CHRISTUS

CHRISTUS
Binnen was hij er altijd, binnen
was hij familie, stond hij te boek.
Alle seizoenen hielden hem vast.
Hij hing aan het kruis, maar verrees op tijd.
Als het jaar doodging werd hij geboren.
Om te bestaan had hij niet veel nodig:
vader en moeder in de kamer,
hand op het voorhoofd, kruisje op het brood,
gesloten ogen voor en na tafel.
In latijn en gerinkel van altaarschellen
kreeg hij een kleed aan met witte zomen
en vlijden zich lammetjes om hem heen.
Zijn naam was hard, maar als monniken zongen
heette hij Jezus, begin van muziek,
en leek hij een vriend. Ach, mooi bedrog,
misschien was hij enkel het zingen maar,
de zestien kaarsen op het altaar,
misschien was hij gisteren alleen maar
de warmte van binnen, mensen bijeen.
Michel van der Plas
Vorige maandag, 31 mei, en ook reeds op 6 april werd de volledige tekst van dit prachtige gedicht van Michel van der Plas gegeven. Vandaag een uitnodiging om even te mediteren over de eerste strofe, die in enkele rake beelden de kindertijd tekent van zoveel mensen. Meer dan waarschijnlijk vinden we in de ervaringen van de dichter ook heel wat, dat onze eigen kindertijd oproept. Ongetwijfeld zullen lezers van een zekere leeftijd bij de overweging van deze strofen met enige nostalgie terugdenken aan hun eigen kindertijd, zoveel jaren her.
In de warme geborgenheid van het diep gelovige gezin – ‘binnen’, tot tweemaal toe herhaald in de eerste versregel – was Jezus altijd aanwezig, zodanig zelfs dat hij ‘familie’ was. Er werd immers, ook thuis, uit ‘het boek’ voorgelezen, waarin al die mooie verhalen over hem stonden.
Elke tijd van het jaar was er wel een feest dat naar hem verwees: de tederheid van Kerstmis evenzeer als de harde dagen van zijn lijden en zijn kruisdood. Hij stierf wel telkenjare maar telkenjare was er ook Pasen.
Maar meer nog dan die jaarlijks weerkerende feesten woonde hij binnen de muren van het ouderlijk huis. Vader en moeder, allicht elk op hun eigen wijze, waren zo gelovig, dat hun aanwezigheid alleen al volstond om Jezus nabij te brengen. Er waren zovele, heel kleine, heel dagelijkse rituelen binnenskamers: het kruisje voor het slapengaan en zelfs het kruisje dat moeder vluchtig sloeg, telkens zij een vers brood aansneed, het vrome gebed, de oogjes toe, voor en na het eten.
Ook buitenshuis woonde hij tussen de mensen, in het Latijn van de mis van toen, en – voor een kind – zeker in het speelse klingelen van de belltejes, bij het Sanctus, de consecratie en het gewijde ogenblik van de communie, nuchter genuttigd voor dag en dauw.
‘Christus’, zijn plechtige naam, klonk hard in de oren, maar bij een bezoek aan een abdij verdween die gestrengheid en werd alles anders, zachter, gehuld in een warme waas van zoete tederheid, als monniken in hun sobere gregoriaans over Jezus zongen. De woorden waren onverstaanbaar, de melodie alleen ademde een aanlokkelijke betovering. Het was muziek voor de oren, muziek voor het hart.
En zo werd hij een hartsvriend, binnenskamers, evenzeer als buitenshuis. Alles sprak van hem, overal was hij – hoewel onzichtbaar – lijfelijk aanwezig. Hij hoorde erbij, overal, altijd. Je kon hem wel niet zien, maar het was alsof je hem in levende lijve kon voelen.
Maar kind blijf je niet, je wordt groter, de wereld wordt ruimer, en de eerste twijfel rijst. Was hij wel meer dan een broze illusie, zo deugddoend weliswaar, maar was hij wel meer dan een mooi bedrog? Was de warmte die je binnenin voelde wel meer dan de reuk van de kaarsen en het speelse dansen van de vlammetjes? En bovenal: het was zo goed om allen samen zo rustig samen te zijn, je werd er warm van binnenin en je dacht spontaan dat die warmte van hem uitging. Maar was die warmte van binnen wel meer dan de warmte van het ingetogen samenzijn?
't Kruiske
‘t Eerste dat mij
moeder vragen
leerde, in lang verleden dagen,
als ik hakkelde, ongeriefd
nog van woorden, ‘t was, te gader
bei
mijn' handtjes doende: "Vader,
geef me 'en kruisken, als ‘t u belieft!"
‘k Heb een kruiske
dan gekregen,
menig keer, en wierd geslegen
op mijn' kake, zacht en zoet...
Ach, ge zijt mij, bei te gader,
afgestorven, moeder, vader,
‘t geen mij nu nog leedschap doet!
Maar, dat kruiske, ‘t
is geschreven
diep mij in den kop gebleven,
teeken van mijn erfgebied;
die den schedel mij aan scherven
sloege, en hiete
‘t kruisken derven,
nog en hadd' hij ‘t kruisken niet!
Guido Gezelle













