DOORDENKEN OP DONDERDAG
Een bed van licht,
een stoel van stilte
en een tafel van hoop.
Niets meer.
Zo ziet het kamertje eruit
dat de ziel afhuurt.
Christian Bobin: ‘Verrijzen’





DOORDENKEN OP DONDERDAG
Een bed van licht,
een stoel van stilte
en een tafel van hoop.
Niets meer.
Zo ziet het kamertje eruit
dat de ziel afhuurt.
Christian Bobin: ‘Verrijzen’





VERZET TEGEN DE HEILIGE GEEST
Bron: Katholiek Nieuwsblad, 17 april 2013
Paus noemt critici Vaticanum II ‘koppig’
Het Tweede Vaticaans Concilie ‘was een prachtig werk van de Heilige Geest’ maar wordt desondanks, 50 jaar later, onvoldoende in praktijk gebracht.
Dat heeft paus Franciscus dinsdag gezegd in zijn homilie in Casa Santa Marta. Er zijn ‘koppigen’ die de zaak terug willen draaien en ‘de Heilige Geest willen temmen’, aldus de paus. Hij bracht het concilie (1962-1965) ter sprake in zijn preek naar aanleiding van de lezing uit de Handelingen van de Apostelen over de steniging van Stefanus.
Die verweet de oudsten en de schriftgeleerden ‘hardnekkigen en onbesnedenen van hart’ te zijn omdat zij zich tegen de Heilige Geest verzetten.
De paus riep ook het verwijt van Jezus aan de Emmausgangers in herinnering wegens de ‘traagheid van hart’. ‘Altijd’, zei de paus, ook onder ons, is er weerstand tegen de Heilige Geest.’
‘Anders gezegd, DE HEILIGE GEEST BEZORGT ONS PROBLEMEN. Omdat Hij ons beweegt, ons drijft, de Kerk aanspoort vooruit te gaan. We zijn net als Petrus bij de Gedaanteverandering: 'ACH, WAT LEUK OM ZO SAMEN TE ZIJN, ZO BIJ ELKAAR!’ ... ZOLANG HIJ ONS MAAR NIET LASTIG VALT. WE WILLEN DAT DE HEILIGE GEEST INDOMMELT … WE WILLEN DE HEILIGE GEEST TEMMEN. Dat is verkeerd. Omdat Hij God is en Hij de wind is die komt en gaat en van wie men niet weet van waar Hij komt. Hij geeft ons troost en kracht om door te gaan, maar wel vooruit. Dat stoort ons. Gemak is beter!’
‘Het lijkt alsof we allemaal heel gelukkig zijn met de aanwezigheid van de Heilige Geest, maar dat is niet waar. Die bekoring blijft. Neem bijvoorbeeld het Concilie.’
‘Het Concilie was een prachtig werk van de Heilige Geest. Denk eens na over paus Johannes XXIII. Hij zag eruit als een goede pastoor. Hij heeft gehoorzaamd aan de Heilige Geest. Maar hebben wij 50 jaar later alles gedaan wat de Heilige Geest ons in het Concilie vertelde? Is het geëffectueerd? Nee, wij vieren het jubileum, richten een monument op, zolang het ons maar niet lastig valt. We willen niet veranderen. Bovendien willen sommige mensen terug. Dit is koppigheid. Dit noemen wij een poging om de Heilige Geest te temmen, dit is wat wij dwaasheid en traagheid van hart noemen.’
‘Hetzelfde gebeurt ook in ons persoonlijk leven’, aldus de paus. ‘De Geest spoort ons aan tot een meer evangelische weg’, maar wij verzetten ons. De laatste vermaning is ‘verzet je niet tegen de Heilige Geest. De Geest maakt ons vrij, met de vrijheid van Jezus, met de vrijheid van Gods kinderen.’
(Noot: cursivering en HOOFDLETTERS werden door mij aangebracht)


GEDICHT VAN DE WEEK
Aanvaarding
Toen ik jong was, bestond ik in vormen
Van het leven, dat komen zou;
Een vervoerend de wereld doorstormen,
Een lied en een eindlijke vrouw.
Het is bij dromen gebleven;
Ik heb, wat een ander ontsteelt
Aan het immer weerbarstige leven,
Slechts als mogelijkheden verbeeld.
Want ik wist door een keuze verloren
Ieder ander verlokkend bestaan
Ik heb dan ook niets verkoren,
Maar het leven is voortgegaan.
En het eind, dat ik wilde ontvluchten,
Is den aanvang gelijk, dien het had:
Onder Hollandse regenluchten,
In een kleine Hollandse stad.
Ingelijfd bij de bedaarden
Wordt het hart, dat geen tegenstand bood.
Men begint met het leven te aanvaarden
En eindlijk aanvaardt men den dood
J.C. Bloem
ZONDAG 14 APRIL
3de PAASZONDAG C – 14 APRIL 2013
‘WEID MIJN LAMMEREN’
‘Weid mijn lammeren’. Tot driemaal toe horen we straks dit woord van Jezus. Tevoren, ook tot driemaal toe, is er zijn vraag aan Petrus: ‘PETRUS, BEMIN JE MIJ, HEB JE MIJ LIEF?’
Zoals steeds is het een woord, een vraag, die ook aan ons gericht is. En zo gemakkelijk zijn we dan overtuigd van onszelf … maar verstaan we de draagwijdte van de vraag wel: die heel concrete liefde in ons heel concrete leven?
In die tijd verscheen Jezus weer aan de leerlingen, nu bij het Meer van Tiberias. Dat gebeurde als volgt. Bij het meer waren Simon Petrus en Tomas (dat betekent ‘tweeling’), Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee andere leerlingen.
Petrus zei: ‘Ik ga vissen.’ ‘Wij gaan met je mee,’ zeiden de anderen. Ze stapten in de boot, maar de hele nacht vingen ze niets. Toen het al ochtend werd, stond Jezus op de oever, al wisten de leerlingen niet dat het Jezus was. Hij riep: ‘Hebben jullie soms iets te eten?’ ‘Nee,’ antwoordden ze. ‘Gooi het net aan stuurboord uit,’ riep Jezus, ‘dan lukt het wel.’ Ze wierpen het net uit en er zat zo veel vis in dat ze het niet omhoog konden trekken.
De leerling van wie Jezus hield zei tegen Petrus: ‘Het is de Heer!’ Zodra Simon Petrus dat hoorde, schortte hij zijn bovenkleed op – meer had hij niet aan – en sprong in het water. De andere leerlingen kwamen met de boot en sleepten het net vol vis achter zich aan. Ze waren niet ver van de oever, ongeveer tweehonderd el. Toen ze aan land kwamen zagen ze een vuurtje met vis erop en brood.
Jezus zei: ‘Breng ook wat van de vis die jullie net gevangen hebben.’ Simon Petrus ging weer aan boord en trok het net aan land. Het zat vol grote vissen, welgeteld honderddrieënvijftig, en toch scheurde het niet. Jezus zei tegen hen: ‘Kom, eet iets.’ Geen van de leerlingen durfde hem te vragen wie hij was, ze begrepen dat het de Heer was. Jezus nam het brood en gaf hun ervan, en hij gaf hun ook vis. Dit was al de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen nadat hij uit de dood was opgestaan.
Toen ze gegeten hadden, sprak Jezus Simon Petrus aan: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je mij lief, meer dan de anderen hier?’ Petrus antwoordde: ‘Ja, Heer, u weet dat ik van u houd.’ Hij zei: ‘Weid mijn lammeren.’
Nog eens vroeg hij: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je me lief?’ Hij antwoordde: ‘Ja, Heer, u weet dat ik van u houd.’ Jezus zei: ‘Hoed mijn schapen,’
En voor de derde maal vroeg hij hem: ‘Simon, zoon van Johannes, houd je van me?’ Petrus werd verdrietig omdat hij voor de derde keer vroeg of hij van hem hield. Hij zei: ‘Heer, u weet alles, u weet toch dat ik van u houd.’ Jezus zei: ‘Weid mijn schapen.’
‘Waarachtig, ik verzeker je: toen je jong was deed je zelf je gordel om en ging je waarheen je wilde, maar wanneer je oud wordt zal een ander je handen grijpen, je je gordel omdoen en je brengen waar je niet naartoe wilt.’ Met deze woorden duidde hij aan hoe Petrus zou sterven tot eer van God. Daarna zei hij: ‘VOLG MIJ.’
(Johannes 21,1-19)
‘MIDDEN ONDER ONS’
Eigenlijk is er iets heel merkwaardig in die verschijningsverhalen. Hoewel zij enkele jaren met Jezus waren opgetrokken herkennen zijn leerlingen Hem niet, wanneer Hij na zijn verrijzenis weer aan hen verschijnt.
In zekere zin stemt dat overeen met onze eigen ervaring. Ook al is Hij niet langer in levenden lijve bij ons, toch geloven wij dat Hij ook nu met ons op weg gaat! We zien Hem niet, we kunnen niet zoals Thomas zijn wonden voelen. En toch kunnen we Hem bij ons weten! Maar hoe kunnen we Hem herkennen?
Vogels kennen we aan hun kleur en aan het lied, dat zij fluiten. Van bomen kennen we de bladeren. En van seizoenen de schoonheid van de lente of de herfst. En dieper nog: na verloop van tijd zijn we vertrouwd met de stap of de stem van een vriend.
Maar hoe kan je de Verrezen Jezus herkennen, als je zijn gelaatstrekken niet kent? Misschien in mensen die mild zijn en warmte uitstralen? Of in mensen die telkens opnieuw vergeven? Of in die mens die elke dag, ongezien en ongekend, met veel zorg een zieke te eten geeft?
Maar evenzeer spreekt Hij door de mond van mensen, die onrecht en valse leiders met striemende stem aanklagen. En Hij verschijnt in die vreemdeling of eenzame, die we vaak achteloos voorbijlopen. En in die onbekende man of vrouw op de trein, die luisterde, aandacht had en ons nieuwe moed gaf?
In vele gedaanten blijft Hij verschijnen, zoals Hij toen in vele gedaanten al weldoende rondging. Laten we bidden dat zijn weg ons pad mag kruisen en dat we Hem dan – in onze haast – niet ongezien voorbijgaan.
(geïnspireerd door een bezinning van de Federatie Kana)
De lente was dezelfde
De lente was dezelfde als jaren terug
en toch was alles anders.
God had het lijden van nabij gezien,
de dood geproefd
en in zijn lichaam alles meegeleden
wat de mensen lijden.
De lente was dezelfde,
met plotse bloemen in het bedauwde gras
en toch was alles anders.
De tranen in zijn ogen en de wonden in zijn vlees,
de glimlach van vernedering.
Hij deelde in ons lijden.
De lente was dezelfde als altijd,
met stuwende dieren en uitgelaten vogels
en toch was alles anders.
Een open graf en vrienden met hun twijfels
en hun broos vermoeden na zoveel lijden.
De lente was dezelfde als ooit tevoren
en toch, nu werd het anders.
Ik weet zijn hand op mijn schouder.
‘Ik ben verrezen en nog bij u’.
Zijn gewonde hand op mijn schouder
in het uur van het lijden.
Manu Verhulst


DOORDENKEN OP DONDERDAG
Vader, wij hebben geen woorden
voor onze onmacht en onze pijn,
maar Gij weet wat er omgaat in ons hart.
Gij kent het mateloze verdriet van ouders
die hun kind verloren
als een bloem, gebroken in de knop.
Uw eigen liefste Zoon, de mens Jezus,
die al Uw goedheid met ons deelde,
werd al te vroeg en onrechtvaardig
uit het leven weggerukt.
Toch hebt Gij Hem niet immer
aan het geweld van de dood prijsgegeven.
Met Uw levensgeest
zijt Gij Hem te hulp gesneld
en Gij hebt het ontzagwekkende wonder
van Pasen aan Hem voltrokken.
Aan Hem klampen wij ons vast,
met vragen beladen.
Bevrijd ons
en allen die wij zo pijnlijk moeten missen
uit het doffe duister van de dood
en leid ons naar Uw land van louter Licht.
(Bron: ‘Tertio’, nummer 632 van 21/03/2012
na het busdrama, vorig jaar, in Sierre)

GEDICHT VAN DE WEEK
Existentie
Hier loopt het ik: vanwaar is het gekomen,
tot dit moment als tot een open plek,
waar het, tussen het zwart geheim der bomen,
zich in een maanblank watervlak ontdekt
en wakker wordt en toch volloopt met dromen?
Hier loopt het vreemde ik, het richt zijn voeten
naar waar, naar waar? Het kent de wegen niet.
Alleen: het is! Het wil de aarde groeten
met een herkennend, nieuw en oeroud lied.
Hier loopt het ik en het wil God ontmoeten.
J.W. Schulte Nordholt
ZONDAG 7 APRIL
2de PAASZONDAG C – 7 APRIL 2013
`ONGEZIEN EN TOCH NABIJ’
We zijn hier, net als de apostelen, bijeen op de achtste dag na Pasen. We hebben de Verrezen Heer niet in levenden lijve gezien, en toch weten we Hem hier onder ons aanwezig.
‘Gelukkig die niet zien en toch geloven’ zullen we Jezus tot Thomas horen zeggen.
We mogen de aanwezigheid van de Heer gewaarworden in het gelaat van onze medegelovigen. We mogen Hem aanwezig weten in zijn Woord dat hier wordt verkondigd. We mogen ons aan deze heilige tafel voeden met zijn Leven.
Op de avond van die eerste dag van de week waren de leerlingen bij elkaar. Hoewel de deur op slot was uit vrees voor de Joden, kwam Jezus. Ineens stond Hij in hun midden en zei: `Vrede!' Na deze groet toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. Vreugde vervulde de leerlingen toen ze de Heer zagen. `Vrede', zei Jezus nogmaals. `Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik jullie.' Na deze woorden ademde Hij over hen. `Ontvang de heilige Geest', zei Hij. `Als jullie iemand zijn zonden vergeven, dan zijn ze ook vergeven; als jullie ze niet vergeven, dan blijven ze behouden.'
Thomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd, was er niet bij toen Jezus kwam. De andere leerlingen vertelden hem: `We hebben de Heer gezien.' Maar hij zei: `Ik wil zijn handen zien, met de gaten van de spijkers erin; ik wil ze met mijn vingers voelen. Ik wil met mijn hand de opening in zijn zijde voelen. Anders geloof ik niet.
Acht dagen later waren de leerlingen weer bijeen, en nu was Thomas erbij. Hoewel de deur op slot was, kwam Jezus. Ineens stond Hij in hun midden en zei: `Vrede!' Vervolgens richtte Hij zich tot Thomas: `Kijk maar, hier zijn mijn handen; kom nu maar met je vinger. En kom met je hand om de opening in mijn zijde te voelen. Wees niet langer ongelovig, maar gelovig.'
Hierop zei Thomas: `Mijn Heer! Mijn God!' Jezus zei: `Omdat je Me gezien hebt, geloof je?’ Gelukkig zij die zonder gezien te hebben toch tot geloof komen.'
Nog veel andere tekenen heeft Jezus voor de ogen van zijn leerlingen verricht, die niet in dit boek zijn neergeschreven. Die welke u hier vindt, zijn neergeschreven opdat u zult geloven dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en opdat u door te geloven leven zult bezitten in zijn naam.
(Johannes 20,19-31)
`OMDAT JE ME GEZIEN HEBT, GELOOF JE?’
‘Eerst zien en dan geloven!’ Hoe dikwijls horen we dat niet. Je kan ook niet alles geloven wat verteld wordt: roddels, insinuaties, halve waarheden en veel wat in de krant staat. Bovendien, die ongelovige Thomas, wij zijn dat zelf wel eens. We geloven wel, maar liefst toch niet te veel. Geloven ja, maar zonder overdrijven, in ons denken, in ons doen, in ons leven.
Wie alles zomaar aanneemt wordt inderdaad vaak bedrogen. En soms op een pijnlijke wijze, die veel zeer kan doen. Toch hebben belangrijke dingen in ons leven dikwijls met geloven te maken. Een jongen en een meisje, die van elkaar houden en dromen over later, zeggen: ‘ik beloof je trouw te blijven in goed en kwade dagen.’ Ik beloof het, omdat ik in je geloof.
Zo is het ook met ons geloof in Jezus. De kern ervan gaat over verrijzenis: nieuw leven, volheid van leven, leven voorgoed. We kunnen dat niet duidelijk beschrijven. Het reikt verder dan onze ogen zien, onze oren horen, onze handen aanraken. Waarom dan geloven? Waarom aannemen dat dit alles waar zou zijn?
Het kan zijn omdat onze ouders ons dat zo geleerd hebben. Dat is belangrijk, zeker als zij het voorleefden. Maar de echte reden ligt dieper: dat is Jezus zelf, die mens van Nazareth, die zo leefde, zo sprak en zulke tekenen toonde. Die hoop bracht aan mensen die blind of lam, doof of stom, melaats of bezeten waren. Die hen genezing gaf. Die Jezus, die op die manier dood in leven kon ombuigen. En ook vandaag zijn er nog mensen, die zijn leven leiden, zijn woorden spreken en zijn wonderen nog verder blijven doen, die nog altijd anderen laten opstaan en een nieuwe adem geven, mensen, die nieuw leven brengen waar alles dor en dood leek.
Toen wilden zij Hem niet erkennen; zij, dat waren de leiders, de voormannen, de oudsten van het volk, de schriftgeleerden, de hogepriesters en farizeeën. Herkennen wij Hem vandaag, als Hij in onze buurt, in die of die persoon, opnieuw aanwezig is, en wellicht tegengewerkt wordt door sterke, kwade machten, die het een tijdlang lijken te halen?
Geloven wij dat Hij blijft verrijzen? Dat Hij ook nu nog steeds tot leven komt? Geloven we in Hem, desondanks?
Ongelovige Thomas
Ik hield mijn handen op zijn wond
zocht naar bewijs van leven
mijn ongeloof gaf hier geen pas
maar eenmaal dit gedaan
ontdekte ik
dat hier niet hij maar ik...
de echte dode was
toen hij me in mijn ogen keek
en ik voor deze God bezweek
sprak hij geen oordeel uit
maar schonk voor mij een goed glas wijn
en brak voor mij het brood
en sprak...
‘laat mij toch in je zijn
ik weet hoe jij je voelt
en wat voor kilheid je omgeeft
want ik ben zelf ook dood geweest
maar nu niet meer...
ik leef’
leg dus gerust je hand maar hier
en vind je zo verlangd bewijs ik weet,
je ongeloof geeft hier geen pas
maar ik wil graag met je op reis
Juko de Vries


DOORDENKEN OP DONDERDAG
‘Ik kan u geen leven zonder leed of pijn beloven.
Ik kan ook niet beloven dat alles gauw veel beter zal gaan.
Ik kan niet beloven dat binnenkort
honger en onrecht en oorlog verdwenen zullen zijn.
Ik geloof ook niet dat ik het zelf nog beleven zal.
Maar daarom heb ik broeders en zusters nodig,
ik heb troost nodig, want dat is een groot verdriet.
Ik heb die traditie van zoveel eeuwen nodig,
die christelijke traditie,
die terugkijkt naar de Joden en naar Jezus
want die vertelt verhalen
die over bevrijding en over leven gaan.
Het is van groot belang dat je mag geloven,
dat een blinde al eens ziende is geworden,
of dat een verlamde al eens is gaan dansen,
en zeker dat een heel volk ooit eens
van die gulzige vleespotten van Egypte is weggetrokken,
dit Egypte achter zich heeft gelaten.
Zulke verhalen herhalen en blijven herhalen,
is voor mij de betekenis van de christelijke traditie.
Ik denk almaar terug aan wat ooit gebeurd is
met het oog op mijn toekomst,
én met het oog op de toekomst van ons allen.
Ik heb die hoop nodig,
die groeit uit een terugblik op dit verleden:
Er is al eens iemand uit de doden opgestaan.’
(vrij naar Dorothee Sölle)


GEDICHT VAN DE WEEK
MARIA MAGDALENA IN DE GRAFTUIN
In wanhoop doolt zij rond
het graf is leeg
het lichaam van de meester
niet te vinden
alleen een vreemde –
de tuinman soms
zou hij misschien?
Waar hebt u hem gelegd
die men het leven nam
wil hem mij dan tenminste
nog als dode laten
verblind door tranen
alles is verloren
dood is nog altijd dood
wendt zij zich af –
Wat opent haar
wat heelt haar oren
wie noemt haar bij de naam
zoals zij is gekend?
Nog dieper ommekeer
dan in hun vroegst ontmoeten
ervaart zij wat zij ziet:
hij is het is
de Levende
die mij tot leven riep
Inge Lievaert
---
In die tijd stond Maria buiten bij het graf te schreien. En al schreiend boog zij zich naar het graf toe en zag op de plaats waar Jezus’ lichaam gelegen had, twee in het wit geklede engelen zitten, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde.
Zij spraken haar aan: ‘Vrouw, waarom schreit ge?’ Zij antwoordde: ‘Zij hebben mijn Heer weggenomen en ik weet niet waar zij Hem hebben neergelegd.’ Toen zij dit gezegd had, keerde zij zich om en zag Jezus staan, maar zonder te weten dat het Jezus was. Jezus zei tot haar: ‘Vrouw, waarom schreit ge? Wie zoekt ge?’ In de mening dat het de tuinman was vroeg zij: ‘Heer, mocht gij Hem hebben weggebracht, zeg mij dan waar ge Hem hebt neergelegd zodat ik Hem kan weghalen.’
Daarop zei Jezus haar: ‘Maria!’ Zij keerde zich om en zei tot Hem in het Hebreeuws: ‘Rabboeni!’ wat leraar betekent.
Toen sprak Jezus: ‘Houd mij niet vast, want Ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader, maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God.’
Maria Magdalena ging aan de leerlingen berichten dat zij de Heer gezien had en wat Hij haar gezegd had.
(Johannes 20,11-18)


PAASMAANDAG
PAASMAANDAG, 1 APRIL 2013
‘DAT ER LICHT MAG ZIJN,
LICHT IN ONZE OGEN’
Dat er Licht mag zijn:
Licht in onze ogen,
zodat we elkaar zullen zien,
zo goed als nieuw.
Licht in onze huizen,
dat er vriendschap
en gastvrijheid mogen heersen.
Licht op onze wegen,
dat we niet dwalen
en elkaar tot doolhof zijn.
Licht op deze plaats,
om elkaar bij te lichten,
elkaar toe te schijnen.
Met het geloof in Hem
die eens geroepen heeft:
‘Ik ben het licht van de wereld!’
Amen.
als wat onmogelijk leek
mogelijk wordt
als in wat uitzichtloos was
en dood
nieuw leven daagt
als angst en onzekerheid plaats ruimen
voor hoop en verwachting
als pijn en verdriet gelouterd zijn
tot dankbare herinnering
als na verdeeldheid
verbondenheid mogelijk blijkt
als afkeer tot inkeer komt
als alleen groeit tot samen
als geweld en misbruik ombuigen
tot tederheid en liefde
als grijpen herverdelen wordt
dan vieren wij Pasen…
Exodus, Egypte, Beloofde Land,
zijn meer dan begrippen en plaatsen
uit een versleten verhaal.
De vragen die we ons moeten stellen zijn:
Waar is ons Egypte, onze exodus, ons beloofde land?
Waaraan zitten wij vast?
Wat maakt ons echt vrij?
En welke stappen moeten we daarvoor zetten?
Of hebben we ons zo ‘aangepast’
aan de ‘Egyptische levensstijl’
dat ‘exodus’ ons niets meer zegt?
(uit: De woestijnweg op)
PASEN
PAASZONDAG – 31 MAART 2013
TOT NIEUW LEVEN VERRIJZEN
Wij ervaren dagelijks hoe klein en kwetsbaar we zijn, hoe hard het leven is voor velen.
Toch mogen wij aan elkaar getuigen van een zekerheid die dieper is dan alle angsten: Christus is verrezen. Wij beseffen dat Pasen meer betekent dan louter een herinnering aan Jezus’ verrijzenis.
Ook wij willen een stukje verrijzenis meemaken in ons eigen leven en doorgeven in het leven van anderen.
Op de eerste dag van de week gingen de vrouwen zeer vroeg in de morgen naar het graf, met de welriekende kruiden die zij klaar gemaakt hadden. Zij vonden de steen weggerold van het graf, gingen naar binnen, maar vonden er het lichaam van de Heer Jezus niet.
Terwijl zij niet wisten wat daarvan te denken, stonden er plotseling twee mannen voor hen in een stralend wit kleed. Toen zij van schrik bevangen het hoofd naar de grond bogen, vroegen de mannen haar: ‘Waarom zoekt ge de levende onder de doden? Hij is niet hier, Hij is verrezen. Herinnert u hoe Hij nog in Galilea tot u gezegd heeft: De Mensenzoon moet overgeleverd worden in zondige mensenhanden en Hij moet aan het kruis worden geslagen, maar op de derde dag zal Hij verrijzen.’
Zij herinnerden zich zijn woorden, ze keerden van het graf terug en brachten dit alles over aan de elf en aan al de anderen. Het waren Maria Magdalena, Johanna en Maria, de moeder van Jakobus; de andere vrouwen die met hen waren vertelden aan de apostelen hetzelfde.
Maar dat verhaal leek de apostelen beuzelpraat en zij geloofden hen niet. Toch liep Petrus ijlings naar het graf; hij bukte zich voorover maar zag alleen de zwachtels. Daarop ging hij terug, verbaasd nadenkend over hetgeen er gebeurd was.
(Lucas 24,1-12)
MIDDEN IN HET GRAF
In het graf van de dood,
van oorlog en onrecht,
van haat en angst,
heb ik een engel gezien.
Hij had geen vleugels en zijn gewaad schitterde niet.
Neen, hij was heel gewoon,
een mens als ieder ander mens.
Hij was er, midden in het graf.
Hij was niet weggelopen van de mens en zijn ellende,
Hij was er, in mijn angst en mijn onvrede,
in mijn onmacht, in de dood van velen.
Hij was er zoals God er altijd is,
midden in de dood ...
Niet bang zijn, zei hij,
je hoeft de Levende niet hier te zoeken.
Maar breek de graven open,
maak de zwachtels los
die mensen gevangen houden in zichzelf,
toegeklapt in hun verdriet.
Herstel de onmacht en de angst,
wek een nieuw vertrouwen,
en wees er voor anderen.
Dan zul je Hem zien, de Levende,
daar gaat Hij u voor.
Wie God doet
is door geen grafsteen tegen te houden.
Aan jullie allen wens ik van harte een zalig Pasen:
dat we – ieder op onze eigen plaats –
midden de vele graven van onrecht, lijden en dood
een engel mogen zien,
een engel mogen zijn.
(vrij Carlos Desoete)
PASEN
Het zal zijn
als het ontwaken uit een winterslaap
de frisheid van een dauwtrip,
de ochtendzon tegemoet.
Het zal zijn
als kiemen in de donkere aarde
barsten uit de knop
ontvouwen van nieuw groen
na ijs en dorre koude.
Het zal zijn
als een ontwapenende glimlach
twee vragende ogen,
hoop in woorden,
warme nabijheid die je doet opstaan
uit wat je verpletterend verlamde.
Zo is verrijzen:
Christus gaat ons voor
in een leven uit de dood.
Pasen … nooit te vroeg!
Pasen … nooit te laat!
Kathleen Boedt


GOEDE VRIJDAG
Goede Vrijdag
Ook dit jaar zullen mensen zwijgen
als toentertijd en telkens weer.
De groten gaan ’t gelijk weer krijgen
‘wie zwijgt, stemt toe’ – ’t bekende zeer …
Of erger nog: ze zullen roepen
dat Hij ter dood moet aan het kruis,
die opgehitste hete groepen
die opkomen voor tuin en huis …
En Hij dan aan het kruis verheven,
spreekt ieder jaar dat teder woord:
‘Het weze, Vader, hen vergeven …’
Het is bekend, toch ongehoord.
Onder het kruis, één leerling en de vrouw,
de and’re leerlingen er ver vandaag …
Ik weet dat ik vandaag de handen vouw …
Maar waar had ik destijds gestaan?
Pr. Jan Coghe
WITTE DONDERDAG
GEBED BIJ WITTE DONDERDAG
Jezus wist dat zijn uur gekomen was
om uit deze wereld naar de Vader te gaan.
Nu gaf Hij zijn leerlingen
een bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe.
(Johannes 13,1)
Hij nam een brood, brak het in stukken, gaf het hun, en zei:
‘Dit is mijn lichaam; het wordt voor jullie gegeven.
Blijf dit doen om Mij te gedenken.’
(Lucas 22,19)
Heer Jezus, eens is het zo gebeurd:
je lichaam, je hele leven,
gegeven en gebroken,
dag aan dag
tot aan die laatste dag daar op Calvarie.
Gegeven en gebroken,
zoals het stukje brood,
dat je voor je vrienden brak en doorgaf:
‘Dit ben Ik zelf.
Blijf dit daarom doen, blijf dit herhalen,
om Mij niet te vergeten.’
Je woorden waren je eigen hele leven,
door en door
en dag aan dag..
Bewogen bidden wij
diezelfde woorden.
Ontroerd breken wij
hetzelfde brood.
Mogen jouw woorden
woorden worden van ons eigen leven,
gegeven, soms gebroken.
Moge jouw brood
brood worden van ons eigen leven,
gegeven, soms gebroken.
Om die genade bidden wij
voor vandaag
voor alle dagen. Amen.
Witte Donderdag
We zullen weer aan tafel gaan
met Hem en met zijn vrienden
en weer eens zullen wij verstaan
dat Hij een beter lot verdiende.
We zullen weer aan tafel gaan
en eten van ’t gebroken brood,
en weten dat we voortbestaan
dankzij zijn leven en zijn dood.
We zullen weer aan tafel gaan
en drinken uit de grote beker –
met Hem de tuin weer binnengaan
zo zeker van wat toen onzeker …
We zullen weer de weg opgaan
van onze Heer – met alle vragen …
We zullen alles maar verstaan
als wij het kruis leren te dragen.
Jan Coghe


WOENSDAG IN DE GOEDE WEEK
Er bestaan nog engelen.
Er was eens een tijd waarin niet veel mensen nog in engelen geloofden. Er zijn geen engelen, zeiden de meesten.
Toen deed er een verhaal de ronde: Iemand zou twee engelen gezien hebben. Dat verhaal wekte de nieuwsgierigheid van steeds meer mensen. 'Bestaan er dan toch engelen?' vroeg iemand. 'Hebben die engelen vleugels? Hoe moeten wij die engelen zien?'
Een ander zei: 'Om engelen te zien moet je opnieuw leren kijken. Hoe doe je dat? Je kijkt toch met je ogen? Kan je ook anders kijken?' Er kwamen steeds meer vragen.
In die tijd leefden er ook twee jonge vrouwen. Ze hadden jarenlang zorg gedragen voor hun moeder. Die was almaar meer vergeetachtig geworden. Ze wist zelfs niet meer wie ze was. Het licht in haar ogen was gedoofd. Vele jaren lang leidde ze zo een sluimerend bestaan. Ze leefde lang aan de grens van leven en dood.
Al die tijd werd ze omringd door de liefde van haar dochters. Die dochters lieten haar niet in de steek. Toen de moeder gestorven was, werd zij door de engelen gedragen naar het Eeuwige Licht. In dat licht ontmoette zij God.
God zei tegen haar: 'De mensen geloven, niet meer in engelen, maar ik zend nog steeds engelen naar de aarde. De engelen zijn als gewone mensen, maar zij hebben bijzondere namen. Ze heten: 'de goede geest van trouwe aandacht'.
Als je heel aandachtig leert kijken; kun je ze zien. Ze zijn overal en ze hebben bijzondere aandacht voor mensen die heel kwetsbaar zijn'.
(Marinus van den Berg: ‘De kracht van weerloze liefde’)
DINSDAG IN DE GOEDE WEEK
DE WEG VAN DE HEER
Derde statie:
Jezus valt onder het kruis
Niet onder de belasting van een balk
die U terneerdrukt, is het dat Gij valt
maar onder onverschilligheid van velen
die U door alle eeuwen volgen zal.
Vierde statie:
Jezus ontmoet zijn moeder
Zij staat en wacht te midden van de weg
en niemand zal vernemen wat zij zegt
(de zachtste woorden binnenwaarts gesproken,
de eerste rozen op zijn pad gelegd!)
Vijfde statie:
Jezus ontmoet Simon van Cyrene
Een man die van het veld komt grijpt men vast
en overlaadt hem met de zwaarste last, -
is het een vonnis of een uitverkiezing,
is hij vernederd of alleen verrast?
Anton van Wilderode
MAANDAG IN DE GOEDE WEEK
Elke dag,
al 2000 jaren,
wordt Jezus
op kruishout omhoog gehesen,
onder gejuich en applaus van velen.
Zij denken nog steeds
dat ze er beter van worden,
als weer iemand
wordt gepest, vernederd,
gefolterd of met woorden vermoord.
Wanneer, God,
zullen wij breken met dat hatende verleden?
Wanneer zullen wij eindelijk beter weten?
Tijd voor een goddelijk moment, Kerk en wereld, Mechelen
PALMZONDAG
Koning op een ezel
Niet met pracht en praal,
niet tussen de machthebbers en de rijken,
niet in een gouden koets
maar op een veulen
kwam U naar de stad.
Een koning in tegenspraak
die kiest voor het kleine,
voor de zwakke,
de verstotene en
voor God.
En wij maar
een hoge hoed opzetten,
op onze strepen staan...
Zo anders, Jezus,
gaat Gij ons voor.
Wees ons nabij
in de komende dagen
zodat uw verhaal
ons mag inspireren
voor een goede week.
Wies Merckx
---
Ons albasten vaasje
Heer Jezus,
nu wij de week van uw lijden binnengaan,
willen wij door ons gebed en onze liefde
dicht bij U blijven:
wij willen zijn als de vrouw
met het albasten vaasje vol kostbare nardusolie
die al haar liefde
in één gebaar aan U wil tonen.
Samen met U
gaan wij de ‘Goede Week’ in,
een week van angst, lijden, verloochening en dood …
Open ons innerlijk
opdat wij mogen voelen wat U voelde,
opdat wij zouden meevoelen met zovelen
die dagelijks verloochend en gedood worden.
Alleen als wij deze week
onze blik gericht houden op U,
als wij bereid zij met U de weg te gaan,
zult U ons hart verzachten
om anderen in hun lijden bij te staan
en zult U ons de hoop geven
dat de dood niet het laatste woord heeft.
Iny Driessen

DOORDENKEN OP DONDERDAG
Ik kan niet aannemen,
dat de werkelijkheid volledig is uitgeput
als de wetenschap haar heeft waargenomen,
haar heeft ontleed en beschreven.
Er is veel meer.
Ik neem aan
dat het onzichtbare
oneindig veel groter is
dan het zichtbare.
Ik ben zeker
dat in de kern van de onzichtbare wereld,
zonder grenzen en zonder tijd,
een wezen aanwezig is
dat de zichtbare wereld
met onzichtbare vingers beweegt.
De onzichtbare werkelijkheid
is veel boeiender dan de zichtbare.
Je kunt haar met je verstand
niet waarnemen.
Daarvoor staan de ogen van het hart.
Phil Bosman: ‘God, niet te geloven’, p. 29
PAUS FRANCISCUS
‘We leven in het meest onevenwichtige deel van de wereld,
dat het meest is gegroeid,
maar de ellende het minst heeft bestreden.’
(Paus Franciscus – toen nog Kardinaal Bergoglio – op de bijeenkomst van de CELAM = Conferentie van de Bisschoppen van Latijns-Amerika in 2007, te Aparecida, Brazilië)
‘Ze zijn mij komen halen aan de andere kant van de wereld.
Wel, hier ben ik dan.’
(Paus Franciscus, 13 maart 2013, de eerste woorden nadat hij tot paus verkozen was)
‘O, wat hoop ik op een arme kerk voor de armen’
(Paus Franciscus, 16 maart 2013, tot de verzamelde journalisten in de Aula Paulus VI in Vaticaanstad)
‘We moeten niet bevreesd zijn voor goedheid en tederheid’
(Paus Franciscus, 19 maart 2013, in de homilie tijdens zijn inhuldiging)


GEDICHT VAN DE WEEK
Franciscus
Franciscus heeft, om U te ontmoeten,
alles wat schittert afgedaan
aan hals en hand, voorhoofd en voeten;
want schamel wilde hij tot U gaan.
Maar niemand hebt Gij zo ontvangen,
o liefde, en als de dag begon,
waart Gij het, die zijn zuiv're zangen
deed jubelen van zuster zon.
En moet ik ook zo tot U komen,
afleggend waar mijn ziel mee speelt:
de rijke schat der schone dromen,
het fonklend woord, het sierlijk beeld?
En moet ik langs de grauwe wegen,
in grove pij en ongeschoeid
het geeslen voelen van den regen,
en hoe het eenzaam-zijn vermoeit.
Eer ik mij bij U neer mag leggen,
gelijk een zwerver bij een bron,
en aan uw borst mijn zang mag zeggen
voor broeder wind en zuster zon?
Aart Van der Leeuw