke zijn geraakt. De wegen waren toen maar half verhard en bij hevige regen bleven er enkel poelen en plassen over. De paarden trokken zich half dood om al dat zwaar geschud de berg boven te trekken. Op 11 november om 9 uur in de voormiddag hing reeds een witte vlag boven op de kerktoren. Maar terugtrekkende Duitsers vonden het wel nog nodig om vanuit een mitrailleursnest in de berm van de spoorweg in Terpoort op de Engelsen te schieten die zich te ver waagden. Maar er waren toen zoveel Engelsen dat het op een moment op de weide zwart zag van de paarden. Op ’t einde van de grote oorlog pakten de Duitsers bij hun aftocht alles mee wat ze konden gebruiken. Zelfs de runderen namen ze mee. Het was voor hen zogezegd militaire eigendom. En dan trokken ze achteruit. In die jaren ging dat nog heel traag. Amper 15 km per dag.
Onze Belgische soldaten waren tijdens den oorlog pover gekleed. “
Op en rond de boerderij
De boerderij werd gebouwd in 1858 door Leo Devos, ook Lootje genoemd omdat hij niet te groot was. Leo was de grootvader van Albert Antrop. Al de bouwstenen werden ter plaatse gemaakt en gebakken door een ploeg steenbakkers. Helpers liepen heen en weer met een handvol steenkool die in de openingen tussen de stenen werden gelegd. Tijdens de winter hadden die steenbakkers geen werk. Dan vlochten ze manden. Metsers waren er genoeg. De huisjes uit die periode hadden allemaal dezelfde indeling. Op een van de muren moet nog een schild staan van De Vos. Aansluitend aan de vierkantshoeve werd een maalderij gebouwd; een watermolen die werkte op het water van de Meulebeek. Een eindje verderop werden, zoals gebruikelijk, een drietal kleine huisjes gebouwd. Die werden dan verhuurd aan de dagloners die op de boerderij zouden werken. Zo was er bij ons thuis werk voor 3 “maarten” en 2 knechts. De ene meid moest kuisen, wassen en plassen terwijl een andere het vuile buitenwerk deed en een derde aan de kookpot stond. In sommige gevallen bleven meiden en knechts op de boerderij overnachten. Het gebeurde al eens dat de voerman bij zijn paarden sliep. Gelukkig dat die mensen ons hadden of ze vergingen van armoede. De mensen hadden toen geen “tractement”.
De knechten durfden al eens van werk en boer veranderen om een “frankske” meer te verdienen. Dan moesten ze natuurlijk verhuizen. En kreeg het werkvolk eten en drinken, er werd al eens iets meegepakt en … eieren werden al eens geroofd.
Die huisjes van het werkvolk hadden allen dezelfde vorm. Je viel met de deur in huis, in de woonkamer dus. Verder was er een schotelhuis of spinde (soms ook sponde genoemd), een gang naar de achterdeur en 3 à 4 kleine slaapkamers. Er was meestal een weefkamer waar een houten weeftoestel stond. De vloer in de weefkamer was steeds in geharde leem. Waarom? Wel er moesten al eens putten worden gegraven onder de trappers van het weefgetouw. De eerste “weverkens”die naar de fabriek gingen werken verdienden een armoeloon, zelfs al zwoegden ze 10 uur per dag.. En … steeds stonden de met stro gedekte huisjes met de voorzijde naar de zon gericht, steeds per twee of drie met de zijgevel tegen aanleunend. Stond de façade van het huisje westelijk gericht dan mocht je ervan overtuigd zijn dat de plannen door een architect waren getekend.
Halfweg de 19de eeuw werden in Nukerke de meeste vierkantshoeven gebouwd zoals er zijn het hof van Devenijns op ’t Holand (nog gedeeltelijk met lemen schuur), het hof van Claus-Vande Putte (later Eyckerman-De Zaeytijd), het hof van Leo Devos en dat van Schoorens langs de Weitstraat. Al bemerkt dat aansluitend bij elk van die hoeven steeds enkele werkmanshuisjes stonden? Zo stonden er bij de hoeve langs de Ruitegem drie huisjes en dan nog eens twee. Wegens verkrotting zijn er vele reeds jaren geleden afgebroken of verbouwd. Langs de Doolstraat (vanaf de beek tot boven aan de Pontstraat) staan nog steeds een paar huisjes. Soms tweewoonst genoemd. De Doolstraat wijst op het feit dat de mens die dit donker gat bij nacht en ontij gebruikte z’n hart in de keel voelde kloppen onder het zwiepen en het kraken van de hoge populieren. Zo benauwend moet het geweest zijn. Het is bovendien een kronkelende holle weg.
Iets meer over het hof Claus-Vande Putte. Een dochter van Claus was getrouwd met een zoon Planchon, brouwer te Ronse. Bij hun rentenieren hebben ze, voor die tijd, een prachtige woning laten bouwen langs de Pontstraat, hoek Meetjesstraatje. Binnen was het daar steeds kraaknet en de woning was rijkelijk ingericht.
Werk op het erf.
Een grote boerderij zoals deze uit de Meulebroecke deed het werk met 4 paarden. Vóór de grote oorlog vertrokken nogal wat jonge mannen op campagne naar de grote hoven in Noord-Frankrijk. Dan bleef er niets anders over dan met het “vrouwvolk” het zware werk te verrichten. Zo was de jaarlijkse suikerbietenteelt een heel drukke tijd. Iedere middag begon de zware arbeid. Boer Leo reed met een ploegje, getrokken door één paard, de rijen bieten uit. Na hem maakten twee vrouwen de bieten los. Anderen moesten de koppen (het loof) afkappen en werden de bieten op rijen gelegd. Daar stond de voerman al klaar om de bieten op de wagen te gooien. Eens de wagen vol verscheen onmiddellijk de volgde wagen. Dat ging zo dagelijks tijdens de bietencampagne tot het donker werd. Per dag werden soms 3 voeren van elk 3 à 4 ton geladen. De volgeladen wagens vertrokken dan naar het erf. ’s Morgens bij de eerste klaarte knarsten de ijzeren banden op de kasseien want de wagens reden richting station van Etikhove waar de treinwagons stonden te wachten.
Enkele oude vlakte maten:een gemet is een half morgen of 300 vierkante roeden. In ’t Gentse is 1 gemet 4479 m² groot. Een morgen is zoveel land als men in een morgen (voormiddag) kon omploegen..Een vierkante roe is 6 stappen op 6 stappen.
De campagnards
Ik zie ze nog optrekken, de sterkste mannen. Ze vertrokken op campagne naar Noord-Frankrijk, letterlijk gepakt en gezakt. Gepakt met hun werktuigen zoals pik en haak en gezakt met hun “bezotse” over de schouder. ”Bezotse” is van het Franse woord “besace” afgeleid. Dat is een zak die in ’t midden opengaat en aan de twee uiteinden gesloten is. Weet je dat de vrouwen ondertussen hier meer verdiend hadden dan sommige echtgenoten. Dat geld kittelde al eens in de broekzak van die mannen. En je weet hoe dat gaat. Vertier en een pleziertje kost geld. Nog zo iets. De meeste huisgezinnetjes kochten voor het vertrek van de man bij de boer een paar honderd kg graan. Kwestie van voorraad in huis te hebben. Geld om te betalen hadden ze niet. Er moest gewacht worden tot de brave huisvader met een goudstukje - “een napoleontje” - de boer betaalde. De meeste seizoenarbeiders trokken twee- tot driemaal per jaar. Ze deden de bieten- én de graancampagne. Kort na de tweede oorlog was het gedaan met de campagne. Het werk van de Belgen werd afgepakt door de Polen.
Steenbakkerij
De steenbakkerij van Debisschop bijna aan het einde van de Mellinckstraat heb ik weten werken. Je ziet trouwens nog de resten van het uitgraven van de leem. Theofiel Debisschop woonde toen naast de steenbakkerij. Nadien woonde hij in het boerderijtje waar later Maurice Devos is gaan wonen. Het was toen ook gebruikelijk dat bij het bouwen van een huis de opgegraven leem werd gebruikt om ter plaatse de bakstenen te bakken. Dat waren toen soms van die harde zwart gebakken stenen. Bakken van stenen was toen een kennis. Meestal werd beroep gedaan op een ploeg steenbakkers. De kleiklompen werden in open lucht gebakken. Meermaals waren de stenen aan de buitenrand niet hard gebakken. Er moest goed worden gestookt en dan nog was er soms veel verlies.
De koekoek
De koekoek was een kroeg gelegen op de oostkant van de Potaarde. Een los, aarden weg, die vertrok aan de Mellinckstraat leidde er naar toe. De tonnen bier moesten van daar naar boven worden gedragen want de biercamion kon niet tot boven. Daar kwam heel wat volk over de vloer. De mensen uit Nukerks bos namen deze korte weg naar ’t dorp. Nadat Monske verhuisd was naar de Diericksstraat werd de kroeg gekocht door Vital Laurier en Melanie Vancoppenolle. Monske Gerseau had naast zijn kroeg een werkhuis. Daar maakte en herstelde hij karren. Monske was blijkbaar een slimme man, een uitvinder. Zo had hij eens een machine in mekaar geknutseld om zijn werk te verlichten. Dat spel werkte met de wind. Op een keer waaide het flink en het ventje kreeg de aandrijving niet meer onder bedwang. De machine werd dol en Monske vloog van schrik voor de brokstukken onder de schaafbank. Dicht bij de woning was er een bron. In den ouden tijd (19de eeuw) werden de woningen gebouwd daar waar water voor handen was, hetzij een bron, een fontein of een beek. Voetwegen leidden er naar toe. In begin negentienhonderd waren er drie soorten mensen: grote boeren, kleine boeren en keuterboeren met een drietal koetjes. Het gebeurde al eens dat een keuterboertjes zich een baron voelden. En verder ging dat toen zo! De meeste mensen hadden een lapje grond bij het huis liggen waarop ze tarwe of rogge zaaiden. Daarnaast kweekten ze meestal enkele geiten.
De mobilisatie
Veel jonge mannen uit onze streek moesten op eigen kosten de trein op om in Ieper te verzamelen. Ik was er niet graag bij! Dus keerde ik snel naar huis terug maar mijn vader was zo kwaad dat ik daar terug stond. Hij stuurde mij terug. Ik mocht mij zelfs niet neerzetten en zonder eten wees hij mij de deur uit schrik dat ik als deserteur zou worden opgepakt. Na de capitulatie van het Belgisch leger heb ik van de chaos gebruik gemaakt om tijdelijk onder te duiken. Veel soldaten kwamen toen terecht in de textielfabriek van Cambier te Ronse. Mijn vader dacht dat ook ik daar werd ondergebracht daarom fietste hij elke dag met enkele boterhammen naar Ronse. Hij vond mij natuurlijk niet. Ik ben wel ’s nachts in den pikke donker van Eke naar huis gefietst, zonder licht nog straatverlichting. Dat was maar bangelijk.
Een knipoog op de modernisatie
De elektriciteit is in Nukerke niet plots gekomen. Eerst werd er een netwerk in en rond het dorp van Nukerke aangelegd nadien straat per straat naar de buitenkanten. Maar dat ging niet zo van zelf. De katholieken die toen aan ’t bewind waren in Nukerke zorgden dat hun vrienden eerst werden bediend. Zo werd maar een deel van de Mellickstraat voorzien. Een liberaal die verderop woonde kon wachten. De bekabeling werd gedaan door Blommaert uit Horebeke.
De eerste landbouwtractoren in Nukerke verschenen kort na W.O.-II. Het waren de fameuze Ferguson, tractoren geweigerd in Argentinië, die om de een of andere reden op de Belgische markt verschenen. Ze waren niets waard en om de aanschaf te vergemakkelijken moest de landbouwer slechts een jaar nadien de betaling doen. In Nukerke reden er zo een drietal o.a. bij Edgard Heuvick. De eerste eigenaar in Nukerke van een automobiel was waarschijnlijk boer Verdonckt die aan Den Engel woonde in zijn nieuwe villa.
De mens maalt al 30 000 jaar.
“De Italiaans onderzoekster,Anna Revedin, vermoedt dat de mens tijdens het steentijdperk niet enkel van dierlijk eiwit en vet leefde. De plantaardige resten en de slijtageresten die gevonden werden op dertigduizend jaar oude maalstenen in Italië, Rusland en Tsjechië wijzen erop dat de stenen werden gebruikt om wortels en zaden van varens en lisdodden fijn te malen. Antropologen vermoeden nu dat er dertigduizend jaar geleden verandering kwam in de voeding van de mens toen hij graan begon te malen.”
Iets meer over de watermolen.
De weg naar de watermolen was niet gekasseid omdat dat een private weg was.
Deze watermolen is samen met de boerderij in 1858 gebouwd door Leo Devos, grootvader van Albert Antrop. In het molenhuis lagen 2 stellen molenstenen, 2 koppels dus. Eén voor het malen van tarwe en één voorbehouden voor dierenvoedsel. Waar men kon opteerde men voor een watermolen omdat het opzetten van een houten molen toen een fortuin kostte, wel 11 000 frank. Dat was een smak geld en. Enkel de rijke heren konden zich een windmolen permitteren.
In de naastliggende schuur van 12m op 24m stond de dorsmachine, een vaste en niet op wielen dus. Een deel van de vloer was niet verhard en diende als dorsvloer of deel waarop dus de dorsmachine stond. Die bleef er natuurlijk staan want ze werd aangedreven door lange brede riemen die op hun beurt in beweging kwamen door de drijfkracht van het waterrad in beweging gebracht door het water van de Meulebeek. Een schoft hield het water op in een grote vijver. Er was voldoende water om gedurende 2 uren op volle kracht te dorsen. Ook al waren we concurrenten, er werd afgesproken met de molenaar van ’t Moleke om gelijktijdig te werken. Zo spaarden ze veel water. Aan de overkant van ’t Moleke was een grote waterreserve. Tijdens de oorlog van 14-18 kwamen landlieden soms van een uur ver bij ons om wat graan te malen. Te voet met een zakje graan van 25kg op de rug, voortdurend de omgeving afspiedend om niet gepakt te worden. Het gemalen graan kregen ze mee maar “bulden” (zuiveren) moesten ze zelf doen. Weet je dat de kleine man die weinig middelen van bestaan had soms zijn graan maalde door middel van een koffiemolen!
In dat molenhuis was er ook een stampkot waar lijnzaad (vlaszaad) tot olie werd gestampt door middel van een stenen klopper of stamper. Die olie was toen veel geld waard. Daarom werd ze verkocht aan handelaars die afnemers hadden in de verfindustrie. Wat bijzonder was aan die stampinstallatie is het feit dat gans dat mechanisme en gans de constructie zelfstandig stond. Dus niet bevestigd aan muren of zoldering. De reden was eenvoudig; door het gestampt en geklop zouden de muren het snel begeven hebben. Het is jammer dat zo’n installatie is verdwenen. Het zou nu een pracht van industriële archeologie zijn.
Iets over het malen zelf.
Het princiep was “U vraagt wij malen”. Je kon op verschillende wijzen malen; op 100, op 80 en op 60. Roggegraan op 100 malen of rondmalen gaf bruinbrood. Graan op 80 gemalen gaf lichtbruin brood en wit brood verkreeg men door op 60 te malen want dan had men 40 gruis over. En sowieso werd er gemalen vanaf 100 kg graan. En raar maar waar, gedurende den oorlog vroegen velen te malen op 60.
Tijdens de oorlog van 14-18 mochten we niet dorsen tenzij onder toezicht van de Duitsers. Maar wij dorsten toch! ’s Nachts ! Dan zetten de Duitsers niet uit in het pikkedonker. Overdag deden twee cavaleriesoldaten tweemaal daags een ronde van één uur. De berijders kregen zelf inspectie van hun oversten om na te gaan of de paarden wel goed werden onderhouden. Die mannen stonden immers voor alles in. Ook voor het onderhoud van hun paarden. Het gebeurde wel eens dat ze op een boerderij een zakje haver vroegen om hun paarden te voederen. Zoveel schrik zat erin dat ze zelfs vreesden voor hun job en bij het voetvolk aan het oostfront te worden gestuurd.
Een mooie legende over het Waterkasteel
Volgens een oud volksverhaal stond ooit in D’Aubeke een waterkasteel. De benaming is afkomstig wegens het feit dat er rond die velden langs het beekje, meermaals dauw hing. In de oude atlas staat die plaats vermeld bij nr 114 als D’Aubeke en bij nr 115 als D’Aubeke pad. Volgens de kaart van 1777 bestond daar reeds een bijzondere systeem van waterhuishouding. Daar was de grond toen nog zeer drassig en blijkbaar was daar een heel actieve bron die zorgde voor veel bovengronds water. Dicht bij elkaar trof men er twee omwalde woningen aan die enkel toegankelijk waren langs een brug. Veel water werd aangevoerd door de Meulebeek met bronnen in Ten Hole en op de noordflanken Turkeyen. De landerijen langs de beide oevers werden toen als drassig gebied ingekleurd. Op een kaart van 1851 staat een gebouw met twee vleugels omgeven door een brede wal. Het geheel werd aangeduid met “Water Kasteel ou ter Nersbrug Molen”. De Meulebeek liep onder de Holandsraat door. De oversteek gebeurde langs een houten brug.
Dat daar een kasteel stond is wellicht veel gezegd. Laat ons zeggen een statige stenen woning omgeven door water. “De kleine Margaretha van Parma (een bastaardkind van Karel V) zou daar in haar kinderjaren zijn opgevoed. Soms kwam Karel V op bezoek. Vandaar dat één van de toegangswegen Keizerrei werd genoemd. Ook een paus van Rome zou daar zijn zoon hebben ondergebracht. De toegangsweg die de paus volgde naar het waterkasteel werd later Pausweg. Deze aarden weg is het verlengde van de Letterstraat. Je had dus toegang tot het waterkasteel via de Pausweg (verlengde van de Letterstraat) en de Keizerrei. De naam Dauwbeke wijst op de dauw die heel regelmatig boven de akkers hangt. Volgens het volksverhaal zou ook ’t Moleke en de omgeving ervan deel uitgemaakt hebben van ’t Waterkasteel. Het is een feit dat op oude kaarten deze omgeving is aangeduid als drassig gebied. Recht tegenover de watermolen moet een schuur hebben gestaan, op palen. Op de plaats waar de familie De Rooze een paar generaties woonde. Al bemerkt dat het gelijkvloers van het oude woongedeelte een meter hoger ligt en onderkelderd is. Werd in die kelder vroeger ook ijs opgeslagen en bewaard voor de zomertijd? Sommigen spreken hier van een ijsfabriekje, maar dat is veel gezegd. Hoe dan ook, het ijs van de vijver werd verzaagd en de ijsblokken werden tussen het stro bewaard. Daar waar het mogelijk was bouwde men de hoeve aan een beek want water was belangrijk. Er waren dus nog hoeven die een ijskelder bezaten. Dat was een ondergrondse kelder met dikke muren ,onder de schuur, zonder vensters en met een toegangspoortje. Van buitenaf liep men door een gleuf die steeds dieper werd naar beneden. In oorsprong zou het ijs hier gebruikt worden om de melk te koelen. Er was trouwens een voorraad ijs tot een stuk in de zomer.
Wat nu nog rest van het 18de eeuws Waterkasteel is de westelijke vleugel van het oorspronkelijk gebouw met twee vleugels; een zuidelijke en een westelijke vleugel. Men zegt dat de eigenaar van dit kasteel met molen ook op de Steenbrug te Ronse een watermolen bezat.
‘ t Moleke
’t Moleke is een oude watermolen gelegen op de plaats waar de Molenbeek onder de Holandstraat duikt. Het waterrad en de maalinstallatie is kort na de tweede wereldoorlog in verval gekomen. Dat was ten tijde van Octaaf Norga. Recht tegenover het gebouwtje lag een grote vijver waarin het water werd opgehouden. De laatste sporen van de vijver verdwenen bij de heraanleg van de Holandstraat. Aan de oostelijke gevel van het gebouw ziet men nog de sporen van het rad. Zo te zien moest het verval van het water tamelijk groot zijn geweest. Het westelijk gedeelte van ’ t Moleke was melkerij. Dat is nog duidelijk te zien aan de binneninrichting. De vloer van de melkerij lag veel hoger dan de Holandstraat. Dat was natuurlijk gemakkelijk voor het lossen van de melkkannen. Binnen leidde een trap van de woonkamer naar de melkerij. Ten tijde van Frans Verhellen werd de melkerij ingericht als winkeltje en later als woonkamer.
Een overlevering heeft het over een verhaal uit het jaar 1710. Toen zou een zekere Prins Filip, een Spaanse jonkheer, in Oudenaarde zijn goederen hebben verdeeld. In die periode kwamen er 1100 ha van Melden over naar Nukerke. Nukerke was toen op weg naar zijn zelfstandigheid. En wie waren de gelukkige eigenaars? Wel volgens het verhaal gingen ongeveer 300 ha naar de familie Van Malleghem.
Van Malleghem
Het gezin Van Malleghem bezat 10 kinderen. Vader was juge in Gent en afkomstig van een rijke familie.Ze verbleven slecht een paar maanden per jaar in hun mooie buitenhuis naast de kerk te Nukerke. Daar was een paardenstal voor wel 6 paarden. Om de baan op te gaan beschikten ze over 3 koetsen; een grote koets voor 6 à 8 personen en getrokken door 4 paarden, een enkele koets voor 3 personen en tenslotte een ressortkarretje op ijzeren banden.
Molen ter Gheynst
De molen hoorde vóór de eerste oorlog bij de boerderij van Claus. Maar door de komst van de mechanische molen van Moreels werd de concurrentie te groot. Vanuit deze maalderij vertrokken grote zakken meel met de kar, getrokken door koeien, naar het station van Etikhove om in Brussel te belanden in de beste patisserieën.
Eerste gemeenteschool
De school langs de Pontstraat werd door sommige een oord van verderf genoemd. De oppermeester was meester Gilleman nazaat van een familie met schoolmeesters. Wie daar school liep zou in “d’helle” terecht komen. Op ’t laatst had onderwijzer Gilleman nog 2 leerlingen: Richard De Bisschop en Franske Norga. In die tijd was pastoor Dutordoir dorpsherder te Nukerke en speelde hij burgemeester, was baas op ’t kerkhof en chef in ’t hospice. Naar ’t schijnt, althans volgens verhalen, had hij ook andere activiteiten en zou de pastoor enkele kinderen hebben lopen in Nukerke. Dat was toen geen geheim. De pastoor en de onderpastoor bleven preken tegen die liberale school. De pastoor deed al wat hij kon opdat de katholieken bij een volgende verkiezing zouden boven zijn. Maar de liberalen wonnen en Armand Vandeputte uit ten Abele werd burgemeester. Ondertussen zat de school zonder leerlingen en de oppermeester zonder werk. Bij zijn op ruststelling woonde hij in een woning gelegen tussen de school en het hoevetje van R. Van Coppenolle.
Nieuwe gemeenteschool
Ondertussen werden plannen gesmeed om een nieuwe school te bouwen op ’t Holand, ver weg van de kerktoren. Er werd beslist de school te bouwen op een stukje land naast het huis van R. Vanderbeke. Omer Aelvoet, schrijnwerker te Nukerke, stak in voor een totaal bedrag van 100 000 fr. Het metselwerk werd verricht door Fedor Van Coppenolle, broer van Georges die ook metser was. Het schijnt dat het nog veel voeten in de aarde heeft gehad vooraleer de goedkeuring ervan naar Brussel werd verzonden. De secretaris zou daar steeds een stokje hebben voor gestoken. Maar eind goed al goed. Ja, in die tijd was je orangist of je was vrijheidsstrijder en dus “ liberalist”.
Het schijnt dat A. Amelot, liberaal volksvertegenwoordiger uit Zingem, toen een grote rol speelde bij de afhandeling van het schooldossier én bij de benoemingen van het onderwijzend personeel. Vandaar dat Germonprez uit Zingem in Nukerke een vaste benoeming kreeg.